In de tiende stelling verklaart hij, dat de eenige roem, dien hij

begeert, is zijn volken te zien gehoorzamen aan die wet en alle

plichten te zien vervullen, die zij oplegt, en hij voegt erbij: "Het

is een moeilijke zaak voor een middelmatig mensch, om de zaligheid

deelachtig te worden, zooals ook voor iemand van rang, tenzij hij

door buitengewone verdienste alles hebbe opgeofferd; maar voor een

vorst is het nog veel moeilijker."

Indien de koning dan al een vurig proselietenmaker is, hij heeft toch

eerbied voor het geloof van anderen. Die gedachte drukt hij uit in

het twaalfde voorschrift.

"Pyadasi, de geliefde koning der Deva's, heeft eerbied voor

elk geloof. Hij eert tevens de bedelaars, door hun aalmoezen te

geven. Men moet alleen zijn eigen geloof liefhebben, maar men moet

dat van anderen niet beschimpen; dan doet men niemand onrecht. Er

zijn zelfs omstandigheden, waarin het geloof van anderen even hoog

moet gesteld worden. Door dat te doen, versterkt men zichzelven in

het geloof en dient tevens dat van anderen."

Onnoodig, de aanhalingen nog te vermeerderen. Het is die geest van

verdraagzaamheid, dien we vooral wilden laten uitkomen, want die

geest zou zich door de eeuwen handhaven in het Boeddhisme.

De andere opschriften, die een weinig beschadigd zijn, houden zich

bezig met het Soedarsana of mooie meer, waarvan men de sporen in het

dal heeft gezocht.

Zooals ik al zei naar aanleiding van de irrigatiewerken in den Uperkot,

men hield zich lang bezig met die vragen in Saurasthra. De opschriften

leeren, dat het meer het werk was van een onderkoning van Kathiawar,

die 300 jaar vóór Christus het aanlegde; dat het onder Asoka verfraaid

werd en toen 350 jaar onveranderd bleef. Maar na dien tijd, in 129 na

C. veroorzaakten hevige regens overstroomingen in het Girnargebied;

een orkaan wierp boomen omver, deed rotsen schudden, rukte deuren uit

hun voegen en vernielde de woningen. De wateren braken de dijken en

sleurden alles mee. Het scheen een onherstelbare ramp, en de raadgevers

van den koning deden er niets aan. Maar het volk vroeg luide naar

zijn "schoon meer" en koning Rudra Daman, die toen over Goedsjerat

regeerde, en die geen belastingen hief en geen heerendiensten vergde,

maar alles uit eigen fondsen betaalde, stond zijn onderkoning toe,

het meer te herstellen. Het opschrift zegt, dat die herstelling door

middel van een dam werd bewerkstelligd.

En er verliepen 310 jaren, toen in 449 op een nacht ten gevolge van

hevige regens de dam bezweek tot grooten schrik der bevolking. Zeven

jaren later slaagde de onderkoning erin, in twee maanden een dam te

bouwen van 150 voet lang, en 102 voet breed en 35 voet hoog. Hoe lang

hield het nieuwe werk stand en waardoor werd het vernield? Op welk

tijdstip nam de plantengroei weer de plaats in van die watervlakte,

die zich uitstrekte aan den voet van den Girnar? Wanneer trad de

liefelijke rivier Sonarekh binnen haar bedding terug? Geen enkele

overlevering maakt er melding van, en men weet zelfs niet, waar het

Soedarsana gelegen was! Een pandit heeft de plaats vastgesteld op

driekwart mijl van de stad naar het Oosten op weg naar den Girnar;

vondsten van metselwerk, hier en daar teruggevonden, hadden hem tot

die veronderstelling gebracht; maar in dat geval zou de weg naar

den Girnar afgesloten zijn geworden en de bedevaartplaatsen, zooals

Damodar Kund, zouden overstroomd zijn geworden en zouden ontoegankelijk

zijn. Naar de muurresten te oordeelen in de bedding der Sonarekh en

naar sommige golvingen van het terrein aan den linkeroever, denkt

men eerder de omstreken van den Uperkot als de plaats van het meer

te moeten aanwijzen.

Ons bezoek aan den Asokasteen was zeer interessant geweest, en

op den terugtocht wierpen we slechts even een blik op de mooie

natuur. Aangekomen bij het Lal Bagh, maakten we toebereidselen voor de

bedevaart naar den Girnar, die den volgenden dag zou plaats hebben. Van

de meest aangrijpende herinneringen van het Boeddhisme zouden we

overgaan tot de moderne werkelijkheid van een ermee wedijverende secte,

de Dsjaïna's.

Het ideaal van een heilig leven, door Asoka gedroomd, zou niet tot

Indië beperkt blijven. De leer van dat leven ging over de grenzen, en

de geest van het proselietisme, die het wezen van het Boeddhisme is,

zond zendelingen naar de verste landen, waar ze zielen wonnen. Er zijn

thans meer dan 500 millioen Boeddhisten in de wereld; in Indië en Birma

drie millioen. Het Brahmaïsme, dat tijdelijk achteruitging, maar nooit

verdelgd was, herkreeg zijn bloei in de achtste en negende eeuw, en in

de elfde joegen de Mohammedanen beslist het Boeddhisme uit Kaschmir

en Orissa, die alleen getrouw gebleven waren. De leerstellingen van

Boeddha waren echter niet verloren gegaan; zij voegden zich bij de

nieuwe elementen, met behulp waarvan het Hindoeïsme ontstond. Indië

wierp diegenen uit, die er niet pasten en behield wat bij zijn aard

en wezen paste. Het Boeddhisme liet echter op indischen grond, zooals

ik reeds zeide, een secte achter, die het overleven zou.

Het Dsjaïnisme heeft zijn oorsprong te danken aan Swami Mahavira,

metgezel van Boeddha, misschien wel zijn leermeester, als men

de teksten van de Dsjaïna's mag gelooven. Evenals de Boeddhisten

verwerpen de Dsjaïna's de Veda, als dat boek in strijd is met hun leer,

alsook de autoriteit der Brahmanen; ze houden geen rekening met de

offeranden en leven in strikte zedelijkheid. Zij gelooven, dat hun

verleden en hun toekomst van hun eigen handelingen afhangen en niet

van den wil van God, en ze hebben een grooten eerbied voor het leven

van menschen en dieren. Ze verdeelen den tijd in opeenvolgende era's

en kennen aan elke era vier-en-twintig Dsjina's of rechtvaardigen toe,

mannen, die volmaakt zijn geworden, door de menschelijke hartstochten

te overwinnen.

Er zijn er 24 geweest in het verleden; er bestaan in het tegenwoordige

ook 24, en er zullen 24 in de toekomst wezen. Ze plaatsen in hun

tempels kolossale marmeren beelden voor die Dsjina's.

De Dsjaïna's worden in twee groote secten verdeeld, de Digambara's,

in ruimte gekleed, en zoo genoemd, omdat de monniken van die secte

de gewoonte hadden, geen kleederen te dragen. In Indië is namelijk de

volkomen naaktheid aan zijn wijzen veroorloofd. De tweede secte is die

der Swetambara's, wier monniken witte kleederen dragen. Deze bedienen

zich steeds van een waaier en houden een lap voor den mond, om niet

te dooden, want kleine levende wezens konden in hun mond komen en den

dood vinden. Zij mogen een bedelschaal in de hand houden, om voedsel

in ontvangst te nemen, dat de geloovigen hun geven, wat de Digambara's

niet mogen doen. Dezen mogen de giften alleen in het holle van de

hand aannemen. De monniken wonen niet samen in kloosters; ze reizen

en trekken, leven van aalmoezen, en als ze behoefte hebben aan rust,

trekken ze zich terug in rusthuizen, die vermogende Dsjaïna's voor hen

hebben gebouwd. Vroeger waren ze verdeeld in talrijke broederschappen,

waarvan nu nog vier of vijf over zijn.

De leeken of Sjrawaks dragen noch heilig lint, noch teeken op het

voorhoofd, noch houten halsband. Ze onderwerpen zich aan bepaalde

reinigingen en hebben Brahmanen als dienstdoende geestelijken, al

vereeren ze de monniken hoog. Hun godsdienstplichten zijn niet te

vergelijken met die der Brahmanen, wier leven een onderwerping is aan

nietigheden van den dienst; de gebeden van de Dsjaïna's zijn noch lang,

noch ingewikkeld. De monniken worden aan geen enkelen regel gebonden,

en de leeken zijn enkel gehouden aan een bezoek aan de tempels, waar

ze driemaal moeten loopen om het beeld van hun heilige en buigen voor

de andere kleine beelden, onder het aanbieden van een offer en het

uitspreken van enkele formules.

Goedsjerat is het uitverkoren land van die rijke en belangrijke secte;

het aantal Dsjaïna's bedraagt in 't geheel nauwelijks een millioen.

Als men het Dsjaïnisme zou willen omschrijven, kan men niet beter

zeggen dan dat het een Boeddhisme is, voorzien van een mythologie

niet van goden maar van heiligen. Inderdaad is het ideaal van een

Dsjaïna een tempel te bouwen, waar hij het beeld van een zijner

Dsjina's plaatsen kan, het steenen gebed, zooals ze zeggen en wat ook

Fergusson heeft beweerd. Het gebed vindt dan zijn geloofsuitdrukking in

de schoonheid der architectonische vormen en de pracht van het geheel.

Zoo verklaart het zich, dat men zooveel prachtige Dsjaïna-tempels

door geheel Indië vindt, bij voorbeeld bij de Aravalli, op den berg

Aboe, in Bengalen te Parasnath; in Kathiawar op den heiligen berg

Satrunjaya, eindelijk tegenover ons op het plateau van den Girnar,

waar wij morgen den 22sten Dsjina gaan huldigen.

Het bergmassief van den Girnar bestaat uit vijf toppen, den Amba Mata,

bekroond met den tempel van de godin der primitieve tijden, Uma of

Parvati; dan den Gorathnath, den hoogsten van alle, 3600 voet boven

de zee; den Oghad Sikhara; den Datatreya en den Kalika.

De Girnar was waarschijnlijk al een bedevaartplaats vóór den tijd

van Asoka, te oordeelen naar de sporen van cellen van boeddhistische

monniken, die men er nog vindt. Zijn wonderbare geschiedenis wordt

verteld door Brahmanen zoowel als door Dsjaïna's; dertig hoofdstukken

van de godsdienstige jaarboeken vieren zijn heiligheid in verhalen,

die door de Brahmanen werden bedacht en gelegd in den mond van Siva,

hun geliefden god. Elke bedevaartplaats heeft zoo haar boek, waarin

zijn verzameld haar overleveringen, de godsdienstige gebruiken van de

plek, de herstellingen, die in de heiligdommen worden aangebracht,

de genealogie der heiligen, der weldoeners en der personen, die

bedevaarten er heen hebben ondernomen.

Volgens de Dsjaïna's hoorde Indra, toen hij aan Mahavira vroeg naar de

namen der 25 heilige toppen, dat de vijfde was de groote berg Raivata,

dat is de Girnar, die de vijfde wetenschap geeft, het eeuwig heil. De

giften en gaven, die men er brengt, gelden voor verdiensten in deze

wereld en in de andere, verdiensten, die alle zonden uitdelgen,

begaan gedurende vele zielsverhuizingen. De wijzen hebben er geen

materiëele zorgen meer; gelijk aan goden, brengen ze hun dagen door

met het beoefenen van vrome werken en met de aanbidding van Nemi. De

seizoenen zijn er betrouwbaar; de waterleidingen vloeien over van een

nectar, door de goden geschonken; en eindelijk brengt de herinnering

aan Raivata geluk. Het aanschouwen van den berg geneest ziekten,

en als men er is geweest, worden al onze wenschen vervuld.

Het landschap van den Girnar past bij zijn heiligheid. Het is er rustig

en de eenzaamheid is er nu nog even gemakkelijk te vinden, als toen de

berg bewoond werd door de monniken, die wijzen van de Veda's, aan wie

Indië goddelijke vermogens toeschrijft. De lachende dalen, besproeid

door heldere beken, de grotten, uitgehold in kloven in de rotsen,

hebben nog hetzelfde aanzien. Zoo als ten tijde der pelgrimstochten de

dichte menigte den top Amba Mata opgaat, in gewone tijden wonen alleen

de dienstdoende priesters bij de heiligdommen, waar ze in het warme

jaargetijde de aanwezigheid dulden van enkele bewoners van Junagadh,

die de koelte komen zoeken; maar priesters, pelgrims, vreemdelingen,

alle zonder onderscheid moeten zich onderwerpen aan de reglementen,

die o.a. verbieden dierlijk voedsel te nuttigen op den heiligen berg;

ook is alle handel er verboden, en kudden en herders moeten in de verte

op de vlakte blijven. De Girnar is een plaats van rust voor vermoeide

zielen, waar de Hindoe nieuwe kracht komt garen, bovennatuurlijke

kracht, naar hij meent, en waar hij die verdiensten erlangt, die hem

nieuwe beproevingen zullen besparen in nieuwe zielsverhuizingen.

Onze excursie naar de tempels van den Girnar had op 12 Februari

plaats. De heer C. Ch. Dhru wilde ons wel de noodige inlichtingen

geven en voegde bij al zijn goedheden die van ons te vergezellen.

Wij vertrokken tegen zeven uur in den morgen bij heerlijk

weêr. Wij zouden dezelfde etappen nemen als de pelgrims. Toen we

de Wagheswaripoort uit waren gegaan, volgden we den weg naar den

Asokasteen, dien we rechts lieten liggen. Nadat men de brug over is

gegaan over de Sonarekh, gaat men door een aardig dal, dat boschrijk

is en naar den Damodar Kund leidt, zoo genoemd naar Krisjna of

Damodar en een meer vormend van het water der Sonarekh. Er voert

een brug over de Damodar Kund, die gebouwd is op bevel van den diwan

Haridas. Het al te bescheiden opschrift vermeldt niet den naam van den

edelmoedigen schenker; er is slechts sprake van een zoon, die hoopt,

dat de zegeningen der pelgrims zijn ziel ten goede zullen komen, en

dat de verdiensten van het werk in aanmerking zullen worden genomen

naast die van zijn hoogvereerde moeder. Er wordt aan het water van de

Kund een vreemde werking toegeschreven, die namelijk van menschelijke

beenderen op te lossen, en daarom hebben de Hindoes een crematorium in

de buurt gebouwd of eigenlijk een verbrandingsterrein. Toen wij over de

brug gingen, steeg een lichte rookwolk boven de Burning Ghat omhoog,

een donkere en sombere vlek, die een weemoedige tint werpt over het

zonnige land. Wat heb ik nu al veel van die brandstapels gezien,

voor het meerendeel van arme menschen, zoo maar opgericht aan den

oever der rivier of aan een of ander zandig strand, opdat des avonds,

als de vloed opkomt, deze den doode, die misschien maar half verbrand

is, meevoere naar zee!

Aan den voet van den berg, te Chadani Vav, begon de eigenlijke

bergbestijging, en daar veranderde ons vervoermiddel.

De vier doli's en de zestien dragers, die besteld waren, wachtten ons

op. De doli is een soort van armstoel zonder pooten, gelijkend, naar

men zegt, op een romeinsch zadel, gedragen op vier lange stokken,

die rusten op de schouders van vier sterke koelies. Ik zal nooit

toestemmen, dat het een aangename manier van reizen is. Ik ben geen

liefhebster van den draagstoel, al had ik er in reisbeschrijvingen

soms vol geestdrift van hooren spreken.

Nu kan ik bijna niet onder woorden brengen, wat ik heb uitgestaan,

toen ik voor de eerste maal van dat vervoermiddel gebruik maakte. Het

was te Udvada; op den weg naar den Vuurtempel, dus vele mijlen ver,

liggend in dat smalle bed van antieken vorm en beschut door een

klein zeil, hoorde ik steeds de gejaagde ademhaling van mijn dragers;

ik zag het zweet vloeien langs hun bruine lijven. "Arme broeders,"

zei ik tot mijzelve, "vergeeft het mij, dat ik den moed niet heb, uw

diensten te weigeren!" En dat was een eenvoudig ritje over een vlakken

weg, die goed onderhouden was, terwijl nu een bestijging van meer dan

2000 voet moest plaats hebben. Toch was dat gevoel bij mij wel wat

overdreven; in den tijd der bedevaarten volvoeren de pelgrims soms

meermalen per dag den tocht omhoog en ze blijven er gezond bij. Zij

houden van hun vak, worden goed betaald en klagen niet.

Dus moest ik mij er wel in schikken; mijn staat van herstellende zieke

legt mij den plicht op, volgzaam te zijn, en mijn waardigheid van gast

van den diwan is mede een reden, om gehoorzaam de doli te bestijgen.

Stapje voor stapje, of eigenlijk trap voor trap, ging de

bestijging. Vroeger moesten de bedevaartgangers zich, zoo goed en

zoo kwaad als het ging, een weg banen te midden der rotsblokken en

van het rotspuin en op enkele plaatsen waren dan uitgesleten trappen,

terwijl vijf herbergen aan den weg hem onderdak of een verfrissching

boden. Maar nu hebben granieten trappen, die breed en gemakkelijk

zijn, maar nog al eens glad en vuil, en die om de rots heen loopen,

den ouden weg vervangen.

Die antieke trap was al gebouwd in 1166 en 1167 op kosten van een

zekeren Amba, zoon van Raning, van de kaste der Sjromali's; ze werd

hersteld in 1627 door een genootschap van pelgrims en eindelijk,

in 1899, door de zorgen van de Girnar lottery, die meer dan 500,000

francs uitgaf om de trap in den tegenwoordigen staat te brengen en

om bruggen te laten slaan op de gevaarlijke punten tusschen Ambaji

en Jorakhnath. Wij bepaalden de volgorde van den tocht. Vóór mij

mijn moeder, goed beschut door haar zonnepet en stevig gezeten in

den stoel op de schouders van haar dragers, dezelfde als van lord

Curzon naar het schijnt; haar trouwe François naast haar. Dan kom ik

en dan mijn secretaris, die in zijn hoedanigheid van gegradueerde

van de universiteit van Bombay, in diepe gedachten verzonken is,

waarvan het resultaat, zooals hij mij heeft verteld, een artikel zal

zijn in een der dagbladen van Surate.

Ik kan mij dus ongehinderd overgeven aan de overpeinzingen, waartoe

de plaats en de herinneringen uitnoodigen; maar weldra worden ze op

den achtergrond gedrongen door de bekoorlijkheid van het landschap;

ik zie alleen nog met mijn physieke oogen de bewonderenswaardige

tooneelen, die zich ontrollen en die winnen in grootschheid naarmate

we hooger komen.

Aan onze voeten liggen Junagadh, de Uperkot en de vlakten van Kathiawar

en rondom hebben wij de boschrijke hoogten van den Girnar. Het is

een verrukkelijk panorama.

De ernstige stilte wordt alleen verbroken door zachte geluiden in de

boomen; kleine, onschuldige aapjes spelen en doen den voorbijganger

geen hinder. Bij de eerste halt stegen we uit aan den eenzamen weg,

die sinds het woeden van de pest en den hongersnood verlaten is. De

bedevaarten worden niet meer gehouden, want ieder gaat op eigen

gelegenheid. Enkele pelgrims rusten in de herbergen uit; andere

klimmen naar de hoogten, en er zijn er ook, die met hun stokken al

hebben geraakt aan den heiligen grond van de toppen van Dattar en

Gorakhnath. Allen komen van ver. Als men rustig met hen kon praten,

wat zou men dan een goede voorstelling van de Hindoeziel krijgen,

en als men ergens de geheimen van die ziel mocht onderzoeken, dan

zou het zeker aan den Girnar zijn.

Jonge vrouwen, in haar kleurige gewaden, komen met neergeslagen oogen

van den Amba Mata, en de jonggehuwden brengen aan de godin cocosnoten

en andere geschenken, opdat ze hun zegen schenke.

Er waren veel asceten, die met verwarde haren en het lichaam met

asch bedekt, in lompen gehuld rondliepen; een van hen was in een grot

gehuisvest, waar we hem een bezoek brachten.

In de oogen van den Europeaan zijn die waardelooze wezens in een

goed georganiseerde maatschappij tot niets nut; maar voor den

Indiër heeft de godsdienstige bedelaar zijn reden van bestaan,

als de vertegenwoordiger van het oude ideaal van ascetisme en

armoede. Is in Manoe niet het ascetisme de laatste etappe van het

menschenleven? Volgens Boeddha is immers armoede de ware rijkdom. De

asceten van tegenwoordig worden in veel klassen verdeeld; op den top

van de ladder staat de Sanyasi, gewoonlijk Brahmaan van afkomst;

daarna, veel lager, volgen de Yogi's, de Bawa's, de Sadhoes en de

Gosains, die tot de lagere kasten behooren.

Die laatsten leven in groepen, bedelen van huis tot huis, doen aan

veel bijgeloovige gebruiken, en leggen zichzelven lichaamskwellingen

op. In groepen staande om de heiligdommen, maken ze deel uit van

de pelgrimages en komen ten laatste in de kloosters van hun secte

terecht. Soms komen ze aan den weg om, maar al zou men hen in Frankrijk

vagebond noemen, in Indië zijn het heiligen!

Die bedelaars worden er gerekend tot de groote moreele krachten van

het land. Zij dwalen zwijgend door de straten, bewegen zich onder

de menigte, komen in de tempels en in de gezinnen, en de grootste

moderne geesten zien in die ongelukkigen vertegenwoordigers van de

onsterfelijke denkers van den godsdienst. Er zijn zelfs ministers

geweest, die het hof en hun betrekking verlieten, om hun leven

in ascetisme te besluiten. Die minachting voor den rijkdom, die

niet zonder grootheid is, vindt men ook terug in de kringen van

studenten. Zoo stellen zich de professoren van Fergusson college te

Poenah tevreden met een allerminiemst salaris, en het zijn geleerden

van den allereersten rang.

Het leven van vrijheid en overpeinzing schijnt wonderlijk goed in

dit land te huis te zijn. "Wanneer toch zal ik", zoo vraagt de

boeddhistische monnik, "wonen in een grot op de bergen, alleen,

zonder metgezellen, met de bewustheid van de wisselvalligheid des

levens? Wanneer zal dat heerlijk lot het mijne zijn? Wanneer zal ik

wijs wezen en in kleeren van lompen, met niets, dat ik het mijne kan

noemen, en zonder begeerten, zonder liefde, haat en dwaling vroolijk

op de bergen wonen?"

De trappen, die al steiler worden, leiden naar een plateau, waar

de eerste tempels zijn gebouwd, eerste etappe op meer dan 2000 voet

hoogte. Men treedt er binnen door een groot portaal, dat tot een ruim

gebouw toegang geeft, een zomerpaleis of fort, waarvan de ruïnen nu

dienen als woning voor de priesters en hun bedienden.

Aan den ingang is het opschrift, dat een verkorte lijst bevat van de

vorsten uit de dynastie der Chudasama's. Vóór we binnengingen, werden

we gelaten in een koele, donkere zaal, waar men ons verzocht, onze

schoenen uit te trekken, om aardige laarsjes van rood laken ervoor in

de plaats te stellen, met goud geborduurd, waarna we waardig zijn de

gewijde ruimte te betreden. Er waren in de rotsen zalen uitgehouwen,

en zoo vormden de dsjaïna-tempels een soort van forten. Er was een

galerij omheen met cellen of nissen, die hetzelfde beeld vertoonen

in verschillende grootte.

Deze tempels zijn de mooiste van den Girnar; de andere, die in de

buurt verspreid zijn of op de hellingen der bergen, zijn minder rijk

of van jonger datum.

De eerste is die van Neminath, aan wien de berg is gewijd; oudtijds

was de hoofdingang aan den zuidkant; maar die entrée is verboden en

men komt nu binnen door een ingang in het Khengarpaleis. Het gebouw

staat op een vierkant plein van 190 bij 130 voet; op een zuil in

een der zalen zegt een opschrift, dat het in 1278 werd hersteld,

en hieruit kan men den ouderdom wel zoo wat afleiden. Er zijn twee

zalen en een heiligdom, waar een zwart marmeren standbeeld staat van

Neminath, behangen met versierselen van goud en edelgesteenten.

Rondom liep een gang met marmeren beelden, die oogen hadden van

rotskristal. In de tweede zaal bemerkt men twee platforms van fijn

gesteente, bedekt met afbeeldingen van voeten in paren, ter herinnering

aan de 2452 voeten der eerste leerlingen van Neminath. Natuurlijk

kan men nauwelijks een derde ervan terugvinden.

Al die wijde ruimten, overgoten met het heldere morgenlicht,

waren aangrijpend van helderheid en witheid. Er waren in de

zalen slechts enkele pelgrims en de brahmaansche priesters van den

Girnar. Onze tegenwoordigheid wekte in het minst geen onwelwillende

nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste betreden van een tempel der

Dsjaïna's; ik had nog nooit een dienst bijgewoond, zooals later in

Palitana en Calcutta, diensten, die trouwens zeer eenvoudig zijn en

hoofdzakelijk bestaan uit het zingen van priesters onder begeleiding

van muziek en het branden van wierook voor de beelden.

Ik hoopte, het beeld te zien van Amyhara, dat in een onderaardsch

verblijf wordt bewaard en waarvan het heet, dat het zweet.

Om den tempel loopt een gesloten galerij met opengewerkte afsluiting,

waarin kleine nissen met de vaak herhaalde beelden van den zittenden

Dsjina Parasnath. Aan den zuidkant leidt een doorgang tusschen

twee nissen of cellen naar een lage zaal, gesteund door granieten

zuilen. Tegenover den ingang stonden twee groote beelden van zwart

marmer, met daarbij een liggenden leeuw en een krokodil. Bij het

rookende licht van onze fakkels kon men weinig onderscheiden. Deze

onderaardsche verblijven maakten deel uit van de vroegere kloosters.

De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 3 / 4 段