Een lage deur voerde ons in een duister vertrek, waar we werden

verzocht om af te dalen of liever ons te laten zakken in een lagere

zaal. Daar troont in eenzame majesteit, in eeuwig zwijgen, het beroemde

beeld van Parasnath. Toen ik in zijn tegenwoordigheid werd toegelaten,

kon ik niet nalaten een stap achteruit te doen. Het type is dat van

de andere Dsjaïna-beelden, met de handen gekruist over de zilveren

voeten, die ook gekruist zijn, het gelaat verlicht door groote,

amandelvormige oogen, aangeduid door schitterende plekken, en den

fijnen mond, die glimlacht, terwijl de lange oorlellen op de schouders

afhangen. De vlam speelde op die zonderlinge figuur met felle licht-

en schaduwplekken, en de indruk was niet aangenaam, zoo onaangenaam

zelfs, dat ik geen aandacht had voor een der andere beelden, o.a. dat

van Neminath aan mijn rechterhand, en dat ik gauw mijn plaats afstond

aan mijn moeder en de anderen. Dit beeld wordt in hooge eere gehouden

door de leden der secte en door de priesters. Wat de legende betreft

van den fameusen waterdruppel, die uit zijn oor vloeit en een gat

boort in den schouder, daar zal ik niet bij stil staan. Toch heeft

hij aan het beeld den naam van Amyhara bezorgd, dat is druppel nectar.

Met veel genoegen stegen we weer omhoog naar het licht en na het

verblijf in die vochtige holen was het zien van het zonlicht een

vreugde. Op den Girnar behoeft er geen vrees te bestaan, dat het

felle licht den indruk der heiligdommen zal bederven. Het speelt

integendeel in het beeldhouwwerk der plafonds, glijdt langs de nissen

en om de pilaren en doet nooit die vervallen oudheid zien, die in

andere deelen van Indië de monumenten kenmerkt. Het is of de Girnar

een eeuwige jeugd geniet.

Nu moesten wij nog een oog slaan op de pleinen, waar geen duimbreed

gronds ongebruikt is gelaten. Men heeft er heiligdommen opgericht

voor schutsgoden, bij voorbeeld Amba Mata, en kleine monumenten zijn

gebouwd boven de voetstappen der hoogepriesters.

Ons links wendend, zonder den eigenlijken tempelkring of Deva Kota te

verlaten, vonden we een groep van drie tempels, die van Rishabhdev,

Merakvasi en Sangharam Soni. De eerste bevat het kolossale beeld

van Rishabhdev, den eersten Dsjina of Tirtankara; het is bedekt met

pleister en draagt op elken schouder een staanden persoon in een

houding van nadenken. De beide andere munten uit door de schoonheid

der zolderingen en de détails van het beeldhouwwerk; het is alles

schitterend. Tot aan den tijd van ons bezoek was het onmogelijk

gebleken, er een photografie van te nemen door het witte en diffuse

licht, dat tot in de verste hoekjes dringt. Misschien is men er later

beter in geslaagd. Het heiligdom ligt op het Westen, een omstandigheid,

die verklaard wordt door de vroegere bestemming van deze monumenten,

die paleizen waren. Woonden in dergelijke woningen de echtgenooten

van de Chudasama's? In den tempel van Sangharam Soni herkent men nog

het best aan de proporties een koninklijke residentie. Die tempel is

gewijd aan Parasnath, wiens modern standbeeld er te zien is.

Buiten de Deva Kota vinden we eerst den tempel van den Rajah Samprati,

die zeker de mooiste is door de gratie zijner lijnen, zijn prachtige

ligging op de helling van den berg, en zijn plafondschilderingen,

waarin de kunstenaars der Dsjaïna's zichzelven hebben overtroffen. Hij

is ook de oudste van de groep van den Girnar; een opschrift in het

inwendige geeft als tijd van de stichting het jaar 1158 aan.

Aan de noordzijde, een weinig afgezonderd van de groep, staat de

Kumarpal, waarvan het lange portiek door 24 zuilen wordt gedragen. Het

gebouw was in de vorige eeuw bijna verwoest; er was nog slechts een

enkele zaal over. Toen de Dsjaïna's tot de herstelling besloten,

bespeurden ze, dat een sivaïetisch bankier er bezit van had genomen,

om er een voor hem heilig beeld te plaatsen. In wanhoop dreigden ze,

dat ze, als men hun het eigendom niet teruggaf, tot de plechtigheid

van het _dharna_ te zullen overgaan, dat wil zeggen, bij de poort

van den tempel te gaan zitten en te vasten tot de dood zou intreden,

zoolang ze hun bezit niet terug hadden. De partijen kwamen tot een

vergelijk, en volgens het opschrift had de restauratie in 1824 plaats;

het heiligdom bevat drie beelden.

Eindelijk is er ten oosten van de Deva Kota, rechts van den weg die

naar het heiligdom van Amba Mata leidt, de drievoudige tempel van

Vestupal Tejpal. De dsjaïnische kunst ontplooit er al haar pracht in

de versiering der zolderingen, der pilaren en der koepels; ongelukkig

heeft het beeldhouwwerk veel geleden. Het monument is zeer oud en werd

in 1229 opgericht door den minister van een koning van Goedsjerat en

zijn broeder.

Het bezoek der tempels, hoe vlug het ook plaats had, was lang en

vermoeiend geweest; ik heb er slechts een flauw denkbeeld van kunnen

geven, en moet veel karakteristieke détails voorbijgaan; maar daar ik

er geen foto's van kon krijgen, zou de beschrijving geen doel treffen.

De heer K. Ch. Dhru noodigde ons op een déjeûner in de voor gasten

bestemde zaal; maar in zijn hoedanigheid van Brahmaan mocht hij

niet aan onzen maaltijd deelnemen. Aan tafel liep het gesprek over

de dingen, waar wij van vervuld waren, vooral over den oorsprong en

de ontwikkeling der dsjaïnische kunst.

Het was trouwens slechts de herhaling van de meeningen der groote

autoriteiten en van de indrukken der reizigers, in het bijzonder

van Tod, wiens levendige beschrijvingen mij lust hadden gegeven,

naar Girnar te gaan en mij tot geestdrift hadden gestemd.

Minder begunstigd dan hij, werd het ons niet vergund, den nacht

door te brengen op het mooie platform van de Deva Kota, en geen

bliksemstraal, die de wolken scheurde, stond ons toe, met een enkelen

blik de vlakten van Kathiawar en de verre oevers van Mangrol en Pattan

te omvatten. Doch waarom getreurd, de helderheid der atmosfeer, het

vriendelijke landschap, de zachtheid der temperatuur passen bij een

streek, die de woonplaats der goden is geweest, en dat is de indruk,

dien wij wenschen mee te nemen.

Toen het déjeûner was afgeloopen, hervatten we onzen tocht naar den

top van den berg; we moesten nog 600 voet stijgen. Links van ons

boven de tempels teekende zich op de lucht een groot blok graniet

af, de Bairav Jap, Sprong van den Dood, van waar de ongelukkigen,

die met de bevrijding van hun kwalen de belooning hoopten te vinden

voor hun wanhoopsdaad, zich naar beneden stortten, een belooning,

die hen van treurig misdeelden en nederige proletariërs zou maken

tot heeren en vorsten in het paradijs van Indra.

Het slachtoffer, gedost in zijn mooiste kleederen, gaat naar den rand

van den afgrond; met den voet rustend op een cocosnoot, balanceert

hij een oogenblik en glijdt dan in het ledige, waar zijn lichaam op

de punten der rotsen te pletter valt. Er werden ons veel voorbeelden

genoemd van deze soort van godsdienstigen zelfmoord; maar de engelsche

politie verzet zich krachtig tegen de ellendige praktijk. Meestentijds

zijn de ongelukkigen van beperkt verstand, door geestdrijvers ingepakt

en soms onder den invloed van alcoholische dranken.

Tweehonderd meter boven de Deva Kota moet men niet verzuimen, een blik

te werpen op het heiligdom van Mahadav en zijn heilig waterbekken,

waar de pelgrims hun wasschingen moeten verrichten.

Wij bestijgen de laatste treden, die naar den tempel van Amba Mata

voeren, en terwijl onze beminnelijke gids zijn godsdienstplichten

vervult, brengen wij een bezoek aan het inwendige. De priesters

haastten zich een armen asceet te verjagen, wiens staat van naaktheid

zijn verdwijning achter de rotsen rechtvaardigt.

De tempel, die tot vrij hooge oudheid opklimt, is van zwart graniet

gebouwd; hij was vroeger door een portiek omgeven, maar de bogen zijn

dichtgemetseld. In 1889, toen de bliksem het gebouw had beschadigd,

werd het hersteld door de Hindoes van Junagadh. Het inwendige is zoo

donker, dat men ternauwernood het beeld van Amba Mata kan herkennen,

de godin der oude tijden, een der gedaanten van Uma of Parvati.

De zindelijkheid liet veel te wenschen over, en enkele reizigers

hebben de weinig vleiende opmerking gemaakt, dat de tempel niet

geveegd schijnt te zijn, sinds de Boeddhisten of de Dsjaïna's hem aan

de Brahmanen hebben afgestaan. Wij offeren ons penningske, en we gaan

het uitzicht bewonderen, want van den Amba Mata kan men het gansche

bergstelsel van den Girnar overzien. In het Oosten, vrij dicht bij ons,

de Goraknath, gekroond met een tempeltje, gewijd aan den leerling van

den een of anderen heilige; wat verder de Dattar, die geen spoor van

eenigen plantengroei vertoont op zijn flanken van graniet; op den top

staat een gebouwtje, dat de voetstappen van Neminath bedekt, en waar,

naar beweerd wordt, de dsjina het Nirvana bereikte; en eindelijk,

lager, de Kalika met een tempel voor de godin Kalika. Lagere bergen

staan als een gordel om de hooge, en in het Zuiden breidt zich het

woudgebied van den Gir uit. Alle dalen van het bergland en der lagere

ketenen zijn bosch- en wildrijk.

De Kalika staat in een niet te besten reuk, waardoor de geheele

groep van bergen min of meer berucht is. Hij heeft tot in de jongste

tijden tot woonplaats gediend aan de Aghori's. Een Aghori is iets

verschrikkelijks, oordeelt men in Indië, en niet ten onrechte, zooals

wij zullen zien.

Als godsdienstige secte zijn de Aghori's zeer oud en worden in de

geschiedenis vermeld als menscheneters. De schrijver van "Dabistan",

een werk uit de 17de eeuw, verhaalt, dat hij een Aghori gezien heeft,

die een lijkzang zong, zittend op een lijk, dat hij verslond, ofschoon

het al tot ontbinding was overgegaan. Deze schepsels aanbidden de

godin Aghori Mata, maar van eigenlijken godsdienst kan bij hen geen

sprake zijn, evenmin als van eenig wijsgeerig systeem, al beweren zij,

dat ze de logische consequenties aanvaarden van de pantheïstische

philosofie der Vedanta. Vroeger deden ze aan menschenoffers, en de

plechtigheden bij hun inwijding waren iets monsterachtigs, terwijl

ze tot op onzen tijd nog zeer weerzinwekkend moeten wezen.

Het is bewezen, dat de leden der secte gedwongen worden,

menschenvleesch te eten; om zich te verontschuldigen, beweren

zij, dat hun hoofden hen uit de gemeenschap zouden stooten, als ze

weigerden, zich aan die afschuwelijke gewoonte te onderwerpen, en dat

ten overvloede de smaak van menschenvleesch hun de kennis verschaft

van de onzienlijke dingen. Ze komen niet dikwijls te zamen; maar te

Benares zijn er nog velen en daar zwerven ze om de kerkhoven rond,

om den deelnemers aan begrafenissen geld af te persen.

Ziehier het portret van den Aghori, geteekend door de hand van een

kenner. "Zwart, vuil, harig, de oogen met bloed beloopen, de neusgaten

wijd uitstaande, lange nagels, een met zweren bedekt lichaam, het haar

vol ongedierte, in volkomen naaktheid, zoo is de Aghori. Hij ziet uit

de oogen als een krankzinnige, lacht ook als zulk een ongelukkige,

laat de tong uit den mond hangen en heeft vuile tanden. Nooit wascht

of reinigt hij zich; hij voedt zich met krengen en lescht zijn dorst

met rottend water, in de eene hand houdt hij een schedel vast en

in de andere een of ander martelwerktuig. Aldus heeft Malabari hem

beschreven.

De Aghori's hebben altijd schrik verspreid, waar ze zich vertoonden,

en op het platte land vreesden hen de moeders, omdat men kinderroof

van hen kende. Hun voornaamste verblijf was de berg Kalika. Thans

zijn ze bijna verdwenen; maar de berg is nog berucht door hun vroegere

aanwezigheid.

Toen kwam de tijd, dat wij aan vertrekken moesten denken. Het ging

bliksemsnel bergaf. Wat mij betreft, ik was zoo ingenomen met mijn

lakensche laarsjes, met goud geborduurd, en ik was er zoo gemakkelijk

mee geschoeid, dat ik besloot, te voet naar beneden te gaan in

gezelschap van den heer Dhru. Moeder hernam ernstig haar plaats in

den draagstoel; maar ik had niet voorzien, wat er met haar en de

doli zou gebeuren; pas waren de stokken stevig op de schouders van

de koelies geplant, of dezen gingen er in galop van door, sprongen

als geiten over de granieten treden, vlogen langs de corniches op

geen twee vingers afstands van den afgrond en mijn moeder werd in

dien dollen ren meegevoerd! De heer Dhru had met zijn zachtheid en

beleefdheid moeite, mij gerust te stellen. Onze bediende François

was doodverschrikt en sloeg met zijn armen in de lucht. Nu was het de

beurt van mijn secretaris, wiens dragers die van mijn moeder volgden

op eenigen afstand; in 45 minuten waren ze allen beneden aangeland.

Toen ik mijn moeder terugvond, was ze heel kalm, hoewel wat verbaasd

over den dollen tocht; ze vond het zelfs wel een aardige ervaring,

en we hadden er drie dagen later weer plezier van op den rit naar

Palitana, waar we niet zoo verschrikt behoefden te zijn over de haast,

waarmee we toen daalden.

In het Lal Bagh teruggekeerd, werd ons gezegd, dat de eerste

minister terug was en dat hij ons tegen den avond een bezoek zou

komen brengen. Het was ons een genoegen, persoonlijk kennis met hem

te maken en hem onzen dank te betuigen voor de gastvrijheid, die wij

te Junagadh hadden gevonden.

De heer Chunilal Sarabhai heeft een schitterende loopbaan gehad. Hij

is uitstekend op de hoogte van den godsdienstigen, financiëelen

en staatkundigen toestand van de streek, is minister geweest in

verscheiden naburige staten, waar men hem in moeilijke omstandigheden

te hulp riep. Hij is Brahmaan van de kaste der Nagars en geboortig

uit Ahmedabad; zijn voorvaderen onderscheidden zich in den dienst

van de keizers van Delhi, waardoor ze den titel van Hazaret en den

post van diwan van Goedsjerat kregen.

Het gesprek liep over de meest verschillende onderwerpen, den

hongersnood, de besproeiingswerken, de maatschappelijke hervormingen,

en bij dat gesprek gaf ik mij eerst goed rekenschap van de beteekenis,

die voor Indië moet worden gehecht aan die mannen, die langen tijd er

de zaken hebben bestuurd en bij wie de engelsche regeering hulp zoekt,

als ze de reorganisatie van de toestanden ter hand neemt.

Het zou onverstandig wezen, in het zoo teêre raderwerk der inlandsche

staten in te laten grijpen door menschen, die alleen een europeesche

universitaire opleiding hebben genoten. De groote ministers, zooals de

Brahmaan Madhav Rao, die de orde heeft hersteld in de staat Baroda;

Salar Jung, die een steun in Nizam is geweest, zij hebben succes

gehad daar, waar Engelschen en verengelschte Indiërs schipbreuk

hebben geleden.

Den volgenden dag vertrokken wij naar Palitana, om ons bezoek aan de

tempels te voltooien met een tocht naar den berg van Sattrunjaya, en

na drie dagen, doorgebracht ten huize van Z. H. den takore Masingji,

begaven we ons weer terug naar Ahmedabad.

AANTEEKENING

[1] Berg in het Noordwesten van Voor-Indië op het schiereiland

Goedsjerat.

End of Project Gutenberg's De monumenten van den Girnar, by D. Menant

De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 4 / 4 段