„En denk je dat Stanley voor die misdaden zou worden gehange

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE

NO. 394 HET EINDE VAN IRWIN STANLEY.

HET EINDE VAN IRWIN STANLEY.

HOOFDSTUK I.

WAT RAFFLES NAAR AMERIKA BRACHT.

Omstreeks drie uur in den middag vloog een vliegmachine met zeer groote

snelheid over de huizenzee van New-York, in een richting van het

Zuid-Westen naar het Zuid-Oosten, maar op zulk een groote hoogte, dat

het zelfs aan de bewoners der bovenste verdiepingen van de hoogste

wolkenkrabbers moeilijk zou zijn gevallen de machine met het bloote oog

te onderscheiden.

Zoo was het ook niet mogelijk te oordeelen over de werkelijke snelheid

van het toestel, die inderdaad alles te boven ging, wat men tot

dusverre op dit gebied aanschouwd had.

Slechts zeer weinige lieden, die hun vak door en door kenden, en die de

snelheid van vliegmachines zelfs op zeer grooten afstand konden

taxeeren, zouden tot hun verbazing hebben geconstateerd, dat het kleine

stipje daar boven New-York zich verplaatste met een fabelachtige

snelheid, welke de vijf honderd kilometer per uur moesten naderen, en

misschien wel overtreffen.

En dit zou hen zoo onmogelijk, onwaarschijnlijk en onaannemelijk

toeschijnen, dat zij eerder geloofd zouden hebben aan een klein gebrek

in hun gezichtsvermogen, dan aan de werkelijkheid van hetgeen zij

meenden op te merken.

En toch behoefden zelfs de vaklieden zich niet zoo zeer te verbazen,

want het was nog niet eens zoo lang geleden, dat de befaamde Fransche

vlieger Sadi Lecointe met zijn vliegmachine, voorzien van een motor van

bijna drie honderd paardenkrachten, een snelheid wist te ontwikkelen

van omstreeks drie honderd achttien kilometer per uur, waaraan

aanstonds moet worden toegevoegd, dat deze ontzaglijke vaart slechts

gedurende enkele minuten werd volgehouden.

Het vliegtuig zette dus koers in Zuid-Oostelijke richting, en zoodra

het zich niet meer boven New-York bevond, matigde het aanzienlijk zijn

vaart en daalde tegelijker tijd.

Rechts breidde thans de Oceaan zich uit, onvergelijkelijk schoon onder

de stralen van een vroege lentezon, links waren bosschen, weiden,

heuvelen en dalen zichtbaar, maar ook ontelbare fabrieksschoorsteenen,

waaruit dikke rookwolken hemelwaarts stegen.

De vliegmachine had een hoogte van ongeveer duizend meter bereikt, en

hoewel de snelheid nog altijd zeer groot was, bedroeg zij thans toch

zeker nog geen twee honderd kilometer.

Het toestel leek wel van metaal vervaardigd te zijn, met inbegrip van

de beide draagvlakken, want het glansde als dof gepolijsd zilver in de

stralen van de zon.

De bestuurder der machine, die geheel vooraan in de gemakkelijk

ingerichte kajuit zat, zocht nu de kust op en volgde deze over een

lengte van eenige kilometers.

De lucht was zoo helder, dat men tot op zeer verren afstand kon zien,

en met behulp van den kijker zou men op zijn minst een half dozijn van

die druk bezochte badplaatsen kunnen ontwaren, waar de Amerikaansche

business-men des zomers verpoozing gaan zoeken van hun inspannenden

arbeid, of er vrouw en kinderen heenzenden, en zelf in de stad blijven

zwoegen tot des Zaterdagsmiddags, om dan per auto snel vrouw en kroost

te gaan opzoeken, en pas des Maandagsmorgens weder te vertrekken.

En steeds scheen het glinsterende dubbelspoor van den electrischen

trein, welke al deze badplaatsen onderling en met New-York verbond, de

luchtreizigers te vergezellen.

Soms schoot een dier electrische wagens onder de vliegmachine voorbij,

maar alleen wanneer men er een tegemoet vloog, want geen enkele van die

wagens, hoe hard zij ook reden, was in staat, het vliegtuig bij te

houden, laat staan het in te halen.

Dicht bij een van deze badplaatsen, die nu nog geheel verlaten waren,

en in den winterslaap verzonken schenen, liet de bestuurder de

vliegmachine nog meer dalen tot op een hoogte van vijf honderd meter,

en cirkelde daar eenigen tijd rond, als om naar een gunstige

landingsplaats uit te zien.

Die was nu niet zoo moeielijk te vinden, wanneer men zich tot het

strand bepaalde, want dit was zoo vlak als een kolfbaan en breed genoeg

om desnoods aan twintig toestellen te veroorloven, naast elkander neer

te strijken.

Maar het strand scheen den bestuurder niet aan te trekken, want hij

richtte het toestel meer landwaarts, en plotseling scheen hij te

ontdekken, wat hij noodig had; het was een fraaie boerderij, op

ongeveer een kwartier gaans van de badplaats gelegen aan een goeden

straatweg, met boomen omzoomd, die thans nog hun kale takken omhoog

staken, maar die zeker in den zomer dezen weg zouden beschaduwen, en

tot een aangename wandelplaats voor de badgasten zouden maken.

Deze boerderij stond dicht bij den weg, maar daarachter strekte zich

een schier onafzienbaar weiland uit, waarop vee graasde, en waarop

eenige zeer groote schuren stonden.

Niet zoodra had de bestuurder een en ander opgemerkt of hij liet de

machine als het ware omlaag duikelen, en liet haar daarop in een koenen

spiraal met afgezetten motor dalen, waarop het vliegtuig zich, alsof

het een levend wezen, een reusachtige libel was, op het nog schrale

gras van de weide neerzetten.

Verschrikt sprongen eenige kalveren onder het maken van dwaze sprongen,

uiteen, en een aantal weinig dappere koeien gingen haastig op den loop,

onder luid geloei en terwijl zij driftig met hun staart zwaaiden, hunne

wijze, om hun misnoegen over deze onverwachtsche stoornis kenbaar te

maken.

De landing had plaats gehad op nauwelijks honderd passen van de groote

boerenhofstede, en dadelijk kwam er een gansche zwerm menschen uit dit

huis te voorschijn, aangevoerd door een jong meisje, wier goudblond

haar in twee lange vlechten achter haar aan golfden, die waarschijnlijk

aan een ongeluk hadden gedacht.

Intusschen waren de luchtreizigers uitgestapt.

Zij bleken drie in getal te zijn, en waren in dikke pelsen gehuld,

waarvan zij zich juist ontdeden, toen het groepje menschen de machine

omringden, en de drie mannen verbaasd en ook wel wat verschrikt

aanstaarden.

„Kunnen wij u van dienst zijn, mijnheer?” vroeg het jonge meisje, dat

naar voren was getreden, en terwijl zij zich wendde tot een van de

luchtvaarders, een rijzig, krachtig gebouwd man, van wiens gelaat thans

nog weinig te zien was, door den geweldigen bril voorzien van dikke

glazen, welke met bont omzoomd waren en het gelaat voor een groot deel

verborgen.

De aangesprokene nam zijn bril af, ontknoopte het riempje van den bril,

nam hem af en vertoonde nu een fijnbesneden, krachtig geteekend gelaat,

waarin twee grijze oogen met doordringenden, stoutmoedigen blik

schitterden.

Hij keek het bevallige jonge meisje even aan en gaf toen ten antwoord:

„Gij drijft de vergevensgezindheid ten top, Miss! Wij komen hier

ongevraagd op uw weiland neerstrijken, wij maken uw koeien aan het

schrikken, en gij vraagt, waarmee gij ons van dienst kunt zijn!”

„O, het heeft niets te beteekenen!” riep het jonge meisje met een

vroolijk lachje uit. „Zij zullen wel spoedig weer van den schrik

bekomen zijn en aan het gras valt niets te bederven. Wij dachten

eigenlijk dat er een ongeluk met de machine gebeurde, omdat zij zoo

snel en onverwachts daalde. Er is toch niets aan gebroken?”

„Neen, Miss!” antwoordde de ander glimlachend. „Er is niets gebroken en

toch zou ik u gaarne om uw toestemming willen verzoeken, mijn machine

hier ergens te mogen laten, want ik veronderstel, dat ik het voorrecht

heb het woord te richten tot de lieftallige dochter van den eigenaar of

den pachter van gindsche hoeve?”

„Ja, mijnheer, ik ben Mary Cooper, en mijn vader is de eigenaar van de

hoeve daarginds; alles wat gij hier in het rond ziet, behoort hem toe.

En wat het bewaren van uw vliegmachine betreft, ik denk wel, dat dat

zal gaan, want ik zie, dat zij niet heel groot is, en er staat wel hier

of daar een schuur ledig.”

„Dat gebouwtje behoeft zelfs niet groot te zijn, Miss Cooper, want als

het noodig is, kan ik zeer gemakkelijk de vleugels van het toestel

verwijderen, zoodat ik aan een groote auto-garage reeds genoeg zou

hebben. Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat ik gaarne bereid ben uw

vader schadeloos te stellen voor de moeite, welke ik hem veroorzaak.”

„Daar spreken wij later wel over, mijnheer....?”

Het meisje voltooide den zin niet, maar keek den luchtreiziger vragend

aan.

„Ik ben graaf Palmhurst, Miss!” antwoordde deze. „Ik vertoef sedert

eenige maanden in Amerika, ik wil er meer van zien, dan met een auto of

met een trein mogelijk is, en daarom heb ik mij mijn vliegmachine laten

toezenden, en nu toer ik hier maar wat boven uw schoon land rond. Thans

echter roepen mij ernstige zaken naar New-York, en daar ik mijn

vliegmachine steeds bij de hand wil hebben, zocht ik naar een goede

gelegenheid in de buurt van de stad, om haar onder dak te brengen.”

„Dan behoeft gij u niet verder bezorgd te maken, graaf,” hernam Mary

Cooper. „Gij kunt uw toestel gerust bij ons laten, het zal hier even

veilig zijn als alles wat onszelf toebehoort.”

„Dan blijft mij niets anders over, Miss, dan u dank te zeggen voor uw

bereidwilligheid, natuurlijk vooropgesteld, dat uw vader instemt met

hetgeen gij ons beloofd hebt.”

„O, vader wil alles wat ik wil,” hernam het meisje met een guitig

lachje.

„Dan is alles in de beste orde, Miss, en ik heb niets anders te doen,

dan u te vragen, hoe de badplaats heet, op een kwartier afstands

ongeveer van hier gelegen.”

„Wel, graaf, dat is Cedar Creek, des zomers een van de meest bezochte

badplaatsen ten Zuiden van New-York. Met den electrischen trein kunt

gij de stad in ongeveer een uur tijds bereiken. En nu zullen wij eerst

uw machine eens veilig gaan opbergen, als gij het goed vindt. Komt

mannen, helpt eens een handje!”

Dit laatste werd gezegd tot een dozijn veldarbeiders, die eveneens

nieuwsgierig waren komen toeloopen.

En nu zette de stoet zich in beweging.

Vooraan liep het jonge meisje met de handen op den rug en opziende naar

den Engelschen graaf, die kalm naast haar stapte, een sigaret rookend,

en zijn muts in de handen, zoodat de wind met zijn haren stoeide, die

aan de slapen heel even begonnen te grijzen.

Daarna kwamen eenige dienstboden en vervolgens de vliegmachine, geduwd

en getrokken door een half dozijn veldarbeiders, onder de aanwijzingen

van een van de drie luchtvaarders, een herculisch gebouwd man, die er

uitzag, alsof hij in staat was het vliegtuig desnoods geheel alleen

voort te duwen.

Tien minuten later was het toestel veilig ondergebracht in een soort

bergloods, voorzien van dubbele deuren, waarin het juist bleek te

passen, maar niet dan nadat men er de vleugels van had losgemaakt en

tegen de zijwanden had geplaatst.

Graaf Palmhurst klom vervolgens op de machine, scheen iets te

verrichten, waarbij hij een Engelschen sleutel en een schroevedraaier

noodig had, klauterde toen weer naar beneden en wendde zich toen tot

het jonge meisje met de opmerking:

„Nu heb ik u niets anders meer te vragen, Miss, dan verlof om ons in

deze loods even te mogen verkleeden, met de kleeren, die ik aan boord

heb, en u dank te zeggen voor uw bereidwilligheid, om mijn machine te

bewaren.”

„Dat verlof is u toegestaan, graaf,” riep Mary Cooper uit, terwijl zij

hem de kleine gebruinde hand toestak om vervolgens weg te snellen,

nadat zij aan den luchtvaarder den sleutel van de loods had

overhandigd.

Deze wachtte tot er niemand in de omgeving meer te zien was, keek toen

den reus en zijn derden metgezel, een jonge man met een vroolijk rond

gelaat en blauwe oogen met een zonderlingen glimlach aan en zeide:

„Daar zijn wij!”

„Ja, op vijftig kilometer afstand van New-York, nadat wij tien uren

geleden bij Londen opstegen,” antwoordde de jonge man. „En waarvoor dit

alles? Om niets, wij kwamen juist een half uur te laat en op dit

oogenblik heeft je doodsvijand, Irwin Stanley, de meester van het

Genootschap van den Gouden Sleutel, zich al opgelost in de

misdadigerswereld van New-York.”

John Raffles, want graaf Palmhurst was inderdaad niemand anders dan de

befaamde Gentleman-Inbreker, antwoordde niet aanstonds, maar stond in

diep gepeins verzonken, terwijl hij zich langzaam van zijn zwaren

pelsjekker ontdeed.

Toen zeide hij:

„Het is waar, onze overtocht is in zooverre vruchteloos geweest, dat

wij juist New-York bereikten, toen het kleine stoombootje de reizigers

van de Mauritania van Ellis Island naar New-York overbracht, van

hetzelfde schip, waarmede die schurk van een Stanley de vlucht nam,

juist toen wij op het punt stonden, eindelijk de politie op het spoor

te brengen van den gevaarlijksten misdadiger, die er in vele tientallen

jaren geleefd heeft.”

„Hij had allang aan den galg moeten bengelen, Mylord,” liet de zware

stem zich hooren van den reusachtigen metgezel van Raffles.

„Ik ben het volmaakt met je eens, Henderson,” hernam Raffles droogjes.

„En dat zou hij ook al gedaan hebben, als men hem maar had kunnen

vatten. Maar reeds vele weken achtereen voer ik strijd met dezen man,

met dien sluwen aanvoerder van de grootste misdadigersorganisatie,

welke ik ken en in dien betrekkelijk korten tijd is hij mij reeds

herhaalde malen ontsnapt.”

„En daarbij heb jij zelf, Raffles, ettelijke malen in gevaar verkeerd,

door den ellendeling te worden vermoord, en alles wel beschouwd, heb je

het slechts aan Eleonora Manoury te danken, dat je nu nog leeft.”

„Dat zal ik ook nimmer vergeten, Charly, wees daar maar zeker van,”

hernam Raffles kortaf.

„Dat heb je immers al getoond, door ook haar eenige malen te ontrukken

aan de wraakzucht van den man, die haar in het verderf had gestort, en

haar tot een misdadigster had gemaakt,” hernam Charly Brand, de trouwe

metgezel van den Grooten Onbekende, en die hem ook thans hierheen

vergezeld had om deel te nemen aan de jacht op Irwin Stanley, den

vierden meester van het Genootschap van den Gouden Sleutel, welks drie

vorige aanvoerders allen door toedoen van John Raffles hun leven van

misdaad en moord met den dood hadden geboet.

In een lange reeks gevaarvolle avonturen had Raffles zich met dezen

nieuwen tegenstander gemeten, en het was al heel spoedig gebleken, dat

de Gentleman-Dief en Irwin Stanley wat sluwheid en dapperheid betreft

aan elkander gewaagd waren.

Maar een ding had Raffles op zijn vreeselijken vijand voor, van Irwin

Stanley was de identiteit bekend, zijn signalement was thans over de

geheele wereld verspreid, en van zijn vermommingskunst had Raffles geen

grooten dunk, terwijl hijzelf voor zijn vijand een raadselachtig wezen

moest zijn, van wiens waren naam of verblijfplaats Stanley niets kon

weten.

Raffles had ten slotte de voormalige minnares van Stanley aan diens

invloed weten te onttrekken, en deze vrouw was het geweest, die hem had

medegedeeld, dat Stanley naar Amerika de wijk had genomen, om zich aan

de wrekende hand van de Engelsche justitie te onttrekken en zich te

voegen bij zijn makkers in Amerika, waar het zeker lang niet zoo

gemakkelijk zou zijn, hem terug te vinden.

Helaas had de jonge, ongelukkige vrouw Raffles deze mededeeling pas

kunnen doen, nadat er reeds zes dagen verstreken waren sedert het

vertrek van de Mauritania, met welk vaartuig de meester naar New-York

was vertrokken, en hoewel Raffles zich gehaast had de politie te

waarschuwen, die draadloos verbinding had trachten te krijgen met de

Mauritania, was hij er op deze wijze niet in kunnen slagen den

misdadiger onschadelijk te maken, daar op de een of andere

geheimzinnige wijze de draadlooze aansluiting verbroken was, en er

bleef nu niets anders over, dan in allerijl met de wonderbaarlijke

vliegmachine, die aan het schrandere brein van Raffles ontsproten was,

de Mauritania na te gaan.

Wij zagen reeds met welken uitslag, de vliegmachine bereikte New-York

een uur te laat, juist toen de reizigers aan wal werden gebracht.

HOOFDSTUK II.

DE JACHT NEEMT EEN AANVANG.

Ongeveer een half uur nadat de vliegmachine op het weiland was

neergestreken, verlieten John Raffles, Charly Brand en James Henderson,

de trouwe chauffeur, een man van ontzaglijke lichaamskracht, de loods,

waar de vliegmachine was ondergebracht, en waarvan Raffles de deur

zorgvuldig sloot.

De drie mannen hadden hun zware vliegkleederen verwisseld tegen andere

kleedingstukken, en de gewaande graaf Palmhurst zag er nu ook inderdaad

uit als een Engelsche graaf, die over een zeer groot vermogen te

beschikken heeft en die in gezelschap van zijn secretaris en zijn

bediende voor zijn genoegen reist.

Henderson droeg een groot valies, de secretaris droeg een kleiner en

mijnheer de graaf droeg natuurlijk in het geheel niets.

Het drietal bereikte spoedig den breeden straatweg, die naar Cedar

Creek voerde, en besteeg daar een van de electrische treinen, die

meestal uit twee motorwagens bestaan, en die thans om het half uur

reden, ofschoon zij in den drukken seizoentijd iedere vijf minuten van

en naar New-York zouden vertrekken.

Een uur later hadden zij de wereldstad bereikt, en voor het station

namen zij een huurauto, die hen naar het Astor-Hotel bracht.

Het reisseizoen zou pas over een maand aanbreken, en zoo viel het hen

niet al te moeilijk een paar vertrekken op de eerste verdieping van het

geweldig groote, weelderig ingerichte hotel te krijgen.

Het liep reeds naar dinertijd, en een half uur later zaten Raffles en

Charly tegenover elkaar in de groote eetzaal aan een tafeltje voor twee

personen.

Nadat de kelner, die de bestelling had opgenomen, zich weder verwijderd

had, begon Raffles:

„Ik behoef je natuurlijk niet te zeggen, Charly, dat ik er niet aan

denk, aanstonds weder rechtsomkeert te maken, zonder zelfs een poging

te hebben gedaan, het spoor te hervinden van den man, die mij naar het

leven staat, die zeker geen seconde zou aarzelen, mij te dooden, als

hij er slechts de gelegenheid toe had, en overtuigd was, dat hij John

Raffles weer in handen had gekregen.”

„Ik begrijp, wat je bezielt, Raffles, en toch moet ik vreezen, dat het

onmogelijk zal blijken, Stanley in deze wereldstad terug te vinden.”

„Niets is onmogelijk, Charly, voor den man, die bezield is met een

vasten wil om het doel te bereiken, dat hij zich gesteld heeft,” hernam

Raffles en zijn grijze oogen schitterden. „Je kunt het toch niet

vergeten zijn, dat het mij hier ongeveer een jaar geleden, in dezelfde

stad gelukt is, het raadsel op te lossen van Moloch, den aanvoerder van

de bende van het Kwade Oog. De politie zat toen met de handen in het

haar, zooals je je wel zult herinneren, niemand had er het flauwste

begrip van, wie die geheimzinnige Moloch toch wel kon zijn, en

niettemin hebben wij het ontdekt.”

„Jij, Raffles, jij alleen,” weerde Charly af. „Wij waren slechts je

gewillige werktuigen, Henderson en ik, maar jij was het denkende hoofd,

jij was de man, die tenslotte den Moloch ontmaskerde, de geheele

deftige wereld van New-York versteld deed staan, toen je onomstootelijk

bewees, dat niemand anders dan de neef van den staalkoning Peter

Vandijke de langgezochte aanvoerder was, en ten slotte de bende van het

Kwade Oog vernietigd hebt.”

„Wat dit laatste betreft, Charly, neen, ik vrees dat dit niet zoo is.

Hoe zou men ook een bende kunnen vernietigen, wanneer men niet alle

leden voor hun leven in de gevangenis opsluit, of hen opknoopt, of op

den electrischen stoel zet? Al waren er maar twee over gebleven, dan

zouden die voldoende zijn geweest, om de kern te vormen van een nieuwe

bende misdadigers, die al heel snel in macht zou zijn toegenomen. Het

is je natuurlijk evenmin als mij ontgaan, dat in de laatste weken tot

zelfs de Europeesche bladen weder volstaan met berichten omtrent

tallooze misdaden, die hier te New-York op klaarlichten dag soms worden

bedreven, en die voor het meerendeel met moord gepaard gaan. Welnu, ik

voor mij ben er vast van overtuigde, dat hier opnieuw een duistere

macht aan het werk is, die al die misdaden bestuurt.”

„Geloof je waarlijk?” riep Charly verschrikt uit.

„Ik ben er vast van overtuigd.”

„Maar ik heb toch nergens gelezen, dat de bedrijvers van die misdaden

als het ware hun visitekaartje achter laten in den vorm van een

papiertje, waarop het Kwade Oog stond afgebeeld, of dat zij hun

slachtoffers van te voren waarschuwden, door middel van briefjes, die

met zoo’n zelfde embleem waren onderteekend.”

„Ik zeg niet, dat het juist het Kwade Oog moet zijn, er is misschien

wel een nieuwe misdadigersorganisatie in het leven geroepen. Zij werkt

trouwens blijkbaar nog niet lang, en niemand kan zeggen of die nieuwe

bende niet even krachtig zal worden, als diegene, welke wij hier met

zulk een succes bestreden hebben. Hoe het ook zij, wij zijn hier nu

eenmaal, en ik zal niet rusten, voor ik eenig spoor van dien bandiet

terug heb gevonden.”

„Het zal moeilijk zijn, Raffles, wij zijn hier niet in Londen, en wij

hebben hier lang niet zooveel gemakkelijke gelegenheden om ons te

vermommen, zonder dat het gemerkt wordt.”

„Dat zal je wel meevallen, Charly,” hernam Raffles glimlachend. „Onder

in de vliegmachine heb ik onlangs door Henderson een geheime bergplaats

laten vervaardigen, en deze bevat op het oogenblik voor elk van ons een

drietal vermommingen, kleederen, pruiken en baarden. Ik erken, dat het

niet veel is, maar het is toch misschien voldoende om ons van dienst te

kunnen zijn.”

„Maar dan zouden wij telkens naar de vliegmachine moeten terugkeeren,”

riep Charly uit.

„Niet noodig, Henderson draagt al die dingen in zijn geweldig groot

valies bij zich.”

„Wanneer wil je met je onderzoek beginnen?”

„Zoo spoedig mogelijk, van avond nog.”

„Maar wij hebben in ’t geheel geen aanknoopingspunten, Raffles,”

vervolgde Charly Brand. „Wij tasten als het ware in het duister en ik

voor mij kan volstrekt niet inzien, hoe wij er in deze reusachtige stad

in moeten slagen, het spoor van Stanley te hervinden.”

„Als wij geen aanknoopingspunten hebben, Charly,” hernam Raffles

bedaard, „dan zullen wij ze maken. Je zult je wel herinneren, dat

eenige jaren geleden professor Shydrift, die toen de meester was van

het Genootschap van den Gouden Sleutel, een zeer handig middel

toepaste, om te ontdekken, wie toch wel die lang gezochte Raffles, de

Gentleman-Inbreker kon zijn. Hij liet berichten publiceeren omtrent een

schatrijken vreemdeling, voorzien van ettelijke juweelen, die te Londen

zou komen, in de verwachting, dat Raffles zeker niet zou nalaten, zijn

krachten te beproeven op de brandkast van dien veel te rijken sinjeur,

en daarin had hij goed gezien, want gezegde Raffles liep blindelings in

den val, dien men zoo handig voor hem had opgezet. De rijkaard was een

medeplichtige van de bende, en het scheelde toen maar een haar, of er

was voor goed een einde gemaakt aan mijn avontuurlijke loopbaan. Welnu,

niets belet ons, iets dergelijks hier toe te passen, rekening houdende

met de veranderde omstandigheden.”

„Het idee is in beginsel niet kwaad, ik begrijp alleen maar niet, hoe

het in de praktijk kan worden toegepast.”

„Dat is het geringste bezwaar. Er zijn middelen in overvloed, Stanley,

of in ieder geval een zijner trawanten hier op ons spoor te brengen,

maar daarbij zullen wij niettemin aan de winnende hand zijn, daar wij

hen lokken en hun bewegingen kunnen volgen.”

„Denk je, dat Stanley hier in dien korten tijd reeds aansluiting

gevonden kan hebben bij de misdadigers, die thans New-York onveilig

maken?”

„Thans wellicht nog niet, maar het zal toch zeker niet langer duren dan

een paar dagen op zijn hoogst. De schurken hebben een geheim middel, om

met elkander in verbinding te komen, nu eens is het een advertentie,

die er op het oog heel onschuldig uitziet, en niemands aandacht in het

bijzonder zou trekken, dan weer is het een vliegmachine, door een lid

van de bende bestuurd, die voor buitenstaanders onbegrijpelijke

rookseinen geeft, die mijlen in het rond zijn waar te nemen, of ook wel

worden er des nachts, op een vooruit afgesproken plaats vuurpijlen van

verschillende kleur afgestoken, die allen hun beteekenis hebben.”

„Indien de politie hier er in zou slagen, Stanley in handen te krijgen,

zou de Amerikaansche regeering hem dan uitleveren?”

„Ja, want de delicten, waaraan die ellendeling schuldig staat, roof

verzwaard door moord, laten uitlevering toe, volgens de nieuwe

tractaten tusschen Engeland en Amerika gesloten.”

„En denk je dat Stanley voor die misdaden zou worden gehangen?”

„Zonder den minsten twijfel,” antwoordde Raffles, „tenminste, wanneer

de bewijzen afdoende zijn, en daarvoor zal de politie in Londen wel

zorgen.”

„Dan hoop ik alleen maar, dat de politie hier er wat haast achter zet,”

hernam Charly droogjes.

„Daarvoor zou het in de eerste plaats noodig zijn, dat zij weet, dat

Stanley zich hier bevindt,” kwam Raffles glimlachend.

„Maar dat weet zij nu reeds,” kwam Charly. „Jij hebt zelf daarvoor

gezorgd.”

„Op welke wijze dan, als ik vragen mag?”

„Maar jij hebt immers de politie te Londen telefonisch op de hoogte

gesteld van de vlucht van Stanley en zelfs den naam van het schip

genoemd, waarmede hij vertrokken was, vijf dagen tevoren.”

„Je hebt gelijk, Charly, dat vergat ik. Weliswaar was die telefonische

mededeeling anoniem, en de politie behoefde er niet veel geloof aan te

hechten, maar het feit, dat de draadlooze verbinding tusschen Londen en

het schip verbroken was, moet haar toch tot nadenken hebben gebracht,

om er nog van te zwijgen, dat ieder spoor van den schurk te Londen

totaal schijnt te zijn uitgewischt.”

Op dit oogenblik kwam de kelner aandragen met het bestelde en de

vrienden waren dus genoodzaakt, het onderwerp van hun gesprek te

wijzigen.

Maar tegen het einde van het diner vroeg Charly zacht:

„Denk je in dit hotel te blijven?”

„Vooreerst denk ik niet aan verhuizen. Waartoe ook? Wij zijn hier

volkomen veilig, en Stanley kan onmogelijk eenig vermoeden van onze

aanwezigheid in New-York hebben. Dat is voor ons een groot voordeel,

zooals je wel zult inzien. Mochten de omstandigheden het echter

noodzakelijk maken, dan belet niets ons, elders een onderdak te gaan

zoeken.”

„En vanavond?”

„Vanavond, Charly, zullen wij onzen val opzetten,” antwoordde Raffles,

terwijl hij zich achterover in zijn stoel liet vallen, en een sigaret

uit zijn gouden koker te voorschijn haalde.

Na haar te hebben aangestoken en vol welbehagen een dikke rookwolk te

hebben uitgeblazen, hernam hij:

„Ik geloof, dat ik het middel reeds gevonden heb.”

„Ik ben benieuwd om het te vernemen.”

„Wie ter wereld denk je wel, dat Stanley het meest zal haten, op mij

na?”

Charly dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Ik zou bijna zeggen, dat het de vrouw moet zijn, die zijn minnares is

geweest, en die zich aan zijn invloed heeft onttrokken, terwijl het

voor hem duidelijk moest zijn, dat zij niet zal aarzelen, gebruik te

maken van haar kennis van zijn geheele verleden, om hem in het verderf

te storten.”

„Zoo is het, Charly. Wanneer die man eenmaal voor den rechter moet

verschijnen, dan zou, zelfs als de andere bewijzen onvoldoende waren,

de getuigenis van Eleonora Manoury toereikend zijn om hem aan de galg

te brengen. Bedenk voorts, dat zij het was, die mij gered heeft, toen

ik in zijn huis een eerlijk tweegevecht met hem had aangebonden, en hij

mij verraderlijk wilde vermoorden, wat er niet toe zal bijdragen, hem

zachtzinniger jegens de ongelukkige vrouw te stemmen, die eenigen tijd

onder den invloed van dien man heeft verkeerd.”

„Dat alles is waar, Raffles, maar ik begrijp niet waar je heen wilt,

want op dit oogenblik kan Stanley niet anders gelooven, of Eleonora is

dood. Jij hebt haar, toen zij in de ziekenzaal van de gevangenis te

Londen lag, een middel toegediend, waardoor zij in een toestand

geraakte, zoo zeer gelijkend op den dood, dat de autoriteiten haar ook

als dood beschouwden.”

„Ja, Charly, ik ben een ezel geweest, want terwijl ik meende, dat men

haar naar het kerkhof zou brengen, vanwaar het ons gemakkelijk zou zijn

gevallen haar te bevrijden en tot het leven terug te brengen, zoodra de

lucht zuiver was, droegen zij haar naar de snijkamer van de

universiteit, teneinde daar het merkwaardige geval te onderzoeken,

hetgeen slechts zou gaan, wanneer men het lijk opende. Gelukkig zijn

wij toen juist bijtijds gekomen, om te beletten, dat die zotte

professor met zijn ontleedmes aan het werk toog, en wij hebben Eleonora

kunnen bevrijden, toen onze man klaar stond zijn krachten op het als

dood neerliggende lichaam te beproeven.”

„Met dat al, Raffles, gelooft Stanley toch, dat zij dood is.”

„Dat kan hij niet langer gelooven, Charly, dan slechts een paar dagen.

Je hebt natuurlijk wel eens gehoord van een instelling, die telegraaf

heet, en het moet je duidelijk zijn, dat alle nieuwsagentschappen in

Londen zich zullen beijveren, het bericht van dien zonderlingen roof

van een lijk uit de snijkamer van de universiteit, waarbij de

ontvoerders met bommen en revolvers werkten, over te seinen.”

„Welnu?”

„Welnu, de naam van de zoogenaamde doode was bekend, en men weet

waarschijnlijk reeds nu te New-York, dat die drie onbekend gebleven

mannen een misdadigster ontvoerd hebben, Eleonora Manoury geheeten.

Maar wat mijn doodsvijand dan ook moge zijn, een domkop is hij zeker

niet. Het moet voor hem aanstonds duidelijk zijn, wie de zoogenaamde

lijkenroovers waren, en hij begrijpt natuurlijk wel, dat John Raffles

krankzinnig zou moeten zijn, wanneer hij zich al die moeite gaf, zijn

leven in de waagschaal te stellen, om een lijk te rooven; hij moet

inzien, dat de vrouw slechts schijndood was en dat John Raffles de man

geweest moet zijn, die haar in dien toestand bracht.

„Kun je die redeneering volgen?”

„Ik volg haar, Raffles, en ik kan haar volkomen billijken,” antwoordde

Charly. „Je hebt gelijk, het zou eenvoudig nonsens en tijdverlies

beteekend hebben, een doode vrouw te redden.”

„Tenzij Stanley mocht denken, dat ik er bepaald op stond, Eleonora

Manoury een Christelijke begrafenis te verschaffen, maar wij zullen nu

maar niet aannemen, dat hij plotseling kindsch is geworden. Welnu,

Charly, van het oogenblik af, dat Stanley vermoedt of weet dat Eleonora

Manoury niet dood is, moet hij haar boven alles vreezen, meer nog dan

Raffles. Welk een indruk zou het dus, denk je op dien man maken,

wanneer hij plotseling moest vernemen, dat Eleonora Manoury hier was?”

Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen, en keek Raffles met

wijdgeopende oogen aan, terwijl hij stotterde:

„Hier? Daar is immers geen sprake van! Hoe kan hij gelooven, dat zij

hier is?”

„Wel, hij zou het bijvoorbeeld in een krant kunnen lezen,” hernam

Raffles bedaard.

„In een krant? Maar mijn hemel, welk blad zou dat kunnen melden, als er

geen woord van waar is?” riep Charly in de hoogste verbazing uit.

„O, wij zijn hier in Amerika—en de Amerikaansche pers is in haar eerste

leugen stellig niet gestikt,” antwoordde Raffles langs zijn neus weg.

„Maar komaan, laten wij hier niet langer blijven, ik zal je spoedig

genoeg mijn bedoeling hebben duidelijk gemaakt.”

En Raffles wenkte den kelner, betaalde den man, liet zich hoed en jas

brengen, en maakte zich gereed om het hotel te verlaten.

En Charly volgde hem, maar wat Raffles eigenlijk wilde doen, daarvan

begreep hij volstrekt niets.

HOOFDSTUK III.

HOE DE VAL WERD OPGEZET.

In de ruime vestibule van het groote hotel stond Raffles een oogenblik

en raadpleegde zijn horloge.

Het was bijna negen uur.

Raffles bromde iets voor zich heen, scheen een oogenblik na te denken,

en zeide toen:

„Ik geloof, dat jij zeer sterk bent, Charly, op het gebied van de

journalistiek, nietwaar?”

„Dat is te zeggen,” stamelde Charly, verrast door het onverwachte van

deze vraag, „ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit een woord in een

blad geschreven heb, behalve een jaar of tien geleden, toen ik eens een

ingezonden stukje aan de „Times” heb gezonden, naar ik meen in verband

met de nieuwe Zondagswet, ik kende je toen nog niet.”

„Je schijnt de bedoeling van mijn vraag verkeerd te hebben begrepen.

Misschien heb ik haar ook niet duidelijk gesteld. Ik wilde alleen maar

weten of je op de hoogte bent van het verschijnen van de groote bladen

in de verschillende landen der wereld.”

„Nu, dat is wel wat veel gevergd,” antwoordde Charly lachend. „Maar ik

mag toch wel zeggen, dat ik het van de meeste landen wel weet.”

„Van de Vereenigde Staten bijvoorbeeld?”

„Ja, ook van Amerika. De gewone dagbladen verschijnen hier voor de

overgroote meerderheid uitsluitend als ochtendbladen. Er zijn er

slechts zeer weinig, die een ochtend en een avondeditie hebben, en dan

zijn er ook nog een paar, die alleen des avonds verschijnen.”

„Dat is dus ongeveer zooals bij ons,” hernam Raffles peinzend. „Gaat

die verhouding hier ook in New-York op?”

„Ja, er komen hier in het geheel ongeveer tachtig dagbladen uit.

Daarvan zijn twee en zeventig ochtendbladen, vijf bladen die ’s

ochtends en ’s avonds uitkomen en drie alleen des avonds verschijnen.”

„Dat is jammer,” mompelde Raffles. „Het was voor mijn plannen

gemakkelijker geweest.... enfin, men moet roeien met de riemen, die men

heeft. Hoe laat verschijnen die avondbladen ongeveer?”

„Ze zijn reeds om half vijf aan de verschillende stations te krijgen.”

„Hier bestaat natuurlijk ook het instituut van de extra-editie?”

„Zeker, maar die verschijnen alleen als het hoogst gewichtige zaken

betreft, een moordaanslag op den president, den dood van een

invloedrijk monarch, of van een groot Amerikaansch staatsman, een

spoorwegongeluk met minstens veertig dooden, een noodlottige

aardbeving, of iets dergelijks.”

Raffles scheen nog een oogenblik te aarzelen, en zeide toen:

„Wel, dan komt er van werken van avond niet veel meer, dan zullen wij

ons maar liever terugtrekken naar een of ander variété-theater, de

specialiteiten zijn in dit land van den eersten rang, en wij zullen ons

dan eenige uren kunnen amuseeren. Bovendien zijn wij beiden vermoeid

van de lange reis en een weinig rust zal ons goed doen.”

En zoo lieten de beide vrienden een auto voorkomen, en zich naar het

Olympic rijden, waar dien avond juist een nieuw programma werd

gespeeld.

Wat Henderson betreft, hij slenterde wat rond door de schitterend

verlichte straten, staarde naar de ontzaglijke lichtreclames, die de

oogen pijn deden door hun gloed, maar verwijderde zich, op verlangen

van Raffles, niet te ver van het hotel.

De beide mannen keerden omstreeks elf uur in den avond weder naar hun

hotel terug, en begaven zich ter ruste, om zich te herstellen van de

vermoeienissen der lange en gevaarvolle lucht reis.

Den volgenden morgen echter stonden zij om acht uur weder op, namen een

bad, kleedden zich, ontbeten snel en lieten een huurauto voorkomen.

Alvorens den chauffeur het adres op te geven, vroeg Raffles op zachten

toon, zich naar Charly voorover buigend, die reeds in de auto zat:

„Hoe heet het blad ook weer?”

„The Evening Press!”

„Waar is het ergens?”

„In de twee en twintigste straat, dicht bij de Broadway.”

„Broadway, twee en twintigste straat,” riep Raffles den chauffeur toe,

en daarop stapte hij in en zette zich naast Charly neder.

Een half uur later hield de auto stil op den hoek van de beroemde

New-Yorksche winkelstraat van de twee en twintigste straat.

Raffles zond den chauffeur weg, na hem te hebben betaald, en de beide

vrienden wandelden de twee en twintigste straat verder in, tot zij een

groot gebouw van grijzen steen hadden bereikt, waarvan de groote deuren

wagenwijd openstonden, en op welks plat dak in reusachtige letters, die

des avonds electrisch verlicht werden, het woord „Evening Press” te

lezen stond.

Raffles stond even stil, en vroeg aan Charly:

„Tot hoe laat kan men in deze stad en voor een avondblad als dit copie

ter zetterij geven?”

„De vorm sluit meestal om half vier, zooals men dat noemt, maar het is

mogelijk, in de zoogenaamde „Stop Press” wat wij Inlandsch noemen, ook

na dien tijd, zelfs nog onder het afdrukken van de krant zeer kleine

berichten te doen opnemen. Hiertoe bevindt zich in de zinken rol, welke

een geheele krantenpagina bevat, een los stuk, wat de vakman „wit”

noemt, en dat men er uit kan nemen, door de pers een oogenblik te laten

stilstaan, en dan kan men op dat gedeelte een klein stukje zetsel met

stalen klampen vastzetten, waarop men de pers opnieuw laat draaien,

maar nu vindt men in de plaats van het brok wit, een klein berichtje.”

„Voor groote berichten is dus waarschijnlijk nooit plaats?”

„Neen, het segment is nooit grooter dan een halve kolom, daar men

anders moeite zou hebben met het vastzetten.”

„Ik dank je voor deze technische uiteenzetting, Charly, die mij van

veel nut is. Wij zullen dus goed doen, zoolang mogelijk te wachten, en

ik weet daartoe geen betere plek dan het restaurant daarginds, dat

schuin tegenover het redactiebureau is gelegen.”

De beide vrienden wachtten een oogenblik af, dat een verkeersagent de

onophoudelijke file van voertuigen van allerlei aard een oogenblik liet

stilhouden, om de zeer drukke straat over te steken, waarop zij het

restaurant binnen traden, waar zij een plaatsje zochten dicht bij het

raam van de lunchzaal op de eerste verdieping, vanwaar men een

voortreffelijk gezicht had op het grootste gedeelte van de drukke

zijstraat, breeder dan menig hoofdstraat eener Europeesche metropool,

breeder dan het Strand, dan de Friederichstrasse te Berlijn, dan de Rue

Royale te Parijs.

Het was nog zeer stil in het restaurant, wegens het vroege uur en er

waren zoo goed als geen bezoekers.

Raffles knoopte een praatje aan met den kelner, een Italiaan, en het

duurde niet lang of hij had vernomen, dat vele journalisten van de

„Evening Press” de gewoonte hadden in dit restaurant te komen lunchen.

Toen de kelner zich weder verwijderd had, zeide Charly, die nog altijd

niet wist wat Raffles voornemens was:

„Ik mag gekielhaald worden, als ik begrijp, wat je eigenlijk van de

„Evening Press” wil!”

„O, het is heel eenvoudig, Charly, zij moet een berichtje opnemen van

mijn hand.”

„Maar steek dan eenvoudig de straat over en bied het aan!” riep Charly

verwonderd uit.

„Dat zou ik wel doen, mijn waarde, wanneer mijn bericht niet van

bijzonderen aard was,” hernam Raffles glimlachend. „Want zooveel weet

ik ook wel van de Amerikaansche bladen, dat zij, evenmin als eenig

ander blad ter wereld, een bericht van een haar geheel onbekend persoon

zullen opnemen, zonder eerst een deugdelijke bevestiging ervan te

hebben verkregen. Men schrikt er hier al evenzeer voor terug, een

bericht te plaatsen, dat later moet worden herroepen, als in de oude

wereld.”

„Je bericht berust dus op fantasie?”

„Het is van A tot Z gelogen,” antwoordde Raffles bedaard.

„Maar dan zal het blad het nooit opnemen!”

„Goedwillig waarschijnlijk niet, en daarom heb ik juist de medewerking

noodig van een der heeren redacteurs.”

„Denk je dat je met domooren te doen hebt, Raffles, en dat je een man

van de „Evening Press” een leugenachtig bericht op de mouw kan

spelden?”

„Wacht eens even, mijn waarde, voor ons beiden is het leugenachtig,

maar niets belet een buitenstaander het voor de zuivere waarheid aan te

nemen. Zeg mij eens, is de „Evening Press” nog al op sensatie belust?”

„Wat dat betreft, met de Globe mee spant het in dat opzicht wel

ongeveer de kroon.”

„Het kon niet mooier,” hernam Raffles. „Maar laten wij nu maar een

kleine wandeling maken, wanneer de heeren redacteuren hier toch komen

lunchen, zal ik hen niet misloopen.”

De beide vrienden dronken hun glas witten wijn leeg, stonden op, en

daar zij zich tamelijk dicht in de buurt van het Centrum Park bevonden,

wandelden zij een paar uren rond in dit schoonste park van New-York,

gedeeltelijk met huizen bezet, en begaven zich om twaalf uur weder naar

het restaurant in de twee en twintigste straat.

Zij hadden nauwelijks weder dicht bij een der ramen plaats genomen, of

er verscheen een troepje, voor het meerendeel nog jonge lieden, in de

wijdgeopende deuren van het redactiebureau, dat een gunstig oogenblik

afwachtte en daarop haastig schuins de straat overstak, in de richting

van het restaurant.

En het volgende oogenblik leek het wel, alsof alle huizen en

wolkenkrabbers in de straat letterlijk menschen uitbraakten, die bij

honderden en duizenden de straat vulden, als mieren dooreen krioelden

en zich repten, alsof zij werden voortgezweept.

Dat waren de tallooze winkeljuffrouwen, klerken, typistes en

stenografen, dagbladredacteuren en kantoorloopers, bureau-chefs en

schrijvers, die klokslag half een bij duizenden hunne kantoren

verlieten, om in een der bars, restaurants of lunchrooms te gaan

twaalfuren.

Het was een merkwaardig gezicht, zooals daar eensklaps de straat als

het ware volstroomde met een menigte, die eenige minuten achtereen als

zinneloos dooreenwemelde, en zich daarop als bij tooverslag weder

oploste, de verschillende eetgelegenheden hadden haar opgeslokt.

Het restaurant, waar Raffles en Charly hadden plaats genomen, werd

bestormd door een luidruchtige schaar jonge lieden van beiderlei

geslacht, snaterend, lachend, verheugd, dat zij gedurende ruim een uur

aan de muffe lucht van het kantoor waren ontsnapt.

In een oogwenk waren alle tafeltjes bezet, en de kelners liepen als

hazen heen on weer, voor zoover de jonge lieden zich niet zelf

bedienden aan het buffet, en betaalden met penningen van verschillende

bedragen, welke zij zich aan de kas hadden verschaft.

Niet ver van de beide vrienden had een half dozijn jonge mannen plaats

genomen, wier levendige gebaren aanstonds verrieden, dat zij tot het

geslacht der reporters behoorden.

Raffles had hen aanstonds herkend, het waren de redacteurs van de

„Evening Press”.

Hij beschouwde hen geruimen tijd, totdat Charly vroeg:

„Wat zoek je eigenlijk?”

„Ik zoek onder hen naar den mam, dien ik hebben moet. Ik bestudeer de

gelaatstrekken, laat mij nog een oogenblik begaan.”

Na tien minuten scheen Raffles gevonden te hebben wat hij zocht, en hij

bleef nu een jongen man van een jaar of dertig in het oog houden,

tamelijk opzichtig gekleed, met glanzend zwart haar, zorgvuldig

gescheiden, een bloem in het knoopsgat, en die de eene sigaret na de

andere rookte, zelfs onder het eten door.

„Dien moet ik hebben,” zeide hij halfluid, „dien knaap daarginds met

zijn grijs geruit pak.”

„Waarom juist hem?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Zie je niet, dat hij versche zalm besteld heeft?”

„Ja, dat zie ik, wat zou dat?”

„Een journalist, Charly, die in dezen tijd van het jaar versche zalm

eet, leeft boven zijn stand, neem dat maar gerust van mij aan. Hij

drinkt er bovendien witten wijn bij, en die is in deze gelegenheid ook

niet wat men goedkoop noemt. Is „Evening Press” een eersterangs blad?”

„Volstrekt niet. Het behoort tot de derderangs bladen, maar het wordt

toch zeer veel gelezen, vanwege de sensatieartikelen, waarin het blad

een bolleboos is.”

„De salarissen zullen er dus wel niet zoo heel erg hoog zijn?”

„Goede Amerikaansche journalisten verdienen over het algemeen meer dan

de Europeesche, en de zeer goede kunnen gerust welgesteld worden

genoemd, maar toch blijft er ook voor de Amerikaansche krantenmenschen

in dat opzicht nog heel wat te wenschen over.”

„Dank je. Maar daar gaat onze man, hij mag mij niet ontsnappen, kom

mee!”

HOOFDSTUK IV.

HET BERICHT IN DE „EVENING PRESS”.

De jonge man in het grijs geruite costuum was opgestaan, had zijn hoed

en regenjas van den kapstok genomen, en wendde zich naar de deur, na

zijn makkers vaarwel te hebben toegewuifd, en Raffles hoorde hoe een

hunner hem spottend achterna riep:

„Durf je Irene niet te laten wachten, Jack?”

De toegeroepene gaf geen antwoord, maar dreigde zijn kameraad lachend

met de vuist.

Charly en Raffles waren snel opgestaan, en volgden nu den jongen man,

zonder dat het opzien baarde.

Maar in de breede gang gekomen moesten zij zich nog al haasten, want

ook de journalist scheen gepresseerd te zijn, hij wilde zeker niet

mankeeren aan de afspraak met de jongedame, wier naam zooeven was

uitgeroepen.

Maar Raffles en Charly versnelden hun pas en juist in de vestibule van

het restaurant haalden zij den jongen man in. Raffles klopte hem op den

schouder.

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Jack, was het geloof ik, wanneer uw

afspraak u niet bepaald opeischt, zou ik gaarne een kort gesprek met u

voeren.”

De jonge man keek Raffles en Charly beurtelings verwonderd en ook wel

wat ongeduldig aan, en zeide toen:

„Pardon, maar ik heb niet het genoegen u te kennen.”

„Dan stellen wij u in de gelegenheid kennis met ons te maken, mijnheer

Jack,” hernam Raffles rustig. „Ik geloof, dat het u niet zal berouwen,

een oogenblik naar mij te luisteren.”

Hij liet zijn stem dalen tot een zacht gefluister, en vervolgde:

„Gij zult er toch zeker niets op tegen hebben, Uw blad een prachtige

primeur te verschaffen, die U zeker geen windeieren zal leggen?”

De jeugdige Jack zou geen Amerikaansch journalist moeten zijn, als hij

niet aanstonds de ooren had gespitst.

Hij keek Raffles even aandachtig aan, en zeide toen vastbesloten:

„Ik ben tot uw dienst, mijnheer.”

„En Miss Irene?” vroeg Raffles glimlachend.

„Die kan wachten,” antwoordde de jonge man schouderophalend. „Mijn blad

gaat altijd voor.”

„Zoo mag ik het hooren, mijnheer.... mijnheer....

„Mijn naam is Jack Flinton,” zeide de jonge man.

„Nu dan, mijnheer Flinton, wij zouden u gaarne uitnoodigen, ergens een

rustig plekje op te zoeken, het is namelijk volstrekt niet noodig, dat

derden hooren, wat ik u heb mee te deelen.”

„Het is dus van veel gewicht?” vroeg Flinton, wiens belangstelling was

gewekt.

„Van zeer veel gewicht, vooral voor u.”

„Wees dan zoo goed mij te volgen, ik weet in een der dwarsstraten een

eenvoudig wijnhuis, waar men mij goed kent en waar men mij gaarne een

vertrek ter beschikking zal stellen, waar wij ongestoord kunnen

spreken.”

„Wij volgen u, mijnheer Flinton.”

De drie heeren begaven zich op weg, en toen zij tien minuten later een

klein, door een Italiaan gedreven wijnhuis bereikten, had nog geen

hunner een woord gesproken.

Flinton wisselde eenige woorden met den eigenaar, die er uitzag als een

ware Rinaldo Rinaldini, met zijn gitzwarte oogen en zijn verwarden

zwarten baard, en wenkte daarop Raffles en Charly, waarop zij aan het

einde van de gelagkamer een trap van slechts weinige treden bestegen,

die naar een klein opkamertje bleek te voeren, dat slechts door een

enkel raam verlicht werd, hetwelk uitzag op een morsige binnenplaats.

De waard bracht een flesch wijn en drie glazen binnen, welke Raffles

aanstonds betaalde, ofschoon Flinton reeds naar zijn beurs greep, en

deze opende dadelijk de flesch, met behulp van den kurketrekker in zijn

zakmes, en met een handigheid en vlugheid, die bewezen, dat hij dit

werkje zeer vaak bij de hand had gehad.

De journalist schonk de drie glazen vol, nipte even aan het zijne, en

zeide toen:

„Voor wij verder gaan, zou ik gaarne uw naam weten, want als gij mij

iets hebt mede te deelen, is het van belang, dat ik dien weet.”

Raffles nam een teug van zijn wijn, glimlachte en zeide:

„Mijn naam, mijnheer Flinton? Och, die doet er waarlijk heel weinig

toe. Gij zult dit later zelf moeten toestemmen, als gij vernomen hebt,

wat ik u kom vragen.”

„Wat kan dat dan wel zijn, mijnheer?” vroeg Flinton, wiens beroepsijver

was gaande gemaakt, en die zeer nieuwsgierig was geworden.

Met de oogen strak gevestigd op den zwarten valschen parel, dien de

jonge man in zijn kleurige das droeg, begon Raffles:

„Ik zou u willen verzoeken, mijnheer Flinton, een berichtje in uw

avondblad van heden op te nemen, van tamelijk sensationeelen aard.”

Flinton keek Raffles met hoog opgetrokken wenkbrauwen aan, boog zich

toen met een ruk voorover tot dat zijn ellebogen op de tafel steunden,

en vroeg:

„Een primeur? Een mooie moord? Een inbraak van beteekenis? Een erfenis?

Een lijk gevonden? Is er iets niet in orde in Wall Street? Iets gaande

met den President misschien?”

Raffles schudde glimlachend het hoofd, en antwoordde:

„Niets van dien aard, mijn waarde heer Flinton. Het betreft de zaak van

Eleonore Manoury!”

Nu was dit wel is waar een Engelsch onderwerp, maar de geheimzinnigheid

van het geval maakte het toch ook voor Amerikaansche lezers zeer

aantrekkelijk, en daarom was Flinton een en al oor en hij herhaalde:

„Eleonore Manoury? De voormalige minnares van dien beruchten

misdadiger, Irwin Stanley?”

„Dezelfde, mijnheer Flinton.”

„De vrouw, die eergisteren uit de snijkamer van de Universiteit te

Londen geroofd werd door drie onbekende mannen?”

„Juist. Gij gelooft natuurlijk ook, dat die vrouw een lijk was, toen

zij door die drie mannen geroofd werd?”

Lord Lister No. 0394: Het einde van Irwin Stanley · 第 1 / 4 段