binnen enkele seconden, dat hij zich de diensten verzekerd had van een
voortreffelijk voertuig, dat op een vlakken weg zeker een snelheid van
honderdvijftig kilometer zou kunnen ontwikkelen als het noodig mocht
zijn.
„Nu naar de brandweerkazerne,” zeide hij opgewekt. „Tot dusverre gaat
alles voortreffelijk. Ik geloof niet, dat ik bijzonder veel van de
Yankees houd, maar zij hebben een goed ding, zij praten niet veel en
weten wat zaken doen is.”
Vijf minuten later wees Charly Raffles de geweldig hooge, breede deuren
aan van de brandweerkazerne en nogmaals vijf minuten later had Raffles
toestemming gekregen daar zijn kleinen wagen te mogen stallen, op een
plek, waar hij niet in den weg stond, en van de straat af onzichtbaar
was.
Toen de twee mannen weder naar buiten traden, kon Raffles zich
overtuigen, dat de brandweerpost nauwelijks tachtig stappen verwijderd
was van het politiebureau, en daar schuins tegenover lag, een gelukkige
omstandigheid, want het was nog steeds denkbaar, dat zich handlangers
van Stanley verscholen hadden in een van de huizen recht tegenover het
politiebureau, en dus aan dezelfde zijde van de straat als de
brandweerkazerne gelegen.
De twee mannen vonden Henderson geduldig, hoewel een weinig ongerust op
hen wachten.
„Iets bijzonders ontdekt, Henderson?” vroeg Charly.
„Niets, mijnheer Brand. De straat achter het bureau is zoo verlaten als
het Hoogerhuis op een Zondag.”
„Dat kan ook bijna niet anders,” zeide Raffles. „Het is nog te vroeg,
de straten zijn nog te druk en Stanley moet zeker nog wel een uur op
zijn minst wachten.”
„Waar zou die roodharige bandiet met zijn auto zijn heengegaan?” vroeg
Charly, nadat hij Henderson had medegedeeld, wat er reeds verricht was.
„Vermoedelijk Stanley en zijn helpers gaan halen,” antwoordde Raffles.
„Zou de hoofdcommissaris zijn posten al hebben uitgezet?”
„Dat heeft hij zeker gedaan, als hij een verstandig man is, want deed
hij het nu, dan zou het wellicht gezien worden. Je behoeft er niet aan
te twijfelen, of het politiebureau wordt reeds op dit oogenblik door de
spionnen van Stanley in het oog gehouden.”
Charly had een blik op zijn horloge geworpen.
Het was kwart over twaalven.
Reeds was de een en twintigste straat in een halve duisternis
gedompeld, want de winkeliers hadden reeds lang hun étalagelichten
gedoofd, en alle schouwburgen en bioscopen waren gesloten, op slechts
een na, een van die inrichtingen, waar de film dag en nacht doorrolt,
ten behoeve van de bioscoopmaniakken, die er zelf een deel van hun
nachtrust voor over hebben, om die aan hun geliefkoosde uitspanning te
offeren.
Deze bioscoop echter lag op zijn minst een halve kilometer verder en
van haar licht zou men zeker geen last hebben.
De drie mannen wachten nog eenigen tijd, en om bij eenen begaven zij
zich behoedzaam een voor een naar de achterzijde van het politiebureau,
want daar was het, dat de aanslag zou ondernomen worden, tenminste
wanneer Stanley niet liever het oogenblik wilde afwachten, waarop
Eleonore Manoury naar de gevangenis zou worden vervoerd.
Zij vatten post op eenigen afstand van den hoogen muur in de breede
portiek van een groot kantoorgebouw.
Hier konden zij zien, zonder zelf te worden ontdekt.
Maar reeds na een kwartier zou het Raffles blijken, dat Stanley er niet
de man naar was om zonder de noodige voorzorgsmaatregelen te handelen.
Want eensklaps stootte Charly hem aan en fluisterde hem zeer zacht toe:
„Daar komt iemand aan, een agent van politie is het niet. Zie maar, die
zwarte gedaante daarginds.”
Raffles tuurde een oogenblik in de duisternis, en antwoordde toen:
„Je hebt gelijk, het is zeker een spion, die in opdracht heeft de
portieken te onderzoeken, om zich te overtuigen, dat zich daar niemand
bevindt.”
„Wil ik den kerel eens even aanspreken, Mylord?” vroeg Henderson,
terwijl hij zijn geweldige vingers tot vuisten balde, als om den aard
van het te voeren gesprek duidelijk te maken.
„Geen denken aan, Henderson,” antwoordde Raffles. „Je geweldige lichaam
zou dadelijk zichtbaar zijn, en voor je tien stappen had gedaan, zou
die kerel het waarschuwingssein hebben gegeven, en de andere, die zeker
reeds in de buurt zijn, zouden weten waaraan zij zich te houden hebben,
en wij zouden wel dadelijk rechts-om-keert kunnen maken. Laat mij maar
eens begaan.”
Raffles stak de hand in zijn zak, hij nam er een eigenaardig gevormd
pistool uit, wat de Amerikaansche misdadigers een „silent gun” noemen,
een vuurwapen, dat bij het afgaan niet het minste gerucht maakt.
„Wil je den kerel neerschieten?” vroeg Charly fluisterend.
„Ik zal hem niet dooden, er zit op dit luchtpistool een stalen
pluimpje, dat den man slechts zal schrammen, maar hem onmiddellijk
bewusteloos zal maken. Dan slepen wij hem hierheen, en hij is
onschadelijk.”
Intusschen was de donkere gedaante sluipend tot op een afstand van
twintig schreden genaderd, en zijn oogen schenen de duisternis te
willen doorboren.
Plotseling stond hij stil, hij scheen iets gezien te hebben in de
breede portiek.
Snel bracht hij de hand naar den mond, maar reeds had Raffles zijn
pistool opgeheven en den trekker overgehaald.
Er liet zich een geluid hooren, dat veel op een zucht geleek, en op
hetzelfde oogenblik zakte de gestalte ineen en bleef roerloos liggen.
„Ga hem eens halen, Henderson,” beval Raffles.
Met een paar stappen was de reus bij den gevallene, en zonder eenige
moeite sleepte hij hem naar het portiek, waar hij hem in een hoek
neerlegde.
Raffles trad op den man toe, en zag dat hij een nikkelen fluitje nog in
de vingers geklemd had.
„Het was tijd, zooals je ziet,” zeide hij laconiek. „Deze man blijft op
zijn minst zes uren in dien toestand, en dan ontwaakt hij uit zichzelf,
waarschijnlijk met wat schele hoofdpijn, maar zonder andere nadeelige
gevolgen. Om hem behoeven wij ons dus niet meer te bekommeren.”
De drie mannen wijdden nu weder al hun aandacht aan den hoogen muur, en
een half uur later werd hun geduld beloond.
Eerst vernamen zij in de verte het gedempte geluid van een
automobielmotor, dat langzaam scheen te naderen, en toen ophield.
Daarop gebeurde er eenigen tijd niets, maar eensklaps doemde er een
viertal gedaanten uit de duisternis op, en een daarvan droeg een
voorwerp, dat er uitzag als een zeer korte ladder.
Het ding werd uitgeschoven, en zachtjes tegen den muur geplaatst.
Henderson, die zijn woede en ongeduld bijna niet kon bedwingen, vroeg
fluisterend:
„Waarop wachten wij nog, Mylord, om wat opruiming onder die boeven te
houden?”
„Stil, Henderson,” antwoordde Raffles. „Wij bemoeien ons in het geheel
niet met de zaak, heb ik reeds gezegd, tenzij het volstrekt
noodzakelijk mocht blijken. Wees er maar zeker van, dat er op de
binnenplaats agenten in hinderlaag liggen, die de vier bandieten
gemakkelijk zullen weten te overmeesteren, tenminste wanneer zij allen
over den muur klimmen.”
„Zou Stanley er niet bij zijn?” vroeg Charly bijna onhoorbaar.
Raffles antwoordde niet dadelijk, maar hij spande zijn oog tot het
uiterste in, om de duisternis te kunnen doorboren.
Toen greep hij Charly bij den arm, en de jonge man had bijna een kreet
van pijn geslaakt, zoo knelde hem de stalen greep van de gespierde
vingers.
„Hij is het,” fluisterde Raffles heesch. „Ik zal....”
Maar juist op dit oogenblik zag hij Stanley vlug als een kat de stalen
ladder beklimmen, en het volgende oogenblik was hij over den rand van
den muur verdwenen.
Twee zijner helpers volgden hem, terwijl de vierde man aan den voet van
de ladder stand bleef houden.
De oogen van Raffles schitterden, en hij haalde diep adem.
„De muis is in den val geloopen, en ditmaal zal hij zijn lot wel niet
ontkomen,” fluisterde hij.
„Zouden wij dien kerel bij die ladder niet kunnen overvallen?” vroeg
Charly, wiens spanning ten top was gestegen.
„Onmogelijk,” antwoordde Raffles. „Hij is te ver van ons af, en wij
moeten de straat oversteken. Voor wij bij hem zouden zijn, kan hij op
ons vuren en of hij ons raakt of niet, in ieder geval waarschuwt hij
door het schot zijn medeplichtigen, en wat kunnen mij, alles wel
beschouwd, die lieden schelen. Het is mij om Stanley te doen, en om
niemand anders. Hij is nu al op de binnenplaats en het drama zal zich
binnen enkele minuten wel voltrokken hebben.”
„Kun je den man bij de ladder niet met je windpistool neerleggen, als
den anderen bandiet?” vroeg Charly.
„Het pistool draagt slechts een meter of tien ten hoogste, en de
afstand van hier tot aan de ladder is zeker vijf maal grooter.”
Juist op dit oogenblik klonken er snel achter elkaar drie
revolverschoten.
Nauwelijks had de man aan den voet van de ladder dit gehoord, of hij
bracht een fluitje aan den mond, en aanstonds klonk tot op verren
afstand het snerpend gefluit.
Onmiddellijk daarop liet zich op eenigen afstand het geluid van den
ronkenden motor weder hooren.
„Snel, snel, Charly, haal de auto,” riep Raffles, ten prooi aan een
opwinding, die hem anders vreemd was. „Wij moeten beletten, dat hij ons
nog op het laatste oogenblik ontsnapt. Haast je. Wij zullen je tegemoet
loopen, zoodra wij weten wat hier geschied is, en je door seinen
waarschuwen waar wij zijn.”
Zoo snel zijn voeten hem dragen wilden, ijlde Charly heen, teneinde de
auto uit de brandweerkazerne te gaan halen.
En intusschen werd het geraas van den motor snel duidelijker, tot er
een groot, log lichaam naderde in de duisternis.
Het was een auto, waarvan de beide lantaarns slechts een spaarzaam
licht verspreidden, waarschijnlijk om den wagen zoo min mogelijk in het
oog te doen vallen.
De man, die nog altijd de wacht hield bij de ladder, was er snel
opgeklommen en keek nu over den muur op de binnenplaats, teneinde te
zien wat zich daar afspeelde.
Raffles en Henderson zagen, hoe hij zijn revolver trok en mikte.
Maar voor de bandiet den trekker kon overhalen, had Raffles hem een
kogel toegezonden, die den man in de dij raakte, zoodat hij met een
gebrul van pijn en woede van de ladder tuimelde.
Maar reeds vertoonde zich een gestalte op den muur, die er zooeven op
was geklommen, komende van de binnenplaats.
Dadelijk had Raffles hem herkend, ondanks de duisternis, het was zijn
doodsvijand.... het was Irwin Stanley.
Voor hij nog had kunnen vuren, had de schurk zich met een katachtige
behendigheid van de ladder laten glijden, na nog eens zijn revolver op
de agenten te hebben afgevuurd, die zich op de binnenplaats bevonden.
De bestuurder van de auto had hem eveneens reeds gezien en kwam nog
nader met zijn wagen, terwijl Stanley het voertuig tegemoet liep.
Het volgend oogenblik had hij zich in de auto geworpen, die zich
dadelijk in beweging stelde.
Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig was om het te
beschrijven.
Reeds kwam de auto aansnellen en Raffles en Henderson, die midden op
straat stonden, moesten snel terzijde springen, ten einde niet onder de
wielen te komen.
De wagen suisde snel voorbij, maar toch niet zoo snel, of de twee
doodsvijanden hadden elkander herkend, en beide tegelijk schoten.
Maar de twee schoten misten beiden hun doel en de auto vloog voorbij en
reed weg.
Zij sloeg den hoek van de straat om en begaf zich blijkbaar naar de een
en twintigste straat die een groote snelheid veroorloofde.
Raffles bracht zijn signaalfluit aan den mond, en luid klonk het sein
door den stillen nacht. Charly zou het stellig hooren.
Ja, daar klonk reeds het antwoord, met den hoorn gegeven, het was de
hoogste tijd.
Raffles en Henderson snelden op het geluid af, en even later ontwaarden
zij den renwagen, die juist de zijstraat wilde inrijden.
Raffles wuifde met de hand, Charly bracht den wagen weder in de breede
hoofdstraat en Raffles en Henderson wipten in den lagen wagen, de
eerste naast Charly.
„Daar gaan zij!” schreeuwde Henderson, op een punt in de verte wijzend,
dat zich snel verwijderde.
De reus had goed gezien, ongeveer tweehonderd meter voor hen uit vloog
de auto van Stanley over den weg.
„Hem na, Charly,” beval Raffles, die de tanden opeengeklemd had. „Wij
moeten hem inhalen, het kost wat het kost.”
Reeds had Charly den hefboom overgehaald en op de hoogste versnelling
sprong de renwagen als het ware vooruit.
In helsche vaart stoof de auto door de lijnrechte straat, en het was
goed, dat die op dit late uur van den nacht zoo goed als geheel
verlaten was.
Het duurde niet lang of het bleek, dat de renwagen op de auto van
Stanley won, ofschoon ook deze zeer snel moest zijn.
Na een half uur was de grens van de wereldstad bereikt, en slechts
vijftig meters scheidden de beide auto’s.
Raffles richtte den blik naar den grond, op het witte grint van den
buitenweg, waarop nu de renwagen voortstormde, was duidelijk een zeer
dun spoor te zien, het was de benzine, die gestadig uit de reservoir
van Stanley’s auto druppelde.
„Wij zullen hem inhalen,” mompelde Raffles, de vuisten ballend, „al zou
ik er zelf het leven bij laten.”
De auto’s waren nu zoo dicht bij elkaar, dat duidelijk te zien viel,
hoe Stanley den man met het roode haar, die de auto uit de garage had
gehaald, tot grooter spoed scheen aan te zetten.
Herhaaldelijk keek de schurk achter zich ten einde den afstand te
schatten.
Men naderde nu den spoorweg, die hier twee maal den weg kruist, en deze
steeg op dit punt tamelijk steil, zoodat de vaart aanmerkelijk
vertraagde.
Reeds waren de twee auto’s den eersten overweg gepasseerd, die niet,
zooals in Europa, van afsluitboomen zijn voorzien.
Stanley had zich in de auto opgericht en braakte de lasterlijkste
verwenschingen tegen zijn vervolgers uit.
Hij vuurde tweemaal op Raffles, zonder hem te treffen; wat ook bijna
onmogelijk was wegens het slingeren van beide wagens.
Daar kwam de tweede overweg in het zicht.
En tegelijkertijd klonk op eenigen afstand een gillend gefluit, het was
de nachttrein van Chicago naar New-York, die in toomelooze vaart over
de glinsterende rails voortsnelde, getrokken door zijn geweldige
locomotief.
Onwillekeurig matigde Charly de vaart van zijn wagen.
Maar de auto van Stanley snelde steeds voort.
Steeds duidelijker klonk het oorverdoovend geraas, door den
voortjagenden trein veroorzaakt, waarvan de lichten nu zichtbaar waren.
Nu had de auto van Stanley den overweg bereikt, en het volgend
oogenblik bevond zij zich op de rails....
Hoewel Charly uit alle macht remde, daar hij wel voorzag, niet voor den
trein den overweg te kunnen oversteken, vloog de wagen nog zoover
voort, dat hij nauwelijks tien meter voor den overweg stil stond.
Daar naderde de trein, en de lantarens van de locomotief schitterden
als de oogen van een vreeselijk monster.
En.... de auto van Stanley stond stil midden op het spoor....
Boven het geraas van den trein uit klonk een gillende kreet van
doodsangst en ontzetting.
Stanley was weder opgestaan en wilde uit de auto springen, die
blijkbaar niet verder kon wegens het gebrek aan benzine....
Maar hij was een halve seconde te laat....
De trein kwam aanstormen, en het leek, alsof hij zich op de auto
stortte.
Een vreeselijk gekraak werd vernomen.... tot op honderd meters afstand
werden de versplinterde deelen van de auto weggeslingerd.
En nog even konden de drie mannen zien, hoe de machinist zich naar
buiten boog en een gebaar van wanhoop maakte....
Toen was alles voorbij....
Raffles en Charly staarden elkander een oogenblik stom aan.
Toen zeide de Groote Onbekende zachtjes:
„Zoo moest het komen, een hoogere macht heeft uitspraak gedaan over een
monster in menschengedaante.”