De Sardar Bagh, die buiten de muren der stad is gelegen, is een

heerlijk doel voor een wandeling. Sardar khan, gouverneur van Sorath,

liet het huis in 1681 bouwen en richtte er zijn graf op; maar hij

stierf in Sind, waar zijn lijk is gebleven. De tuinen zijn met zeldzame

boomen beplant en versierd met vijvers en paviljoens, waar de menschen

de koelte gaan zoeken; maar de grootste aantrekkelijkheid van Sardar

Bagh is de menagerie. Er is daar te zien de eenige soort van leeuwen,

die nog in Indië bestaat en die in wezen blijft in de bosschen van

den Gir, waar enkele paren zich vermenigvuldigen. De tijd is voorbij,

toen de vorsten op de jacht naar groote roofdieren gingen.

Dat bosch van den Gir is bijna honderd kilometer lang bij 32 breed,

terwijl het grootste deel der oppervlakte in Junagadh ligt. Er liggen

ook dorpen en gehuchten in. In den regentijd worden de dieren in de

vette weiden gestuurd, die aan de waterloopen liggen.

Hier moet ik nog eens gewagen van de rooverijen, die zoo lang

Kathiawar berucht hebben gemaakt. De Gir diende tot toevlucht voor de

stoutmoedigste Kathihoofden; als ze hun rooftochten hadden gedaan en

hun veediefstallen en moorden volbracht, tartten ze daar de justitie

en de weerwraak van huns gelijken. In het begin van de vorige eeuw

verschool een Kathihoofdman, die in zijn erfrecht was gekrenkt,

zich er met zijn bende. In 1820 maakte hij zich van kapitein Grant

meester, een marineofficier in dienst van vorst van Baroda, en hield

hem vier maanden gevangen. De ongelukkige kapitein heeft interessante

aanteekeningen over zijn gevangenschap uitgegeven. Twee maanden lang

werd hij nacht en dag blootgesteld aan alle weêr in het slechte

jaargetijde en steeds bewaakt door twee mannen met den degen in

de vuist. De vrouwen in de dorpen kozen ten laatste zijn partij en

verweten den vorst zijn wreedheid.

Met geweld gedwongen door de roovers, om aan hun barbaarsche gebruiken

deel te nemen, kon hij als ooggetuige verklaren, dat ze in de dorpen

der vijanden hun komst aankondigden door de kinderen, die voor de

huizen speelden, het hoofd af te snijden. De jonge Kathi's spraken over

niets anders dan over de moorden, die ze reeds hadden begaan, terwijl

de grijsaards en wijzen en notabelen nachtelijke samenkomsten hielden,

waarin ze uitmaakten dat de mensch het dier is, dat het moeilijkst is

te dooden, want dat men nooit zeker is van zijn dood, als niet het

hoofd aan den eenen kant ligt en het lijf aan den anderen. Sombere

vergaderingen in den tijd, dat de leeuwen buiten brulden en om de

kampen slopen.

Dikwijls ging Bawavala, dronken van opium, bij zijn gevangene zitten

en vroeg hem, hoeveel slagen er, naar hij dacht, noodig zouden zijn,

om hem te dooden. Dan antwoordde de ongelukkige, die geheel uitgeput

was, nauwelijks verstaanbaar, dat een enkele slag wel voldoende zou

wezen. Maar het monster wenschte niet den dood van zijn slachtoffer;

hij wilde enkel de uitlevering van zijn bezittingen als losgeld. Het

was een afschuwelijk leven van die roovers, altijd de wacht houdend,

slapend naast hun paarden met den teugel om den arm, gereed om in

den zadel te springen bij de eerste beweging van het dier. Hun

voornaamste bezigheid was het uitplunderen van rijke reizigers,

die hun werden aangewezen.

Kapitein Grant werd gered door tusschenkomst der Engelschen, die van

den Nabab van Junagadh gedaan kregen de teruggave aan Bawavala van

de goederen, die het andere Kathihoofd had geroofd; maar hij bleef

zijn geheele leven ziek en verloor het geheugen. Om een denkbeeld

te geven van de moderne zeden, diene, dat de vrouwen nog den lof

zingen van Bawavala, den Robin Hood van Kathiawar. Wij zouden nog

meer staaltjes van lateren tijd kunnen melden, maar wat met kapitein

Grant is gebeurd, heeft min of meer een officiëelen stempel, en men

kan ons dan niet van overdrijving beschuldigen.

Een heele litteratuur is verbonden aan de heldendaden van de

bendehoofden. De heer C. A. Kincaid heeft onlangs een belangwekkenden

bundel het licht doen zien van oudere en nieuwere balladen, die op

hun heldenstukken betrekking hebben. Men kan er den geest uit leeren

kennen, die al sinds onheugelijke tijden in het land heerschte onder

de menschen, die geneigd waren de rechten van het individu te doen

voorgaan boven die der gemeenschap en tegen het gezag, welk dat

ook was. Ondanks zijn misdaden was de misdadiger sympathiek aan de

massa. Naast hem treedt dan het paard op, door de nationale dichters

niet minder goed behandeld dan zijn meester. Het is de blanke merrie

met de vlokkige, wapperende manen, die met wijd geopende neusgaten

de ruimte verslindt, in één sprong over de muren van dorpen springt

en zoo snel en licht zich beweegt, dat de vogels zich niet met haar

meten kunnen.

Thans is de Gir gastvrijer geworden. Men kan er veilig zich bewegen,

vooral als men vergezeld is door Engelsche ambtenaren. Sasan op

den zuidelijken oever van de rivier Hiran is de residentie van den

inspecteur van het boschwezen. Daar was ook het kamp van Lord Curzon

gevestigd. Vroeger was die plaats zeer ongezond en had zelfs aan die

ongezondheid zijn naam te danken, want Sasan wil in het Sanskriet

zeggen "straf", omdat men er de staatsgevangenen heen zond, opdat

ze spoedig zouden sterven door de slechte hoedanigheid van het water

ter plaatse.

De leeuw, die oudtijds de glorie van Pendsjab en Hindostan was,

is teruggedrongen naar deze boschrijke streek. Hij is niet de

mindere van zijn soortgenoot uit Afrika, noch wat grootte betreft,

noch wat den moed aangaat; de manen zijn zwart, bruin of geel, al

naar gelang van den leeftijd. Hij zal zelden een mensch aanvallen;

maar er worden gevallen vermeld, waarin hij een of meer slachtoffers

heeft gemaakt. In de menagerie van Sardar Bagh worden de groote,

welgeluchte kooien goed onderhouden, en de dieren zien er niet zoo

ellendig uit als in Europa. Ze worden ook niet vaak door bezoekers

lastig gevallen; en een knippen met de oogen of een gegrom is het

eenige, dat de bewaker erlangt, als hij ze wil doen opstaan. Met die

visite aan de leeuwen eindigde ons bezoek aan Junagadh.

De ruïnen van den Uperkot of de citadel van Junagadh liggen links

van den weg, die naar den Girnar leidt; wij kozen het eind van een

schoonen dag, om ze te bezoeken. Zij zijn begrepen in den stadsmuur

en bevinden zich op een soort van platform van natuurlijken aard

tusschen de stad en den berg; de muren, omringd door een diepe gracht,

zijn bijna zeventig voet hoog. Men komt er binnen door twee poorten;

volgens oude kronieken waren er drie en 84 torens. Het grootste

deel van het terrein is al lang ingenomen door de jungle, maar men

is onlangs begonnen met de ontgraving, en nu is de citadel in het

geheel niet meer in den deplorabelen toestand, dien Tod in 1822

beschrijft. Door een gunstbewijs, dat nog door geen enkel Europeaan

was verkregen, had de moedige reiziger kunnen binnendringen. Hoewel

het geen oorlog was, hield men er goed de wacht en de poorten werden

slechts ten halve geopend voor den reiziger. Overal zag hij verval

en verlatenheid. Het is nog een imposant monument van de militaire

mohammedaansche bouwwijze, die men terugvindt in vele vestingen uit

denzelfden tijd.

Het rijtuig bracht ons tot op de wallen; bij den ingang viel ons het

gewelf boven de deur op, dat een merkwaardig voorbeeld was van de

oude rajpoetische architectuur. Het is moeilijk den tijd van ontstaan

vast te stellen; maar als die poort van vroegeren datum is dan de

herstellingen, in de 15de eeuw aangebracht, zooals een opschrift

aangeeft, toch klimt ze niet hooger op dan de 18de eeuw.

In een sankrietsch werk uit de elfde eeuw van iemand, geboortig van

Goedsjerat, wordt gezegd, dat de vierde vorst uit het geslacht der

Chudasama's in de tiende eeuw overwonnen en gevangen genomen werd

en daarna weer in vrijheid gesteld door een vorst uit Goedsjerat,

dat hij vervolgens Vanthali verliet, dat zijn hoofdstad was, om zich

te Junagadh te vestigen, waar hij de citadel liet bouwen, hetgeen

verklaard wordt door de noodzakelijkheid, waarin de Chudasama's

waren, om zich te beschermen tegen de invallen van hun machtige en

oorlogzuchtige buren.

Een beslissend getuigenis brengt steun aan dat bericht uit de

elfde eeuw. De boeddhistische pelgrim Hioeën Thsang, die in de

zevende eeuw reisde en die zoo minitieus de steden, bergen en oude

grotten van Saurasthra heeft beschreven, maakt geen melding van den

Uperkot, bewijs, dat de citadel niet bestond toen hij in de plaats

was. In de elfde eeuw begint de geschiedenis van de belegeringen,

die zij had te doorstaan, eerst van de Hindoevorsten, dan van de

Muzelmannen. Overigens mag het fort ondanks de herhaalde capitulaties

trotsch zijn op zijn lang verleden. Het heeft dapper de aanvallen

weerstaan der veroveraars, die het op zijn bestaan voorzien hadden. Na

de opneming van Sorath in het mongoolsche rijk treedt de vesting in de

schaduw. In de 18de eeuw maakten de geldzuchtige Arabieren, wien men

achterstallige soldij schuldig was, zich er herhaaldelijk meester van,

en ze konden er slechts met moeite uit verdreven worden. Van dien

tijd af hebben de gevangenissen, die het bevatte, slechts gediend

voor de vorsten of de opstandelingen, van wie men zich wilde ontdoen.

Het monument, dat het eerst de aandacht trekt, is de moskee, een groot

gebouw van 136 bij 103 voet. Het uitwendige heeft niet veel stijl; het

is zwaar en lomp met de vier granieten zuilen op de hoeken; maar het

inwendige biedt een verrassing; er staan 140 zuilen in verschillende

rijen. Die der drie eerste, van den gevel af naar binnen, zijn dikker,

evenals die van de vijfde en tiende rij overdwars en zijn door bogen

samen verbonden, zoodat ze, als ze waren voortgezet, het gebouw

zouden hebben verdeeld in drie hoofdschepen in het midden en twee

zijschepen van de helft der grootte. De preekstoel ligt elf treden

boven den beganen grond, en de deuren zijn van prachtig bewerkt marmer.

De moskee, die onder Mahmoed Bigaré werd begonnen, is waarschijnlijk

nooit voltooid. Op de wallen staan twee zware kanonnen op de stad

gericht en beroemd in de geschiedenis van Junagadh. Het grootste is

bekend onder den naam van Nilam tope, het blauwe kanon; er staat een

arabisch opschrift op, dat er aan herinnert, hoe het stuk in Egypte

werd gegoten op bevel van sultan Soleiman, zoon van Selim Khan,

koning van Arabië en Perzië, om de vijanden van den godsdienst te

verdelgen en die van den staat,--dat waren de Portugeezen,--legers

toen de steden van Indië bezetten.

Achter de moskee ziet men aan den noordkant een merkwaardig staal van

den bouw in de rotsen, namelijk de zalen, die in 1879 ter gelegenheid

van het bezoek van Burgess werden ontdekt.

De opgravingen brachten twee rijen van in de rots uitgehouwen woningen

aan het licht, van een nog niet nader omschreven karakter. Onze

onderaardsche wandeling was zeer interessant; door de groote openingen

voor licht en lucht, die door de oorspronkelijke aanleggers zijn

uitgespaard, kan men de gidsen volgen, zonder vrees van in de

duisternis te verdwalen en door gebrek aan lucht te stikken.

Op de eerste verdieping was een groot réservoir, misschien een

vischvijver, aan drie zijden omgeven door een veranda, die overdekt

was. Aan den westkant is er een soort van platform, gelijk aan die,

waar men in tempels de beelden plaatst. Burgess denkt, dat de menschen

er hun kleederen neerlegden, als ze zich baadden, en men kan nog

sporen vinden van een buizenstelsel, dat het water aanvoerde uit een

put in de buurt naar een kleinen regenbak aan den ingang, opdat het

gezuiverd zou wezen, voordat het in het réservoir kwam.

Het vertrek boven de baden, als men ze zoo mag noemen, ligt open

en aan den kant, van waar het licht komt, staat een laag muurtje,

zoodat door een wijde opening dat licht binnenstroomt. De gang aan

den zuidkant vertoont twee zuilen met achtkantigen voet, welker

kapiteelen met bloemen zijn versierd en met andere versieringen, die

alle ongelukkig in zeer slechten staat zijn. Wij toefden lang in de

zaal der baden, vóór we heengingen.

Men kan deze rotswoningen niet beschouwen als bij een klooster

behoorend; eerder doet de nabijheid van een oud paleis, het Khengar

Mehal, vermoeden, dat ze een dépendance waren van dat huis, dat, in

de jungle gelegen, overgeleverd is aan de moderne exploiteerders van

een steengroeve. Het was nog te herkennen aan den 250 meter langen

gevel in de rots uitgehouwen en gesteund door massieve pilaren, en

bestond uit een doolhof van zalen, gangen en trappen. God behoede mij

ervoor, daarmee den lezer lastig te vallen. Liever wil ik bij u de

herinnering wekken aan de bewoners van die onderaardsche woningen, die

zeer zeker aangename verblijven waren in den tijd van groote warmte,

maar die in geen enkel opzicht gelijken op de kloosters en de lichte,

sierlijke bouwwerken, over de heuvels van den Girnar verspreid.

In den Uperkot of de vesting vinden wij twee groote putten, die uit

den tijd der Chudasama's dagteekenen. De eene, de Adi Sjadi, werd

aangelegd door twee slavenmeisjes van een der vorsten dier dynastie,

en men daalt erheen af langs steenen trappen; de andere, de Noghan,

klimt op tot de elfde eeuw. Een gang van tien voet breed, in een

spiraal in de rots gehouwen, leidt langs 235 treden in de diepte,

namelijk tot ongeveer 120 voet. Ze wordt verlicht door openingen in de

rots; aan den eenen kant is een soort van balkon, waar een bedwelmende

drank werd bereid in een grooten bak, dien men nog herkennen kan. Er

wordt verteld, dat het hof er bacchantische feesten kwam vieren.

Duiven vlogen rond boven een der putten, die door gebladerte

overschaduwd werd. Ik wilde er in afdalen, maar de vochtigheid en

vooral de stank van het erin staand water noodzaakten mij terug te

gaan. Maar wel had ik er genoeg van gezien, om mij rekenschap te geven

van die soort van putten, die zoo nuttig moeten zijn geweest. Want

is niet het water een groote weldaad voor het Oosten? Hij, die het

zijne bijdroeg tot de bewaring en verspreiding van een zoo nuttige

stof, deed een gezegend werk, en werken van irrigatie hebben al van

de oudheid af de regeerders van deze streken beziggehouden. Wij zullen

daarvan ook een bewijs vinden aan den voet van den Girnar. Ook moderne

werken van dien aard zijn in den Uperkot uitgevoerd.

De vesting zag er in het roode licht van den vallenden avond

schilderachtig uit; de ruïnen en de met boomen bedekte heuvels

boeiden het oog; op een ouden muur vertoonden pauwen hun prachtig

gevederte, en van de wallen overzag men de stad en de vlakte, al in

schemering gedompeld, terwijl links zich de majestueuse top van den

Girnar verhief.

Boeddhistische grotten en holen komen er veel voor in Junagadh;

Hioen Thsang heeft ze ook vermeld.

Er waren in zijn tijd meer dan 50 kloosters en bijna 3000 monniken,

en daarbij honderden tempels, waar monniken van verschillende secten

in vrede leefden. Ondanks de verwoestingen door den tijd aangericht,

en ondanks 400 jaren van mohammedaansche overheersching, treft men nog

belangwekkende sporen van het boeddhistisch tijdperk aan. De reizigers,

die van het land spreken, zeggen, dat de streek letterlijk met cellen

was overdekt.

Dat kluizenaarsleven is een der karakteristieke eigenaardigheden van

het Boeddhisme. Ieder mocht gaan wonen in de bosschen of de grotten

van het bergland, en als de regentijd daar was, kon de heremiet

zich voegen bij zijn collega's, die in de kloosters of vihara's

woonden. Die kloosters bestonden, schijnt het, uit een plein,

omringd door cellen, met galerijen, die versierd waren. De cellen

in de open lucht zijn verdwenen en enkel die zijn overgebleven,

die in de rotsen waren uitgehouwen. De oudste inrichting schijnt te

zijn geweest, dat de kleine cellen op rijen lagen met een veranda,

die op pilaren rustte. Aan de westzijde is er aan het bouwwerk meer

zorg besteed dan aan het beeldhouwwerk. Het dak wordt door zuilen

gedragen, en een zuilengalerij geeft toegang tot een diepe zaal,

waar de monniken dienst hielden en hun Boeddha's aanbaden. Aan den

oostkant van den Uperkot bij het klooster Bawa Pyara vindt men ook

van die onderaardsche woningen; maar hoe een denkbeeld te geven van

dien overvloed van gangen en zalen en cellen? Er bestaat trouwens

geen twijfel aan de bestemming van de bouwwerken.

Hoe opgestapeld de aarde en het puin ook zijn in die zalen, de kenners

hebben er de inrichting van een vihara in herkend. Ik mocht er niet

binnentreden, en ik had ook inderdaad genoeg aan het uitwendige; de

verbeelding stelde mij in staat, mij het leven van de monniken voor

te stellen. Een opschrift leert, dat de holen ingericht waren voor de

Dsjaina's door de koningen van Saurasthra op het eind van de tweede

eeuw der christelijke jaartelling, of dat ze hun geschonken waren toen

de Boeddhisten er geen gebruik meer van maakten. Het kloosterleven

der Dsjaina's gelijkt, zooals bekend is, veel op dat der Boeddhisten.

Verder in de jungle, te Maï Godesji, waren onder een ouden

Hindoetempel, die in een moskee is veranderd, andere kamers; die

behoorden waarschijnlijk niet bij een klooster, maar ze werden zeker

gebruikt als die in den Uperkot.

Van alle overblijfselen van den boeddhistischen godsdienst in

Saurasthra is er geen enkel zoo belangrijk als de opschriften op

den Asokasteen. Wij wijdden daaraan een morgen. Men verlaat dan de

stad door de Wagheswaripoort in het Zuidoosten, en laat den Uperkot

links liggen. Het is tevens de weg naar den Girnar. Vroeger hadden

de reizigers, die naar de tempels gingen, te kiezen tusschen een

wandeling en een draagstoel; thans leidt een rijweg naar den voet van

den berg, en ons rijtuig reed een smal dal binnen, beplant met teak-

en ebbenhoutboomen.

In het begin der 19e eeuw legde de rijke paardenkoopman Sundarji, van

Junagadh uit, een weg aan, waar hij boomen met rijk gebladerte langs

liet zetten, opdat de pelgrims in de schaduw zouden kunnen uitrusten,

zoodat men aan hen de ontdekking van den Asokasteen te danken heeft,

want zonder dit voorbereidingswerk zou het monument nog verborgen

wezen in de onontwarbare acaciaboschjes, die het omringen.

De eerste, die er melding van maakt, kolonel Tod, heeft een

levendig verhaal gegeven van zijn ontdekking in December 1822. Bij

de samenkomst van de door Sundarji geplante laan en de Sonarekh,

een der talrijke riviertjes, die den voet van den Girnar besproeien,

komt een breede weg, evenwijdig aan de laan, uit bij een brug met

drie bogen en voorzien van een leuning. Voordat die brug gebouwd was,

liepen de pelgrims in den regentijd gevaar, door het water der rivier

te worden meegesleurd, en veel ongelukken gebeurden er.

Nadat men den weg heeft verlaten en naar rechts is gegaan, bereikt

men den Asokasteen. Tod heeft hem beschreven als "een zware massa in

den vorm van een halven cirkel van zwart graniet, die als een wrat op

het menschelijk lichaam de schors van onze moeder aarde had doorboord,

zonder een spleet of scheur te maken."

De oppervlakte, die de steen besloeg, was 10 voet. De steen was in

afdeelingen verdeeld of parallelogrammen, die opschriften in antiek

schrift bevatten. Tod begreep, dat hij zich in de tegenwoordigheid

bevond van een nog niet leesbare bladzijde der historie; hij bepaalde

zich er toe, zijn secretaris te verzoeken twee der opschriften en

een deel van het derde af te schrijven. En er werd in dertien jaren

niets meer gedaan.

In 1835 onderzocht Dr. Wilson, die tegen het vallen van den avond

van den Girnar daalde, de opschriften, nog steeds onontcijferbaar

geacht, ofschoon ze reeds de aandacht van de geleerde wereld hadden

getrokken. Hij liet er afdrukken van nemen in 1837 en trachtte tot

het begrip er van te komen, maar Prinsep was hem in 1838 voor met het

vinden van den sleutel tot het nieuwe letterschrift. Door een gelukkig

samentreffen had luitenant Kittoe te Dhauli een lang opschrift ontdekt,

dat bijna identiek was aan dat te Junagadh, en kapitein Birtes liet

een opschrift overnemen, dat gegraveerd was op een rots dicht bij het

dorp Sjah-baz-garhi, 36 mijlen ten noorden van Peshawar, ook identiek

met die van Girnar en Dhauli.

Het was voor diegenen, die zich aan de bestudeering van de teksten

wijdden, noodig correcte copieën te hebben en welverzorgde afdrukken

van al die figuren. In 1838 werd luitenant Postans door het bestuur

van Bombay naar Junagadh gezonden, om de opschriften te copiëeren

en Burgess kwam in 1869 afdrukken maken. De steen was in die dagen

door een kluizenaar bezet, die er zich een soort van hut naast had

gebouwd en hout rondom had opgestapeld. De regeering van Bombay, van

die feiten op de hoogte gebracht, richtte vertoogen tot den eersten

minister van Junagadh, die over den steen een dak liet bouwen. Dat

werd later vervangen door een soliede en fraai gebouwtje, waarin wij

het genoegen hadden, eenige oogenblikken te rusten. Wij zullen de

geleerden niet volgen in hun ontcijferingswerk en in hun verklaringen

der opschriften. De opschriften zijn van het hoogste belang; men heeft

ze terecht vergeleken met den steen van Rosette, met de opschriften

op rotsen te Bisitoen, en met de steenbibliotheken van Assurbanipal.

Een enkel woord over den vorst, van wien ze uitgingen. Asoka Biyadasi,

koning van Magadha of Behar, die in de derde eeuw vóór Christus

regeerde en tot het Boeddhisme werd bekeerd, legde er zich met ijver op

toe, zijn godsdienstige denkbeelden te verspreiden. Er wordt gezegd,

dat hij 64.000 priesters onderhield en kloosters stichtte in zoo

groot aantal, dat zijn land nog het land der kloosters wordt genoemd,

der vihara of behars. Hij maakte het Boeddhisme tot staatsgodsdienst,

stelde een raad in, om de geloofsartikelen te verklaren, verspreidde

zedelessen, benoemde een ministerie, om de zuiverheid der leer

te handhaven en gaf bevel tot een herziening van den kanon der

boeddhistische geschriften.

Terzelfder tijd verspreidden legioenen van zendelingen zijn leer tot

in de verste streken, en zijn wereldlijke macht zette kracht bij aan

het prestige zijner boodschappers.

Het monument is niet het eenige van zijn soort; veertien opschriften

op rotsen in Indië verspreid, geven dezelfde voorschriften. Deze

steen van Asoka telt veertien edicten of wetsbepalingen van Asoka

en twee opschriften, die betrekking hebben op de herstelling van een

oud réservoir, de Soedarsana.

Men kan de voorschriften van Asoka aldus samenvatten:

Ten eerste werd verboden dieren te dooden, om ze te eten of te offeren.

Ten tweede werden voorschriften gegeven omtrent geneeskundige hulp

voor menschen en dieren, omtrent aanplantingen en putten aan den kant

der wegen.

Ten derde werd bevolen, zich alle vijf jaren aan een boete te

onderwerpen en opnieuw de groote zedelijke waarheden van het

boeddhistisch geloof te publiceeren.

Ten vierde werd een vergelijking getrokken tusschen den ouden staat

van zaken en de nieuwe richting van den koning.

Ten vijfde moesten er zendelingen worden benoemd, om de leer in

vreemde landen te gaan verkondigen.

Ten zesde werd de gelofte verplicht gesteld, dat men gelijkheid van

rang en stand zou handhaven.

Ten zevende werd de aanstelling van zederechters verplicht gesteld.

Ten achtste werd op het verschil gewezen tusschen de materiëele

genoegens van de voorgangers van den koning en zijn eigene.

Ten negende werd een uiteenzetting gegeven van het ware geluk, dat

slechts in deugd te vinden is, waardoor de zegeningen des hemels den

mensch te beurt vallen.

Ten tiende werd een vergelijking gemaakt tusschen den vergankelijken

roem dezer wereld en de hemelsche zegeningen, waar de koning naar

haakt.

Ten elfde werd een verklaring gegeven van de stelling, dat de grootste

van alle gaven, die men aan zijn medemensch kan schenken, is hem de

deugd te leeren.

Ten twaalfde wordt een woord tot de geloovigen gericht.

Om eenig denkbeeld te geven van de voorschriften en van den stijl

des koning-schrijvers, kiezen we het achtste, dat de bekeering van

den koning tot het Boeddhisme inhoudt.

"In vroegere tijden kenden de koningen de pleizierreizen, de jacht

en andere vermaken. Maar Pyadasi, de geliefde koning der Deva's,

tot het tiende jaar zijner regeering gekomen, heeft de volmaakte leer

van Boeddha leeren kennen, en zal alleen die wet verspreiden.

De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 2 / 4 段