verbazing.
„Laat mij u dan uit die dwaling helpen, mijn waarde heer, die vrouw
leefde.”
Een oogenblik keek Flinton Raffles achterdochtig aan.
Hij was reeds lang in het journalistenvak, hij was een goed en
schrander reporter, en menigmaal waren zich op zijn redactiebureau
lieden komen aanmelden, die in vollen ernst een breedvoerig verhaal
zeer huiveringwekkend kwamen opdisschen, waarvan bij nader onderzoek
letterlijk ieder woord verzonnen bleek te zijn.
De lieden waren dan niets anders dan een soort betrekkelijk
ongevaarlijke maniakken, die eenvoudig bezeten waren door den duivel
der sensatie, overal misdadigers zagen, en de afschuwelijkste
voorvallen uit hun duim zogen om een uur later vast overtuigd te zijn,
dat zij zich in waarheid zoo hadden toegedragen, als zij zich
verbeeldden.
Alle redactiebureaux ter wereld kennen deze verschijningen, en Raffles
begreep eveneens dadelijk wat er in den jongen journalist omging.
„Denk vooral niet, dat ik gek ben, mijnheer Flinton, of zelfs maar een
van die dwaze praatjesmakers die alle redactiebureaux afloopen met hun
onzinnige verhalen. Wat ik u zeg is de volle waarheid, Eleonore Manoury
was niet dood, toen men haar bevrijdde uit de handen van den
professor.”
„Maar voor den drommel, hoe kunt gij dat weten?” vroeg Flinton in de
hoogste verbazing.
„Ik weet het zoo goed, mijn jonge vriend, omdat ik zelf de man was, die
het gewaande lijk stal.”
Dit was bijna meer dan Jack Flinton kon verdragen, al was hij een
Amerikaansch journalist en al had hij dus in zijn kort leven reeds heel
wat bijgewoond.
Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, en keek Raffles als
verwezen aan.
Maar toen maakte een gevoel van toorn zich van hem meester, dat
duidelijk op zijn gelaat te lezen viel, men kwam hem hier
klaarblijkelijk voor de gek houden, het was waarschijnlijk een laffe
grap van eenige collega’s, die deze beide mannen op hem hadden
afgestuurd.
Hij sloeg met de vuist op tafel, en riep uit, terwijl hij opsprong en
naar zijn hoed greep, dien hij achter zich op de leuning van zijn stoel
had gehangen:
„Als gij soms denkt, dat ik lust en tijd heb om naar uw beuzelpraatjes
te luisteren, dan vergist gij u. Ik heb de eer u te groeten.”
Maar Raffles, zonder zelfs op te staan, zette de vijf uitgespreide
vingers van zijn rechterhand tegen de borst van den jongen man en duwde
hem op deze wijze weder op zijn stoel terug, terwijl hij glimlachend
zeide:
„Niet zoo haastig, mijn jonge vriend, vooral niet zoo haastig. Ik
verzeker u, dat gij u zelf zoudt benadeelen, als gij mij niet tot het
einde liet uitspreken. Ik zei u reeds, dat gij niet met een gek te doen
had, maar evenmin met een bedrieger.... in de gewone beteekenis van het
woord. Met dezen heer, en nog iemand anders, stal ik inderdaad hetgeen
de professor beschouwde als het lijk van Eleonore Manoury.”
Nu veranderden eensklaps de trekken van Flinton, want zijn
journalistieke flair waarschuwde hem, dat hij hier de hand had gelegd
op een bij uitstek interessant geval, waarvan de vermelding hem zeker
een goedkeuring, misschien wel opslag zou brengen.
Raffles zag wat er in de ziel van Flinton omging en hernam rustig:
„Misschien verwacht gij nu wel, dat ik u onbetaalbare stof zal leveren
voor een opzienbarend artikel, door u in bijzonderheden mee te deelen,
hoe ik het plan beraamde, hoe het ten uitvoer werd gebracht en met welk
doel ik het deed.”
„Natuurlijk ben ik daar zeer nieuwsgierig naar, mijnheer.”
„Dan spijt het mij, dat ik aan die nieuwsgierigheid niet zal kunnen
voldoen, want het gaat voor mij om de zaak zelve en niet om een
beschrijving ervan.”
„Maar dan ontrooft gij mij een prachtige gelegenheid om mijn positie te
verbeteren, mijnheer!” riep Flinton, teleurgesteld uit.
„Dat is erg jammer, maar ik beloof u, dat ik op een andere wijze die
positie veel sneller zal weten te verbeteren, dan gij u thans kunt
voorstellen. Mag ik weten hoeveel men u per jaar voor uw arbeid
betaald?”
Flinton keek Raffles een weinig verbluft aan en een oogenblik scheen
hij te aarzelen, in zijn beroepstrots gekwetst, maar zijn fijne neus
scheen toch iets te ruiken, iets wat hem voordeel beloofde, als hij
zonder omwegen te werk ging, en daarom antwoordde hij:
„Men betaalt mij drie honderd dollar in de maand, mijnheer.”
Raffles schudde afkeurend het hoofd, liet zijn blikken eens glijden
over de fijne kleeren van den jongen journalist, vestigde ze toen weder
op den valschen parel, en riep verontwaardigd uit:
„Dat is een hongerloon, mijnheer. Het is mij onbegrijpelijk hoe een
jongmensch, dat blijkbaar het goede van deze aarde niet veracht,
daarvan kan leven.”
Flinton bromde iets voor zich heen, dat voor een bevestiging van
Raffles’ woorden kon worden gehouden, maar wat hij zeide was
onverstaanbaar.
Raffles keek hem nog een oogenblik aan, en hernam toen, zijn nagels
beschouwend:
„Ik zeide dus, dat ik zoo nauwkeurig op de hoogte ben van het lot van
Eleonore Manoury, omdat ik haar zelf heb geroofd.”
Maar eensklaps sprong Flinton op, alsof hij door een schorpioen
gestoken was en zijn lippen beefden van drift, toen hij uitriep:
„Geen woord meer, mijnheer! Waar zijn toch mijn hersens? Ik vergat, dat
die ontvoering eergisteren heeft plaats gehad. En gij zult toch zeker
niet willen beweren, dat gij in twee dagen van Londen naar New-York
zijt gekomen?”
„In een halven dag, mijnheer Flinton,” antwoordde Raffles rustig.
Flinton keek Raffles wel een volle minuut achtereen strak aan, stond
toen zonder een woord te spreken op, nam heel bedaard zijn hoed en
wilde heengaan.
Hij was er nu heel zeker van, dat hij met een waanzinnige of met een
potsenmaker te doen had.
Maar Raffles hield hem aan zijn jas terug en dwong hem op deze wijze
weder te gaan zitten.
„Kijk mij toch eens goed aan, mijn jonge vriend,” zeide hij, „ga met uw
menschenkennis te rade, en erken dan, dat ik er in het geheel niet
uitzie als een krankzinnige, en nog veel minder als iemand, die een
loopje met u nemen wil. Ga weder zitten en gooi de vijf duizend dollar
niet in het water dat is ongeveer anderhalf jaar salaris, welke ik u op
een zeer gemakkelijke wijze wil laten verdienen.”
Op het hooren van dit hooge bedrag was het alsof de beenen onder
Flinton werden weggeslagen, zoo verbazend snel zonk hij weer op zijn
stoel neer, ditmaal blijkbaar vastbesloten om den ander tot het einde
te laten uitspreken.
„Vijf duizend dollar?” hernam hij op schorren toon. „En wat zou ik
daarvoor moeten doen?”
„Eenvoudig een berichtje opnemen over die bewuste vrouw, mijn waarde
heer!”
„Dat bericht zult gij mij geven?”
„Ja!”
„Als gij er zooveel voor over hebt, is er zeker geen woord van waar?”
„Geen lettergreep!”
„Ik ben blij, dat ik althans met een oprecht man te doen heb!” riep
Flinton uit, terwijl hij zijn glas wijn in een teug ledigde en het
opnieuw vulde. „Kom ter zake, als ik u verzoeken mag.”
Raffles wierp Charly Brand een snellen blik toe, als om hem tot getuige
te nemen, dat hij het karakter van dezen jongen man goed beoordeeld
had, en hernam toen glimlachend:
„Een oogenblik, mijnheer Flinton. Ik heb ook mijn eergevoel en ik zou
niet gaarne zien, dat gij aan mijn waarheidsliefde twijfelde. Ik zeide,
dat ik niet in twee dagen, maar in een halven dag, eigenlijk in minder
tijd nog, dat wil zeggen in tien uren van Londen naar New-York kwam,
gelooft gij mij of niet?”
„Het klinkt buitengewoon, het klinkt haast ongeloofelijk,” stotterde
Flinton, „maar.... tegenwoordig, nietwaar....?”
„Ik zie al wat het is, jonge vriend,” zeide Raffles kalm, „van het
oogenblik af, dat ik u vijf duizend dollar wil laten verdienen, laat al
het overige u volkomen onverschillig, en als ik u zeide, dat ik
verleden week van de maan vertrokken was, zoudt gij goedig ja knikken
en bij u zelf denken: laat de onschadelijke gek maar praten, als zijn
dollars maar echt zijn.”
Flinton trok op het hooren van deze woorden een zoo verlegen gezicht,
dat Charly moeite had een lachbui te smoren en bromde alweer iets in
zichzelf, dat voor niemand verstaanbaar was.
Raffles echter vervolgde onverstoorbaar:
„Eigenlijk gezegd, doet het er ook niet toe, of gij mij gelooft. De
hoofdzaak is, dat gij mij de belofte geeft, het berichtje te plaatsen,
hetwelk ik kant en klaar bij mij heb.”
„Laat eens zien,” zeide Flinton kortaf.
Raffles haalde zijn portefeuille te voorschijn, nam er een stukje
papier uit, dat hij openvouwde en stak het Flinton toe, met de woorden:
„Zooals gij ziet, is het met de schrijfmachine geschreven en op juist
hetzelfde papier als de politie hier gebruikt, om er het politierapport
op te tikken, hetwelk iederen dag in vele exemplaren aan de
verschillende dagbladredacties wordt toegezonden en waaruit deze plegen
over te nemen, wat hun belangrijk genoeg toeschijnt.”
Flinton had het vel papier aangenomen en overtuigde zich, dat de
zonderling, die tegenover hem zat, de waarheid had gesproken.
„Hoe komt gij aan dit papier?” riep hij verbaasd uit. „Het is juist het
formaat, dat de politie gebruikt, en in den hoek staat ook het hoofd
(DIENST VAN DE POLITIE) gedrukt.”
„Mijnheer Flinton, ik ben overtuigd, dat gij uw beroepsgeheimen hebt,
sta mij toe, dat ik er ook de mijne opnahoud en die liever voor mijzelf
houd.”
„Maar dat is waar ook, ik weet immers steeds nog niet wie gij zijt,”
kwam Flinton.
„Ik moet u herhalen, mijnheer Flinton, dat mijn naam er voorloopig
niets toe doet, misschien zult gij dien morgen zelf wel raden of op een
andere wijze te weten komen. Ik ben trouwens overtuigd, dat gij
scherpzinnig genoeg zult zijn om de ware toedracht der zaak spoedig uit
te vinden. En lees nu, wat ik u verzoeken mag!”
De jonge man begon te lezen en zijn wenkbrauwen gingen, hoe verder hij
kwam, des te meer de hoogte in, tot zij onder zijn glimmend haar bijna
waren verdwenen.
Toen hij gereed was, liet hij de hand op de tafel rusten, waarin hij
het papier vasthield en zeide, zich tot Raffles wendend:
„Weet gij wel, mijnheer, dat dit bericht louter fantasie is?”
„Dat zeide ik reeds, mijn jonge vriend,” antwoordde Raffles bedaard.
„Het is van a tot z gelogen!”
„Maar het zal aanstonds uitkomen, dat het gelogen is, mijnheer, en men
zal het tegenspreken!” riep de journalist verwonderd uit.
„Men zal het in ieder geval niet tegen kunnen spreken voor
morgenochtend op zijn allervroegst, en dat is voor mijn doel
voldoende,” hernam Raffles koeltjes.
„Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat deze falsificatie mij mijn
betrekking kan kosten, mijnheer?”
„Daarvoor betaal ik u dan ook vijf duizend dollar!” kwam Raffles. „Ik
ben er zeker van, dat een jongmensch als gij gemakkelijk elders weer
een plaats krijgt. Bovendien als gij het wat handig aanlegt, behoeft
immers niemand het te weten, dat juist gij het bericht hebt geplaatst.
Gij zoudt het handig tusschen de copieën kunnen inschuiven, waarmede de
copiejongens van de redactieafdeelingen naar de zetterij gaan, en daar
er aan uw blad redacteurs, reporters, zetters, correctors, opmakers,
drukkerspersoneel en stypeurs, alles wel inbegrepen minstens twee
honderd man verbonden zijn, zal het wel zeer moeilijk zijn den waren
dader aan te wijzen.”
Flinton dacht even na en zeide toen opgewonden:
„Gij zijt zeker eenigszins thuis in ons vak, zoo zou het waarlijk
kunnen gaan.”
„Verder herinner ik u er aan, mijnheer Flinton,” ging Raffles voort,
„dat gij in deze zaak zelfs de schoone rol zoudt kunnen spelen, als
mijn doel u duidelijk is geworden, want ik ben vast overtuigd, dat gij
minstens twee kolommen kunt volschrijven over het onderhoud, dat wij
thans voeren, waarvan dan natuurlijk, naar Amerikaansch gebruik,
ongeveer een achtste kolom waarheid zal zijn en de rest puur verzinsel.
Dat zal ik u echter volstrekt niet kwalijk nemen, vooral niet van het
oogenblik af, dat gij mijn waren naam zult kennen.... of raden, en dat
kan reeds morgen het geval zijn. Zonder mij te buiten te gaan aan
zelfoverschatting, mijn jonge vriend, durf ik u gerust verzekeren, dat
gij thans een gesprek hebt gevoerd met.... een persoon van vrij groot
belang in zijn land.”
Flinton keek een oogenblik in de groote, staalgrijze oogen, naar het
hooge, schrandere voorhoofd, naar den mond met zijn vaste lijnen en
naar het klassiek gevormde hoofd met zijn edele trekken, naar de
krachtige schouders, de gewelfde borst en de gespierde vingers van den
man, die tegenover hem zat.
Nog kon hij zich in de verste verte niet voorstellen, wie deze
zonderlinge man mocht zijn, en toch begreep hij instinctief, dat hij
een zeer goeden dag had gehad en dat hij misschien binnenkort een serie
opzienbarende artikelen uit deze ontmoeting zou kunnen slaan, tenminste
wanneer de vreemdeling zweeg over het aanbod van de vijf duizend
dollar.
Vastberaden vouwde hij het papier op, stak het in zijn portefeuille,
raadpleegde zijn horloge en stak toen zijn rechterhand geopend vooruit,
zonder een woord te spreken, maar met een gebaar, dat aan duidelijkheid
niets te wenschen overliet en dat in alle landen ter wereld
onmiddellijk begrepen wordt.
De portefeuille van Raffles kwam opnieuw te voorschijn en hij nam er
tien billetten van vijf honderd dollar uit, welke hij den jongen man
ter hand stelde met de woorden:
„Hier hebt gij het geld, ik ben overtuigd dat gij mij niet bedriegen
zult en het bericht zult plaatsen. Mocht dat niet het geval zijn,
mijnheer Flinton,.... wel gij zoudt uw vijf duizend dollar spoedig weer
kwijt zijn en waarschijnlijk nog heel wat meer op den koop toe, neem
dat gerust van mij aan!”
„Gij kunt op mij rekenen, mijnheer,” zeide Flinton, die was opgestaan
en zijn hoed had gegrepen. „Zie ik u nog terug?”
„Dat is al heel onwaarschijnlijk, mijn jonge vriend,” antwoordde
Raffles, en er lag een spottende klank in zijn stem. „Tenminste niet
zoo als ik mij thans aan u vertoon.”
„Ik kan natuurlijk op uw stilzwijgendheid rekenen?”
„Ik ben een gentleman, mijnheer Flinton,” was alles wat Raffles
antwoordde.
„Ik dank u, het bericht zal in ons avondblad geplaatst worden.”
„Daar reken ik op.”
Flinton boog voor Raffles, vervolgens voor Charly, die al dien tijd
geen woord had gesproken, en het volgende oogenblik had hij het kleine
vertrekje verlaten.
Dien avond bevatte de „Evening Press” met een paar vet gedrukte
„hoofdjes” er boven, en op een goed zichtbare plaats, Flinton had
waarschijnlijk erg zijn best willen doen, het volgende bericht:
„De politie in onze stad is door een gelukkig toeval op het spoor
gekomen van een door de Engelsche Justitie gezochte misdadigster,
onder omstandigheden, die aan een sensatieroman doen denken.
Vroeg in den morgen van heden, toen het nog duister was, vernamen
eenige patrouilleerende agenten te Hoboken het snorren van een
vliegmachineschroef boven hun hoofd.
Zij wijdden er in het begin geen aandacht aan, maar spoedig werd
hun aandacht getrokken door het onregelmatig kletterend geluid, dat
er op scheen te wijzen, dat er iets met den motor niet in orde was.
En spoedig genoeg zou het blijken, dat de wakkere ordebewaarders
goed gehoord hadden.
In de lucht vertoonde zich een vliegmachine, die zich daar
blijkbaar slechts met moeite handhaafde, en snel de oppervlakte van
de aarde naderde.
In het steeds toenemende daglicht konden zij zien, dat de schroef
nu in het geheel niet meer draaide, en de bestuurder deed blijkbaar
wanhopige pogingen, om de vliegmachine des ondanks veilig te doen
landen, door haar in een grooten spiraal te laten dalen.
Dit ging ook goed, totdat de machine zich ongeveer vijftig meter
boven den grond bevond, toen echter schoot zij schuins naar den
bodem, en met luid geraas van brekend metaal en houtwerk, kwam zij
terecht op een stuk bouwland.
Zoo haastig hun beenen hen wilden dragen, ijlden de vier
politiemannen naar de plek waar de machine was neergekomen, en toen
zij die bereikten, zagen zij tot hun verwondering, hoe een man,
blijkbaar zooeven uit de half vernielde machine gestapt, zich in
allerijl verwijderde.
Zij wijdden echter geen aandacht meer aan den luchtreiziger,
meenende, dat de schrik hem zoodanig had aangegrepen, dat hij niet
meer wist, wat hij deed, en in de vlucht zijn heil had willen
zoeken.
En pas later zou blijken, dat zij daar niet goed aan gedaan
hadden....
Naast het onbruikbaar geworden vliegtuig van eigenaardigen vorm
vonden zij een nog jonge, bevallige vrouw, met de rechterhand
omzwachteld en die blijkbaar bewusteloos was, waarschijnlijk half
verdoofd door den val, daar haar lichaam geen wonden vertoonde.
Een eind verder lag een nog jonge man op den rug uitgestrekt,
eveneens bewusteloos, maar die tamelijk spoedig weder tot zich zelf
kwam, en toen een tamelijk verward verhaal deed over de zoo
noodlottig geëindigde vlucht.
Daar de vrouw niet uit haar bewusteloosheid ontwaakte, werd er een
brancard gehaald, en zij werd naar het ziekenhuis vervoerd,
ofschoon de jonge man zich daar tegen verzette.
Hijzelf was in staat, zich zonder hulp naar een hotel te begeven,
en verklaarde, dat hij zoo spoedig mogelijk naar zijn reisgezellin
zou komen omzien.
Maar wie schetst de verbazing van den brigadier, die aan het hoofd
van de patrouille stond, toen hij in de helder verlichte kamer van
den ziekenhuisdirecteur de vrouw herkende, die hij zooeven had
afgeleverd, het was Eleonore Manoury, een langgezochte Engelsche
misdadigster, wier signalement reeds eenige weken te voren naar
alle hoofdsteden der wereld was gezonden, benevens een
radiografisch overgebracht portret.
Maar deze verbazing werd tot ontsteltenis, ja tot ongeloof, toen
men zich herinnerde, dat Eleonore Manoury nog pas den dag te voren
geroofd was uit de snijkamer van de Universiteit te Londen.
Was het dan mogelijk, dat de ontvoerders van de jonge vrouw haar in
dien korten tijd, in nog geen halven dag, van Londen naar New-York
hadden kunnen overbrengen?
Het leek volkomen onaannemelijk, en men moest dus wel aan een
frappante gelijkenis denken.
Maar nog in den loop van den morgen bleek twijfelen niet meer
mogelijk te zijn.
Na de wisseling van een aantal telegrammen met de
politieautoriteiten te Londen kwam het onomstootelijk vast te
staan, dat de vrouw, die men bij de vernielde vliegmachine had
gevonden, inderdaad niemand anders kon zijn dan Eleonore Manoury.
Het is dus nu wel zeker, dat er een vliegmachine bestaan heeft, zoo
verwonderlijk snel, dat zij den overtocht over den Oceaan binnen
tien uur kan volbrengen.
Helaas is de motor volkomen vernield, en daar de uitvinder de
vlucht heeft genomen, zal het moeielijk vallen, dienaangaande iets
zekers te ontdekken.
Het spreekt vanzelf, dat Eleonore Manoury, zoodra zij uit haar
bewusteloosheid ontwaakte, naar het politiebureau werd
overgebracht, in de Een en twintigste Straat gelegen, vanwaar zij
reeds morgenochtend naar de gevangenis zal worden gevoerd in
afwachting van hare uitlevering aan de Engelsche Justitie.
Wat de jonge man aangaat, men stelde een val op, en toen hij zich,
van geen gevaar bewust, aan het ziekenhuis kwam aanmelden, werd hij
overvallen en na een hevige worsteling onschadelijk gemaakt.
Hij weigerde echter hardnekkig zijn naam te noemen, evenmin als
dien van zijn medereiziger, maar de politie meent grondige redenen
te hebben voor de veronderstelling, dat zij een zeer goeden slag
geslagen heeft en den medeplichtige heeft weten onschadelijk te
maken, van een man, wiens naam wij echter thans nog niet mogen
noemen, maar die in Londen maar al te wel bekend is in
politiekringen.
In onze volgende editie zullen wij nader terugkomen op deze
geheimzinnige zaak.”
HOOFDSTUK V.
DE MUIS KNABBELT AAN HET SPEK.
Dit bericht stond, zooals gezegd, in het avondblad van de „Evening
Press”, welk blad reeds om half vijf aan de stations der Subways en der
electrische treinen, benevens aan alle kiosken verkrijgbaar was.
En Raffles lachte tevreden toen hij het bericht onder de oogen kreeg.
Flinton had er geen woord, geen lettergreep, geen leesteeken aan
veranderd.
Raffles en Charly bevonden zich op dat oogenblik in de groote
conversatiezaal van het Astor-Hotel, die met waarlijk vorstelijke
weelde was ingericht, maar waarop zich op dat uur slechts weinig
personen bevonden.
Na het bericht zelf te hebben gelezen, gaf hij het blad glimlachend aan
Charly, die het op zijn beurt las, het blad langzaam opvouwde en het
naast zich neerlegde.
Daarop zeide hij, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk dempte:
„Ik heb nu het bericht gelezen, Raffles, maar om je de gulle waarheid
te zeggen, ik begrijp er nog altijd het doel en de strekking niet van.”
„Ik denk, Charly, dat je door de boomen het bosch niet gezien hebt,
zooals men dat noemt,” antwoordde Raffles kalm. „Laat ik je zeggen, dat
het heele bericht slechts draait, om een enkelen zin, dien je tegen het
einde van het stuk zult hebben aangetroffen, de rest is bijzaak, hoewel
ze natuurlijk onvermijdelijk was.”
„Welke is die zin?”
„Hij heeft betrekking op het overbrengen van Eleonore naar de
gevangenis.”
„Ik begrijp niet....”
„Mijn hemel, het is toch duidelijk genoeg,” riep Raffles eenigszins
ongeduldig uit. „Stanley is hier, dat staat als een paal boven water.
Om hem hier te gaan zoeken, te midden van een bevolking van drie
millioen zielen, is waanzin, vooral, wanneer hij zich de eerste weken
goed verborgen houdt. Men moest hem dus uit zijn tent lokken. Welnu,
daarom is dat bericht opgesteld. Wanneer hij weet dat Eleonore Manoury
hier is, zal hij worden aangetrokken naar de plaats, waar zij zich
bevindt, als een stuk ijzer door de magneet. Bedenk eens wat het voor
hem zeggen wil, als die vrouw eenmaal in de gevangenis zit, en vandaar
naar Londen wordt overgebracht, om door den rechter te worden gehoord.
Wat zou hij dan moeten vreezen, denk je?”
„Natuurlijk, dat zij zelf verloren zijnde, alles zal mededeelen, wat
zij omtrent dien schurk weet, en dat zal wel zijn geheele verleden van
misdaad en bloed zijn,” antwoordde Charly, die licht in de duisternis
begon te zien.
„Zoo is het, mijn waarde. Niet alleen de wraakzucht, maar ook de zucht
tot zelfbehoud, zullen er hem toe dwingen, al het mogelijke te doen, om
te beletten, dat de ongelukkige vrouw spreekt. Wanneer zij echter
eenmaal in de gevangenis is opgesloten, is zij aan zijn wrekende hand
onttrokken en daarom moet hij tot iederen prijs trachten, haar in
handen te krijgen, of haar te dooden, voor zij naar de gevangenis wordt
overgebracht. Welnu, daar in het bericht vermeld wordt, dat die
overbrenging reeds morgen in de vroegte plaats heeft, moest Stanley nog
vannacht handelen. En daar de zaak van zeer groot gewicht voor hem is,
daar het een kwestie van leven en dood mag worden genoemd, zal hij die
onderneming niet aan anderen durven toevertrouwen, maar haar
persoonlijk leiden. Vindt je die redeneering gezocht?”
„Volstrekt niet, Raffles, zij is volmaakt logisch en ik ben een ezel,
dat ik dat zelf niet aanstonds heb ingezien. Voor het oogenblik wordt
Stanley slechts door onze Justitie gezocht wegens de verdenkingen, die
tegen hem gerezen zijn, maar het zal misschien moeilijk vallen, de
noodige bewijzen bijeen te brengen. Wanneer echter die vrouw spreekt,
dan is alles voor hem verloren. Geraakt hij dan in handen van de
Justitie, dan is het niet twijfelachtig, of de strop wacht hem.”
„Dat is ook mijn meening, Charly, en je zult zien, dat hij vannacht het
uiterste zal wagen, om te pogen, Eleonore Manoury voor goed het zwijgen
op te leggen.”
„Hoe stel je je die pogingen voor?”
„O, voor een man als hij zijn er middelen genoeg, tenminste wanneer hij
reeds de kans heeft gezien, zich in verbinding te stellen met zijn
medeplichtigen in deze stad. Hij kan bijvoorbeeld voor grof geld een
politieagent omkoopen, die dienst doet in het politiebureau, waar zij
gevangen zit, teneinde haar een of ander vergif toe de dienen. Je zet
een verschrikt gezicht, Charly, maar ik zou je er aan willen
herinneren, dat tijdens het proces tegen de bende van het Kwade Oog
gebleken is, dat er alleen te New-York, niet minder dan vijf en veertig
politieagenten, drie brigadiers en zelfs een inspecteur er lid van
waren. Het is hier een zeer eigenaardig land, met zeer eigenaardige
gebruiken.”
„Welke zijn de andere middelen?”