mannen, het politiebureau te overvallen, om zoo met geweld tot in de
cel van de gevangene door te dringen. Ook dit behoeft je niet zoo zeer
te verbazen, in den laatsten tijd zijn dergelijke overvallen aan de
orde van den dag, vooral in de stille buitenwijken. Maar gelukt dit
niet, of deinst hij voor dit geweldmiddel terug, dan zal hij het
oogenblik kunnen afwachten, waarop de overbrenging plaats heeft, goed
verborgen, met een paar ondernemende kerels, om haar dan weg te voeren,
wanneer zij naar de wachtende auto geleid wordt.”
„En wat is de consequentie van dat alles?” vroeg Charly, ofschoon hij
het zeer goed wist.
„De consequentie ligt voor de hand, wij zullen op onzen post zijn, en
zoodra Stanley een puntje van zijn neus vertoont, zullen wij hem
onschadelijk maken.”
„Als je de politie eens in kennis snelde van je plannen.”
„Dat zou ik pas in het alleruiterste geval doen. Ik meng haar liefst
zoo weinig mogelijk in mijn zaken, mijn waarde.”
„En ben je zeker dat er geen ontijdige tegenspraak van het bericht kan
worden gepubliceerd?”
„Dat is onmogelijk. Natuurlijk heeft waarschijnlijk toch reeds de
politie aan de „Evening Press” zoowel als aan andere bladen
medegedeeld, dat haar van het geheele geval niets bekend is, maar dat
kunnen die bladen dan toch pas morgenochtend, omstreeks half acht,
publiceeren, en de overbrenging van de politiepost naar de gevangenis
heeft natuurlijk veel vroeger plaats.”
„Wij zullen dus vannacht kunnen rekenen op een paar drukke uuren?”
„Ik vrees zelfs, beste Charly, dat er van slapen weinig zal komen, maar
bedenk dat het voor een goed doel is.”
„O, wat dat betreft, ik zou er voor over hebben om een week lang niet
te slapen, Raffles, als ik daardoor kon bewerken, dat die schurk van
een Stanley je onmogelijk meer kon benadeelen.”
„Dan hebben wij verder niets anders te doen dan onzen braven reus
Henderson op de hoogte te gaan stellen van onze plannen, en het vallen
van den avond af te wachten, maar niet dan nadat wij ons eens goed
bekend hebben gemaakt met de plaatselijke gesteldheid van het
politiebureau in kwestie, dat zich in een tamelijk breede straat
bevindt. Meer weet ik er echter niet van, en een goed strateeg begint
de vijandelijkheden nimmer voor hij het gevechtsterrein tot in de
minste bijzonderheden kent.”
De twee mannen lieten geen tijd verloren gaan.
Zij begaven zich naar de garage van het hotel, waar wel plaats was voor
een honderdtal groote auto’s en vonden daar, zooals zij wel
verwachtten, James Henderson, den chauffeur van Raffles, die, nu hij de
auto van zijn meester niet kon verzorgen, hier wat rondslenterde, en
wat praatte met zijn collega’s, die bezig waren met het schoonmaken van
een dozijn toerwagens.
Raffles wenkte hem naar buiten te komen en nu deelde hij hem in enkele
woorden mede wat er dien avond stond te geschieden.
Henderson had zwijgend toegeluisterd en zeide toen Raffles zijn
mededeeling geëindigd had:
„Ik hoop maar een ding, Mylord, en dat is, dat wij dien bandiet levend
vangen.”
„En waarom dat, James?” vroeg Raffles glimlachend.
„Omdat wij dan aan den beul te Londen zouden onthouden, wat hem van
rechtswege toekomt, Mylord,” antwoordde Henderson rustig.
„Nu, als het van ons afhangt, zul je je zin hebben, Henderson,” hernam
Raffles glimlachend. „En nu zullen wij eens, mijnheer Brand en ik, maar
afzonderlijk, de omgeving van het politiebureau gaan opnemen. Wij
treffen elkander weder hier in het hotel, waar wij zullen dineeren.”
De beide mannen knikten Henderson vriendelijk toe, die dadelijk weder
in de garage verdween, en begaven zich op weg.
Zij hadden reeds eenigen tijd zwijgend naast elkander voortgeloopen,
toen Charly eensklaps zei:
„Daar valt mij iets in, Raffles. Acht je het onmogelijk, dat Stanley
het bericht in de „Evening Press” wantrouwt, en telefonisch nadere
inlichtingen inwint aan het bureau van politie, waarbij hij zich
desnoods kan uitgeven voor een detective, of iets dergelijks?”
Het gelaat van Raffles had een ernstige uitdrukking gekregen, toen hij
antwoordde:
„Met een man als Stanley zullen wij inderdaad met die mogelijkheid
rekening moeten houden, Charly. Natuurlijk zou het onze plannen geheel
en al in duigen doen vallen, wanneer men aan het bureau van politie
antwoordde, dat er van de arrestatie van Eleonore Manoury geen woord
waar was. Stanley zou dan onmiddellijk begrijpen, uit welken hoek de
wind waait, en hij zou er zich wel voor wachten, in den val te loopen,
die voor hem is uitgezet.”
Hij dacht er een oogenblik na, en vervolgde toen:
„Je hebt gelijk, daarop mag ik het niet aan laten komen. Er is evenwel
een middel, om ook dit bezwaar te ondervangen, wij moeten dan de
politie in den arm nemen, en haar op de hoogte brengen van onze
plannen, het spijt mij, maar het gaat niet anders. Je hebt mijn
ongerustheid gaande gemaakt, en ik zie geen ander middel om die te
verdrijven, dan wat ik zooeven noemde.”
„Het zou dunkt mij voorloopig voldoende zijn, indien je je in
verbinding stelde met het bureau van politie, waar je beschermelinge
gevangen heet te zitten.”
„Goed zoo. Wij zullen er onmiddellijk werk van maken.”
En met deze woorden trad Raffles een van die drug stores binnen, die in
New-York even talrijk zijn, als het vroeger de bar’s waren, voor de
invoering van de nieuwe drankwet, en waar men niet alleen medicijnen
kan krijgen, alles wat men in een gewone apotheek vindt, maar ook
schoensmeer, chocolade, veters, plaatsen voor een schouwburg, en nog
heel wat meer zaken, die men daar niet zou meenen te vinden, en die
alle voorzien zijn van een telefooncel, waarvan men voor een gering
bedrag gebruik kan maken.
Het eerste wat Raffles vroeg, was, of er reeds iemand had geïnformeerd
naar de waarheid van het bericht in de „Evening Press”, en hij haalde
verlicht adem, toen hij een ontkennend antwoord ontving.
Hij kwam dus niet te laat.
En nu deelde hij, voor zoover hij dit noodig achtte, aan den
commissaris van politie, die met hem sprak, het doel van het bericht
mede, en tevens zijn verwachting, dat Stanley, die zich in New-York
bevindt, tot iederen prijs zou trachten de vrouw in zijn macht te
krijgen, die vroeger zijn minnares was geweest, en hem aan de galg kon
brengen, teneinde haar voor altijd te beletten tegen hem te getuigen.
En Raffles noemde ronduit zijn naam, hetgeen aan den anderen kant van
de lijn een kreet van verbazing verwekte.
Maar de commissaris bleek een verstandig man te zijn, hij doorzag
aanstonds het geheele plan van den Grooten Onbekende, en hij ging zelfs
zoover, dat hij hem de toezegging deed, zijn waakzaamheid te
verdubbelen, en een aantal agenten in hinderlaag te leggen in de buurt
van het politiebureau, indien Stanley, wiens signalement hij onder zijn
berusting had, met zijn mannen mocht pogen, dien nacht het
politiebureau te overvallen.
Er zou bovendien in het geheim een hulpafdeeling van vijf en twintig
man naar het politiebureau worden gestuurd, om op alle gebeurlijkheden
voorbereid te zijn.
Maar dit was Raffles nog niet voldoende.
Misschien wilde Stanley wachten tot Eleonore Manoury door de agenten
naar buiten werd gebracht, om per auto naar de gevangenis te worden
vervoerd, en hij zou zeker niet uit zijn schuilplaats te voorschijn
komen, alvorens zijn slachtoffer verscheen.
Er moest dus wel degelijk een voorstelling van het wegbrengen der
gevangene worden gegeven, en Raffles wist den commissaris over te halen
een jong, baardeloos agent in vrouwenkleeren te steken, en deze de rol
van Eleonore Manoury te doen spelen.
Toen pas hing hij het toestel weder aan den haak, gerustgesteld, en met
de verzekering van den commissaris nog in de ooren, dat men voorloopig
aan iedereen die er naar vroeg, de verzekering zou geven, dat Eleonore
zich inderdaad als gevangene in het bureau van politie bevond.
Hij voegde zich weder bij Charly, die voor de groote toonbank op een
rietje zoog, gedompeld in een groote glas orangeade, en de jonge man
zag aanstonds aan het gelaat van Raffles, dat hij geslaagd was, en dat
thans alles naar wensch ging.
„Mij dunkt, dat wij nu vrijwel overbodig zijn geworden, bij de
afwikkeling van het treurspel,” zeide Charly, zoodra de beide vrienden
weder op straat kwamen.
„Minder dan ooit,” antwoordde Raffles. „Ik ben wel degelijk voornemens
ter plaatse aanwezig te zijn, teneinde mij met eigen oogen te
overtuigen, dat alles goed gaat.”
„Maar veronderstel dat Stanley ondanks alles wegblijft?”
„Wel, dan zullen wij eenvoudig naar andere middelen moeten uitzien, om
hem te noodzaken, zijn schuilplaats te verlaten, en zich aan ons te
vertoonen. Ik ben nu eenmaal hier en ik blijf hier, totdat ik mijn doel
bereikt heb.”
De beide vrienden riepen nu een auto aan, die hen tot aan het begin van
de een en twintigste straat bracht, waar zij den chauffeur afdankten,
en te voet verder gingen, langzaam slenterend, als touristen, die allen
tijd hebben, en zich volstrekt niet behoeven te haasten.
Zoo bereikten zij het politiebureau, een tamelijk groot gebouw,
ingesloten tusschen de andere huizen, en dat er zich alleen van
onderscheidde door de groote toegangsdeur, het roode nummer daarboven
geschilderd, en de agenten, die wat aan de deur stonden te luieren, of
op de kleine bank terzijde daarvan zich in den aanblik van het
straatverkeer verlustigden.
De een en twintigste straat is omstreeks twee en twintig meter breed,
en zoo recht als een liniaal over haar geheele lengte.
Zij heeft een groot aantal zijstraten, die haar rechthoekig snijden,
ongeveer een twintigtal van Broadway tot aan Birds Walk.
De straat had zeer veel winkelhuizen, en voor het overige voor het
meerendeel woonhuizen van den kleinen burgerman en van gegoede
arbeiders.
Raffles had dit alles met een oogopslag opgenomen, terwijl de beide
vrienden langzaam langs het politiebureau drentelden.
Toen zij er een meter of vijftig voorbij waren, begon Raffles:
„Men zou, wanneer men zich verdekt opstelde, achter een venster van een
der huizen tegenover het politiebureau, en wanneer men een tamelijk
goed schutter was, niet veel moeite hebben om iemand neer te leggen,
die van de deur van het politiebureau naar een wachtende auto wordt
vervoerd.”
„Dat zou voor den agent, die de rol van de vrouw moet spelen,
noodlottige gevolgen kunnen hebben!” riep Charly verschrikt uit.
„Ik zal dan ook den commissaris telefonisch meedeelen, dat hij een
oogje in het zeil moet houden, en de huizen aan den overkant zorgvuldig
laat bewaken, maar natuurlijk zonder dat het in het oog valt, want
Stanley is een zeer achterdochtig man, die bij het minste teeken van
onraad weer in zijn hol zou kruipen. En laten wij nu maar eens terug
gaan. Daarginds is een tramhalte, waar wij geruimen tijd kunnen
stilstaan, zonder dat het opvalt.”
De twee mannen liepen tot aan de aangeduide halte, die zich schuin
tegenover het politiebureau bevond, en stonden daar stil, terwijl zij
hun blikken op het gebouw gevestigd hielden.
Er liepen een paar agenten in en uit, en de beide vrienden stonden er
nog nauwelijks een paar minuten, of zij zagen dat er een kerel werd
binnengebracht, die nauwelijks op zijn beenen kon staan, en zich, het
drankverbod ten spijt, op een raadselachtige wijze had weten te
bedrinken, zeer waarschijnlijk aan gewone brandspiritus.
„Een spion,” zeide Raffles droogjes, toen de man verdwenen was. „Een
spion van Stanley, wees daar maar zeker van. Die kerel moet zeker
trachten uit te vinden, waar Eleonore ergens opgesloten zit. Wacht een
oogenblikje, ik ga telefoneeren.”
En Raffles verdween opnieuw in een apotheek, om tien minuten later met
een vergenoegd gelaat terug te keeren.
„Ik geloof, dat ik goed gedaan heb, dien commissaris nog eens lastig te
vallen,” zeide hij zachtjes. „Men houdt een dronkaard nooit zoo lang
vast, en men zou dien schavuit zeker weer voor middernacht op vrije
voeten hebben gesteld, met volle vrijheid om aan Stanley te gaan
vertellen, wat hij ontdekt had.”
„En wat geschiedt er nu?”
„Wel, men zal den man ook laten gaan. Maar er is reeds voor een valsche
Eleonore gezorgd, een piepjong agentje, die veel vermaak in de zaak
heeft, en die zijn rol zeker voortreffelijk zal spelen. De overigen
hebben instructie gekregen, om den gewaanden dronkaard op een
dwaalspoor te brengen, en als de man weggaat, zal hij heel nauwkeurig
op de hoogte zijn van de cel, waar de beklagenswaardige vrouw
opgesloten heet te zijn. Het is een heel voordeelige cel, tenminste
voor onze partij. Zij is gelegen aan de achterzijde van het
politiebureau, en ziet uit op een ruime binnenplaats aan alle kanten
omgeven door hooge muren, die echter voor een paar goede klimmers geen
gevaar zullen opleveren. Waarschijnlijk zullen de schurken het doen
voorkomen, alsof zij Eleonore komen redden, zij zullen het getraliede
venster van buiten af gemakkelijk kunnen bewerken, en eenmaal buiten is
de vrouw natuurlijk verloren en desnoods schieten zij haar door het
venster neer.”
„Je praat er nog al licht over, Raffles,” riep Charly verschrikt. „En
de agent die binnen is? Wat moet daarmee?”
„Hij zal op het laatste oogenblik vervangen worden door.... een pop,
mijn waarde, en niet het minste gevaar loopen. Hij moet echter zijn rol
spelen, omdat de gevangenen eenmaal per dag op de binnenplaats gelucht
worden onder toezicht van gewapende agenten, en er zullen wel
handlangers van Stanley in de buurt zijn, die dit zien, om niet te
spreken van den zoogenaamden dronkaard.”
„En als die kerel haar tijdens het luchten overvalt en neersteekt?”
„Men heeft hem al gefouilleerd, hij had slechts een ploertendooder bij
zich, en die is hem natuurlijk afgenomen, en ik weet ook niet of
Stanley hier in New-York wel mannen zou vinden, bereid, om voor hem
naar den electrischen stoel te wandelen.”
„En wij, wat doen wij?”
„Wel, wij treden voorloopig als toeschouwers op, bereid om in te
grijpen, zoodra dit wenschelijk mocht blijken, en de politie ondanks
alles aan het kortste eind blijkt te zijn. En ga nu maar mede, Charly,
want het uur voor het middagmaal breekt aan, en ik geloof niet, dat wij
hier verder nog iets te doen hebben. Maar ga eens mede naar de
achterzijde van het gebouw, misschien valt daar wel iets te ontdekken.”
De twee mannen gingen een dwarsstraat in, en liepen deze langzaam door,
waarbij zij ook den hoogen muur van de binnenplaats passeerden, die
achter het bureau gelegen was.
Maar zij zagen niets anders wat hun belangstelling trof, dan eenige
verdachte kerels, die in deze stille straat rondslenterden.
Zij keerden weder naar de een en twintigste straat terug, namen daar
een auto, en lieten zich naar het Astor-Hotel terugbrengen, waar zij in
de groote eetzaal, na zich te hebben verkleed, dineerden.
Het was er zeer druk, en Raffles amuseerde zich met het bestudeeren van
de talrijke types, die men hier aantrof, en dacht naar allen schijn
geen oogenblik aan het gevaarvolle avontuur, dat hem te wachten stond.
Charly echter gevoelde zich onrustig, want hij wist maar al te goed,
met welk een tegenstander men te doen had, en Stanley zou zeker, als
hij zich verraden zag, een vreeselijken wraak zweren aan zijn vijand,
wiens hand hij spoedig genoeg in dit complot moest herkennen.
Raffles echter was in een voortreffelijke stemming, en zelden had
Charly hem zoo geestig hooren vertellen over zaken, die met het complot
van dien avond volstrekt niets te maken hadden.
Het liep reeds tegen half tien, toen Raffles opstond, en op zachten
toon tot Charly zeide:
„Kom mee, het wordt tijd. Wij zullen ons een weinig moeten vermommen
naar ik vrees, teneinde zoo weinig mogelijk opzien te baren in de
buurt. Het oogenblik om te handelen is aangebroken, mijn waarde, want
als niet alle voorteekenen ons bedriegen, dan knabbelt de muis op dit
oogenblik aan het spek.”
HOOFDSTUK VI.
HET EINDE VAN EEN MISDADIGER.
Het was bijna elf uur in den avond, toen Raffles, Charly en Henderson,
onkenbaar vermomd als passagierende zeelieden de een en twintigste
straat bereikten, en deze langzaam inslenterden.
De straat was helder verlicht, vele lichtreclames brandden nog, en de
voorgevels van de bioscopen en een paar kleine schouwburgen, waar
revues gegeven werden, schitterden van licht.
Het was nog tamelijk druk in deze straat, maar toch zou het niet lang
duren, of de schouwburgen en bioscopen werden gesloten, de
lichtreclames zouden worden uitgedaan en dan zou het hier tamelijk
duister zijn.
Niets aan het bureau van politie verried, zooals Raffles tot zijn
genoegen zag, dat men daar op zijn hoede was en dat de val behoorlijk
was opgesteld.
Boven de deur, die evenals des daags openstond, brandde nu een groote,
roode lantaarn.
Voor de deur stonden een paar agenten te praten, en Raffles kon niet
nalaten op te merken:
„Zie eens, wat een idyllisch tafreeltje! Men zou het willen
uitschilderen. De twee agenten zien er uit, alsof zij geen vlieg zouden
kunnen kwaad doen, maar ik bemerk tot mijn vreugde, dat zij beiden de
revolvertasch dragen.”
De beide mannen posteerden zich een weinig verder, terwijl Henderson de
opdracht kreeg de achterzijde van het politiebureau eens te gaan
verkennen.
Raffles en Charly stonden daar nog geen tien minuten of in de deur van
het gebouw verscheen een man, dien zij aanstonds herkenden, het was de
dronkaard van dien middag.
Een stoere agent van politie deed hem uitgeleide en maakte het gebaar,
alsof hij den dronkenlap een schop wilde toedienen op die plek van het
lichaam, welke daarvoor het best geschikt is, waarop de man haastig, de
vuist tegen den agent schuddend, beenen maakte, en spoedig te midden
der voorbijgangers, die thans de verschillende openbare
vermakelijkheden begonnen te verlaten, verdween.
„Nu gaat hij rapport uitbrengen,” zeide Raffles zachtjes. „Wij hebben
dus zeker nog wel eenige uren den tijd.”
Een oogenblik zwegen de beide mannen en toen begon Charly:
„Weet je wat wij missen, Raffles?”
„Een goede sigaret, mijn waarde. Ik heb vergeten er bij mij te steken.”
„Neem dan mijn koker, maar dat bedoelde ik niet. Ik meen, dat wij de
beschikking moesten hebben over een snelle auto, want ik acht het zeer
waarschijnlijk, dat Stanley daar ook wel van voorzien zal zijn, en wat
moeten wij doen als, de man er in slaagt te ontsnappen.”
„Je bent vandaag sterk in het maken van opmerkingen, die hout snijden,
Charly,” zeide Raffles goedkeurend. „Wij moeten daar inderdaad rekening
mee houden. Natuurlijk beschikt de politie over een auto, maar ik ken
die voertuigen. Voor men er een bij de hand heeft, is de misdadiger
meestal reeds lang verdwenen, lees er de berichten in de New-Yorksche
bladen maar eens op na. De zaak is, waar halen wij op dit uur van den
avond hier in de buurt nog een snelle auto vandaan en waar moeten wij
het ding laten.”
„Wat dat betreft, kan ik je helpen; vanmiddag heb ik in een van de
zijstraten hier vlak bij een garage ontdekt, en op een van de groote
vensterruiten stond geschilderd: „Dag en Nacht geopend.”
„Er naar toe,” zeide Raffles. „Er zal hier wel ergens in de buurt een
plek zijn, om het ding te stallen.”
„Geen tien passen hier vandaan is een stal van de brandweer, Raffles.”
„Maar mijn hemel, Charly. Je hebt vandaag eenvoudig geniale
ingevingen,” zeide Raffles lachend. „Het kon niet mooier. Wij zullen
ons eenvoudig voordoen als detectives, en men zal ons zeker wel
toestaan, onzen wagen daar tijdelijk te verbergen. De groote deuren
zullen des avonds wel open worden gezet, en op het eerste teeken kunnen
wij uittrekken. Kom snel mede. Henderson zal wel blijven wachten,
totdat wij terug zijn gekeerd.”
Charly, die een kleur van genoegen had gekregen bij Raffles’ lofspraak,
bracht hem snel naar de zijstraat, en zoodra zij den hoek hadden
omgeslagen, zag Raffles het groote verlichte reclamebord van de garage.
Zij liepen er haastig op toe, maar eensklaps rukte Raffles Charly bij
den arm op zijde, en trok hem in de schaduw van de huizen.
„Wat is er?” vroeg de jonge man verschrikt.
„Kijk daar maar eens, daar komt onze dronkaard aan, en hij tuimelt
regelrecht op de garage af. Hij is zeker omgeloopen om te telefoneeren,
en ik denk, dat zij daar hun wagen gestald hebben.”
„Je hebt gelijk, hij is het,” fluisterde Charly.
De beide vrienden bevonden zich op dit oogenblik geen twintig stappen
van de groote deur van de garage waaruit een breede lichtbundel naar
buiten stroomde.
En zoo duidelijk alsof het dag was, zagen zij den gewaanden dronkaard,
een grooten roodharigen kerel, de garage binnen stappen, en op een der
chauffeurs toeloopen, met wien hij begon te spreken.
Hij liet een papiertje zien, dat er uit zag als een reçu, en de
chauffeur liep langs de rijen wagens van verschillende soort, tot hij
stilstond voor een grooten, groengelakten wagen.
Met drie zijner makkers duwde hij den wagen uit de rij, en bracht hem
naar het breede middenpad, dat met groote vierkante stoepsteenen
geplaveid was.
Hij draaide den motor aan, en de roodharige man ging achter het
stuurwiel zitten.
Langzaam reed het voertuig de garage uit, en aan de beweging van het
stuurwiel zag Raffles, dat de wagen hun kant zou uitkomen.
„Wacht een oogenblik op mij,” fluisterde hij Charly toe.
De wagen had nog niet veel vaart toen zij de garage uitreed, en uit de
duisternis sprong Raffles vlug als een hert te voorschijn en liep even
met de auto mede.
Charly zag hem met de rechterhand een vlugge beweging maken, de auto
loslaten, haar even nakijken, en daarop weer terugkeeren.
„Wat heb je gedaan?” vroeg Charly nieuwsgierig toen Raffles zich weder
bij hem gevoegd had.
„Een klein gaatje in den benzinehouder geprikt,” antwoordde Raffles
laconiek. „Het kan altijd te pas komen. Het is niet grooter dan een
speldeknop, maar over eenige uren zal er toch niet meer in den
benzinehouder over zijn, dan voldoende is om den wagen nog tien of
twintig kilometer te laten loopen.”
„Uitstekend, mits de schurken het maar niet opmerken.”
„Als zij het doen, ben ik een zet ten achter bij ons spel, en dat is
alles,” zeide Raffles schouderophalend. „Maar laten wij nu op onze
beurt gaan zorgen voor een snellen wagen.”
De twee vrienden traden de garage binnen, en vroegen den eigenaar te
spreken, een zwaarlijvig man in hemdsmouwen, met een geweldig groote,
zwarte sigaar in den hoek van zijn mond, die daar wel vastgeschroefd
scheen te zijn.
Raffles nam de man een weinig terzijde en zeide:
„Mijnheer, wij zijn detectives in particulieren dienst, en wij hebben
voor dezen nacht een zeer snellen wagen noodig, de snelste in uw
garage. Wij hebben die noodig om een paar dieven te vangen.”
„Het kan mij niets schelen, wie gij zijt, en ook niet wat gij met den
wagen doet, al zoudt gij er regelrecht mee in de Hudson willen rijden,
als gij er maar voor betaalt, de huur en de garantiesom vooruit,” zeide
de eigenaar laconiek.
„Dat is zaken doen,” zeide Raffles glimlachend. „Noem uw prijs, en ik
betaal hem.”
„Dertig dollar voor huur, duizend dollar garantie,” hernam de
garagehouder even kalm.
„Ik betaal het, als de wagen inderdaad goed is.”
„Kom maar mede, dan kunt gij hem zien.”
En de man bracht Raffles en Charly naar een afgelegen plekje van de
reusachtige garage, waar een wagen stond vrij laag op de wielen, met
een geweldig groote motorkap, een zeer schuin geplaatste stuurstang en
een benzinehouder, groot genoeg om de auto zonder ophouden van New-York
naar Chicago te brengen.
Raffles had dit alles met een oogopslag gezien.
Hij maakte de kap van den motor los, en de aanschouwing van de acht
cylinders daarbinnen deed hem tevreden glimlachen, en de kap weder
sluiten, nadat hij zich had overtuigd, dat de motor nog bijna nieuw
was, en op zijn minst tachtig paardenkrachten zou ontwikkelen.
Hij keek even naar de banden, onderzocht de twee reserve-wielen, die
achter op de auto bevestigd waren, haalde toen zonder een woord te
spreken, zijn portefeuille uit zijn zak, betaalde de huur en de
garantiesom, liet zich een reçu geven op den naam Brown, zag toe dat de
benzinehouder tot den rand werd gevuld, overtuigde zich nog even dat
dit voorwerp niet lekte, en nam achter het stuurwiel plaats, terwijl
Charly naast hem ging zitten.