V. NAAR HET ZUIDEN

Vroeg in den morgen rollen we op onze fietsen de hoogte af, niet

regelrecht het dorpje Koog in, maar aan den zoom van het dennenbosch

dadelijk rechtsaf. Het Staatsboschbeheer heeft hier, vooral ter wille

van zijn eigen ambtenaren, een rijwielpad aangelegd, eenmans breed en

daarlangs hopen wij nu op aangename en gemakkelijke wijs het dorpje

Hoorn te bereiken. Het eerste deel van ’t pad is mooi hard, dan komt

een stuk dat onbegrijpelijkerwijs rul en hobbelig is gebleven en dat

hooge eischen stelt aan onze rijkunst. Ik loop daar liever. Verderop

wordt het weer heel goed. Aanvankelijk hebben wij rechts nog de duinen,

hier wat minder dicht begroeid dan die noordelijk van Koog. Er is ook

al in gewerkt voor bebossching en sommige plekken zijn bestoken met

jonge dennetjes.

Verderop maakt de weg een bocht en dan komen we in op het eerste

gezicht mooie frissche perceeltjes hooiland van de nieuwe ontginning.

Voor de aardigheid moet ge eens letten op de slootkanten. Daar ziet ge

Ratelaar en Kartelblad, Tormentil, ook een enkele Orchidee en in den

nazomer ook wel bloeiende Klokjesgentianen (17), allemaal herinneringen

aan den tijd, toen hier een wilde drassige heide lag, de Miente, een

tooverland van wilde bloemen en vogels, dat zich uitstrekte van Den

Hoorn tot voorbij De Koog. ’t Is nog al aandoenlijk, hoe nog jaren na

het begin van ’t ontginningswerk de mooie wilde planten zich weten te

handhaven langs wegbermen en slootkanten. Dat kunt ge niet alleen op

Texel, maar overal elders in de wereld waarnemen. Met een jaar of tien

is al het moois voor goed verdwenen.

Voorbij het hooiland komen we aan een rechte sloot, een der

afwateringen van het Mientebosch. De oevers zijn nu begroeid met

Dotterbloemen en Vergeetmijnietjes en hier en daar een enkele

Waterklaver of Waterdrieblad (47), een van de mooiste oeverplanten van

de wereld. Vijfendertig jaar geleden groeide die op Texel langs tal van

plassen en waterloopen, nu wordt hij al zeldzamer en zeldzamer.

Misschien zal hij zich aan de meertjes van het Muigebied nog wat willen

uitbreiden, evenals de prachtige en zeldzame Tengere Bastaardmuur (55),

Anagallis Tenella, die vroeger op de Miente in grooten overvloed

bloeide en die in de eerste jaren van den bebosschingstijd zich nog op

vochtig zand wist te handhaven, tusschen de witte Elzen.

Als wij nu het brugje over die afwatering gepasseerd zijn, komen wij in

het bosch op een stuk weg, dat al werkelijk aanspraak zou kunnen maken

op de benaming van laan. Iedereen zal op deze plek moeten erkennen, dat

er door de Staatsbebossching (5) toch een zeer goed werk is verricht en

dat Texel als woonplaats er heel wat aan heeft gewonnen. Bij alle goede

dingen, waarop ons eiland trotsch kan zijn, ontbreekt er toch dikwijls

één begeerenswaardig iets en dat is luwte. Het waait er haast altijd en

de wind strijkt vroolijk over het boomlooze land. En nu is het

werkelijk een heel nieuwtje voor ons, oude Texelaars, om hier in het

weliswaar nog niet zeer hooge dennenbosch schuilplaats te vinden en

intimiteit. Om dit goed te beseffen moet iemand, die Texel voor het

eerst bezoekt, juist zooals wij deden, eerst eenige dagen ronddolen

over het eiland en eens flink tegen den wind in fietsen door Eijerland

en Waal en Burg. Dat helpt prachtig, om dan den derden dag de

bebossching te leeren waardeeren. Toen ik in 1890 en 1891 op Texel

woonde, werd over de mogelijkheid van bebossching ook al heel druk

gesproken. Vooruitstrevende Texelaars van die dagen hadden hun zinnen

gezet voornamelijk op vijf dingen: een eigen stoombootdienst, een tram,

een kanaal van Oude Schild naar Cocksdorp, een gasfabriek en de

bebossching en ontginning van de Mient. Nu de meeste van die wenschen

zijn in vervulling gegaan of zelfs door beter dingen vervangen.

Practische mannen hadden ook al de bebossching zelf ter hand genomen,

hoofdzakelijk met loofhout en daarvan getuigt nog het boschje van den

Nieuwen Aanleg tegen de Mient aan. In mijn tijd meende men nog, dat

naaldhout niet op Texel kon tieren. Van de velerlei deugden van den

Oostenrijkschen of Zwarten Den begon men pas eenig besef te krijgen.

Eerst na 1895 kwam er schot in de zaak en thans in 1927 zijn al

honderden hektaren beplant.

Die Zwarte Den komt in hoofdzaak voor in twee verscheidenheden: de

Oostenrijksche en de Corsicaansche Den. Vooral de laatste is zeer goed

bestand tegen den zeewind en ’t is een lust, om te zien hoe sommige

perceeltjes prachtig gedijd zijn. Het is nu al zoover, dat een groot

deel van deze bosschen al bloeien en dennekegels voortbrengen. Nog

staan de stammetjes dicht opeen en is er geen sprake van dat we buiten

de paden door het bosch kunnen dolen. Doch geduld maar, over een jaar

of tien wordt dat al anders en dan krijgt Texel een bosch, dat nog eens

zal kunnen wedijveren met de beroemde Manteling van Walcheren.

Natuurlijk blijf ik betreuren, dat in het begin de onovertreffelijke

Fonteinsnol zoo verknoeid is en dat men heeft nagelaten, om sommige

daarvoor zeer geschikte plekjes van de Mient in hun oorspronkelijken

staat van bloemenweelde te behouden. Ook zou ik het betreuren, als de

nu nog bestaande valleien van den zuidwesthoek van ’t duin in

ontginning worden gebracht. Maar dit alles neemt niet weg, dat ik met

genoegen in ’t Mientebosch vertoef, vooral nu ook de Nachtegaal er zijn

tentje heeft willen opslaan.

Wij rijden zeer genoeglijk langs de goede paden. Er is ook voor

afwisseling gezorgd, dat hebben de zwarte pijnen wel noodig. Nu eens is

het een vroolijk berkenlaantje, dan bloem en plantsoen rondom de

woningen van de boscharbeiders, dan een helgroen perceeltje eikenhout,

een veldje fel geel van geurige lupine en boschjes van Witte Elzen,

waarin zich warempel ook al een enkele varen vertoont. Zoo’n nieuw

bosch wordt pas aardig, wanneer op den grond tusschen de boomen zich

allerlei wilde planten vertoonen, die er „vanzelf” gekomen zijn en

zoodra die nieuwelingen even mooi en merkwaardig blijken als de

oorspronkelijke planten, die er door de ontginning zijn vernietigd, dan

raken we verzoend met de verandering.

De ongeduldigsten van ons troepje, die heelemaal vooraan rijden, kennen

in ’t minst den weg niet en rijden nu te ver, den Bakkenweg voorbij.

Het hindert niet erg, over een paar minuten zullen ze wel merken, dat

ze verkeerd zijn en dan wachten ze van zelf. Ook behoeven we niet terug

te gaan, want er zijn meer wegen, die naar Den Hoorn leiden. Ook kunnen

we van de gelegenheid gebruik maken, de fietsen langs het pad neer te

leggen en eventjes rechtsaf het duin in gaan, om een van de vele

vlakken te bekijken, die hier den zuidwesthoek sieren. Vroeger waren

die vlakken nog mooier, ze hebben geleden door ontwatering. Ik hoop,

dat er binnen niet al te veel jaren, nog eens een tijd komt, dat men

dergelijk woest land om zijn pracht van planten en dieren, om de

merkwaardigheid van zijn ontwikkeling, van hooger waarde acht dan

schapenwei of ruigtesnijplaats. Hier in deze vlakte groeien nog naast

struikhei (38) en dophei (45) en kraaihei (40) en gagel de aardige

jeneverbessen, eenige soorten van zonnedauw, Parnassia en Pirola en

groote blauwe Klokjesgentianen. Op de natte plaatsen staan mooie

Rietgrassen en in ’t bijzonder de groote Galigaan, meterhoog

opschietend en met zijn scherpe stekelige bladeren ondoordringbare

boschjes vormend, waar de Aschgrauwe Kiekendief (65) in veiligheid zijn

jongen groot kan brengen. De Aschgrauwe Kiekendief is de koning van

deze valleien. Als we hier rustig eenige uren doorbrengen, dan duurt

het niet lang, of we hooren het hoog gefluit van ’t mannetje. Op zijn

lange spitse wieken zweeft hij rond en in goed licht kunnen we zijn

mooie aschgrauwe kleur bewonderen en de vlekteekening in zijn oksels.

Daar komt het wijfje omhoog. Zij heeft haar nest in de galigaan, in den

kruipwilg of in de struikhei verlaten en vliegt hem tegemoet om de

prooi in ontvangst te nemen, die hij aanbrengt en hoe die in ’t nest

aan de jongen wordt voorgediend hebt ge wellicht al wel eens gezien op

de wondermooie film, die Burdet van het leven dezer vogels hier heeft

weten te maken. Alleen al om Burdet te eeren, moesten deze valleien in

hun besten natuurstaat behouden blijven. In die pannen nestelen ook de

tamelijk zeldzame Sprinkhaanrietzanger en de zeldzame Duinpieper (108).

Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen.

Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen

in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het

ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze

linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land

daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel

lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp

en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals

nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer

schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht

in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat

door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet

nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog

duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij

wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin

is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in

overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J),

waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een

enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd

af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de

schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens

voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een

stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was

Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top

misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert en

de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende

toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen

wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed

niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben

er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het

rechte eind heb.

Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden

zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De

Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de

eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de

Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar

het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en

duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het

Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts

naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van

Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de

Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den

aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen.

Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel

duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild

of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen

de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de

groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook

buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging.

Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes

Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai

gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal.

Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen

een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t

tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de

verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen

door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van

een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn

thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later

ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die

den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal

mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de

zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand

nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een

nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is

slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig

volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat

het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu

bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer.

Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien,

dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een

nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende zich een vijfde

vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand

een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten.

Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst,

door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan

langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje,

waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af,

dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien

tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al

die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet

daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels.

Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder

van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi

geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de

Muien. Meer wil ik er niet van zeggen.

Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten,

Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de

gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer

komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts.

Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het

duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde

broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten

hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog

Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop

het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en

de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een

echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en

rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten

waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de

modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens

een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun

lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig

rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door

Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch.

Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek

en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t

nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de

broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale

en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten.

Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen

gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu

een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen

naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden

over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het

Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een

heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde

daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk

begroeid is met helm en duindoorn, een jong duin dat binnen

menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van

dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet.

Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het

oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het

zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die

uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een

beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat

het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de

kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een

groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht

vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de

oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende

waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels

gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw,

waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en

duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar

in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En

langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden

gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en

gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden

over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren.

Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen

als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en

Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en

als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in

vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt

Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met

smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele

bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918

stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer

anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan

groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog

goede verwachtingen.

Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een

heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen

uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder

jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er

zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want

picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te

genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met

tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver,

de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en

van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste

zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en

daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs

geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar,

zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het

geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op

heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog weer kleine bultjes,

begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een

paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek

zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben

uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar

die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er

heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het

groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen,

ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of

Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het

geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige

bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele

dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken

drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van

jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong

duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar

vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op

dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd

naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen

aanspoelen.

Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de

kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine

plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje

zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal

voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door

een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een

paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan,

verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine

levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand

weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we

eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige

hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn

gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je

zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan

het voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat

den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn

komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte

onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t

Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen

nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat

nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige

meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en

zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden

zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den

vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel

narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze

wandeling mogen wijzen.

Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de

Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig

wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer

alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe.

Texel · 第 9 / 24 题