Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet
regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch
dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille
van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en
daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje
Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt
een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat
hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop
wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen,
hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook
al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met
jonge dennetjes.
Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste
gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning.
Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge
Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den
nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen
aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een
tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte van Den
Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na
het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te
handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op
Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien
is al het moois voor goed verdwenen.
Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der
afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met
Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele
Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van
de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van
plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer.
Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen
uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55),
Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed
bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op
vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen.
Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in
het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken
op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat
er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en
dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede
dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls
één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en
de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het
werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het
weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en
intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het
eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen
over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland
en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de
bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel
woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk
gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen
gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram,
een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de
bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen
zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen.
Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen,
hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den
Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat
naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den
Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen.
Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al
honderden hektaren beplant.
Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de
Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed
bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige
perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot
deel van deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog
staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten
de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar
of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens
zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren.
Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke
Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige
daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken
staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de
nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in
ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met
genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn
tentje heeft willen opslaan.
Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor
afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is
het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de
woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout,
een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen,
waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw
bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich
allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en
zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de
oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan
raken we verzoend met de verandering.
De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen
in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij.
Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat
ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug
te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen
we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te
leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele
vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren
die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop,
dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men
dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de
merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan
schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast
struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige
jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en
groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie
Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog
opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare
boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn
jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van
deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt
het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn
lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn
mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels.
Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den
kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet om de
prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest
aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op
de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft
weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in
hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de
tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108).
Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen.
Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen
in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het
ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze
linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land
daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel
lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp
en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals
nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer
schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht
in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat
door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet
nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog
duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij
wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin
is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in
overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J),
waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een
enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd
af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de
schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens
voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een
stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was
Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top
misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert en
de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende
toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen
wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed
niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben
er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het
rechte eind heb.
Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden
zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De
Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de
eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de
Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar
het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en
duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het
Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts
naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van
Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de
Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den
aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen.
Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel
duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild
of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen
de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de
groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook
buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging.
Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes
Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai
gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal.
Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen
een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t
tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de
verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen
door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van
een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn
thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later
ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die
den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal
mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de
zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand
nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een
nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is
slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig
volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat
het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu
bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer.
Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien,
dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een
nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende zich een vijfde
vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand
een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten.
Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst,
door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan
langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje,
waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af,
dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien
tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al
die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet
daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels.
Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder
van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi
geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de
Muien. Meer wil ik er niet van zeggen.
Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten,
Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de
gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer
komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts.
Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het
duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde
broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten
hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog
Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop
het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en
de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een
echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en
rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten
waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de
modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens
een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun
lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig
rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door
Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch.
Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek
en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t
nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de
broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale
en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten.
Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen
gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu
een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen
naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden
over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het
Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een
heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde
daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk
begroeid is met helm en duindoorn, een jong duin dat binnen
menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van
dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet.
Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het
oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het
zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die
uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een
beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat
het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de
kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een
groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht
vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de
oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende
waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels
gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw,
waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en
duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar
in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En
langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden
gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en
gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden
over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren.
Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen
als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en
Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en
als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in
vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt
Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met
smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele
bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918
stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer
anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan
groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog
goede verwachtingen.
Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een
heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen
uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder
jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er
zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want
picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te
genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met
tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver,
de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en
van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste
zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en
daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs
geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar,
zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het
geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op
heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog weer kleine bultjes,
begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een
paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek
zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben
uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar
die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er
heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het
groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen,
ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of
Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het
geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige
bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele
dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken
drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van
jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong
duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar
vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op
dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd
naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen
aanspoelen.
Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de
kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine
plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje
zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal
voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door
een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een
paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan,
verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine
levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand
weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we
eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige
hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn
gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je
zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan
het voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat
den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn
komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte
onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t
Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen
nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat
nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige
meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en
zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden
zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den
vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel
narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze
wandeling mogen wijzen.
Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de
Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig
wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer
alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe.