VI. DWARS DOOR ’T EILAND

Je fietst van De Koog naar Oude Schild gemakkelijk in een uur, maar

wanneer wij „huistoe” gaan, dan nemen we er meestal een halven dag

voor, omdat we in het voorbijgaan nog een kijkje willen nemen in het

dorp Den Burg (K) en op den Hoogen Berg. Zooals de naam aanduidt, is

ons hoofddorp indertijd een soort van weerbare plaats geweest, wel geen

Metz of Verdun, maar toch een vesting en veertig jaar geleden was er in

en om het dorp een buitengewoon vieze sloot te vinden, die aanspraak

maakte op den naam van Burgwal. Ik geloof, dat die nu wel geheel

verdwenen is, want ook aan Den Burg heeft het woningvraagstuk zich doen

gelden en er zijn aan alle kanten nieuwe buurtjes bij gebouwd, waar ik

verder maar niets van zal vertellen. Zooals bijna overal is ook hier

het oude dorp het mooist. Er zijn drie pleinen: De Steenen Plaats, de

Groene Plaats en het Kikkertplein. Dit laatste heet wellicht anders,

maar wij noemen het altijd zoo naar de herberg De Vergulde Kikkert,

tegenover mijn oude woning. De Steenen Plaats heeft twee uitwegen naar

buiten: het Kooger end en het Waalder end, en drie straten

binnenwaarts: de Hoogerstraat, den Binnenburg en de Weverstraat. De

Weverstraat komt uit op het Schilderend en daarop komt ook de

Warmoesstraat uit, die via Groene Plaats weer verbinding heeft met den

Binnenburg. Zoodoende ontstaat een kringbaan, een „Ringstrasse”, en die

vormt wel het voornaamste gedeelte van het dorp. Als je die heele

kringbaan afwandelt, dan doe je een „burgje rond”, een geliefkoosde

wandeling bij jong en oud. In het eerste jaar van mijn verblijf op

Texel had ik mijn kamers aan de Weverstraat en als ik dan ’s avonds zat

te lezen of te teekenen was het een groot genoegen, om klip klap mijn

plaatsgenoten groepsgewijs voorbij te hooren wandelen, al pratend of

zingend. Ik zat lang niet iederen avond thuis, want er waren een massa

huizen, waar de eenzame jongeling vriendelijk werd ontvangen en waar

hij op de alleraangenaamste manier werd ingelicht over het leven en

bedrijf van ons mooie eiland.

De Steenen Plaats doet min of meer aan als een hofje met zijn groote

pomp en breedgekroonden kastanjeboom en de Binnenburg is een mooie

breede straat. Daar ligt ook de groote kerk aan met zijn dikken toren

van groote baksteenmoppen, geelgroen en grauw van korstmossen en hier

en daar met een pruikje muurvarens. Muurvarentjes groeien ook op den

kerkhofmuur en op een enkele plek was daar zelfs een plantje te vinden

van de Zwartsteelmuurvaren, Asplenium Trichomanes. Ik geloof niet, dat

kerk of toren architectonisch of historisch veel te beduiden hebben,

maar ik houd van het stoere bouwsel en van den torentrans heb je een

heerlijken kijk over ons eiland.

Aan den Binnenburg ligt ook het Raadhuis en de Waag en langs die Waag

kom je op de Groene Plaats, waar de groote hotels zijn en de groote

lammerenmarkten gehouden worden. Die zijn werkelijk iets bijzonders. Ze

worden altijd gehouden op Maandagen in April en Mei en wij hielden dan

natuurlijk geen school. Reeds Zondagmiddag begonnen de werkzaamheden,

dan werd de Groene Plaats al heelemaal bezet met hokken en heiningen,

om daar den volgenden dag de dieren te bergen. En in den nacht van

Zondag op Maandag komt dan het heele eiland in beweging, van heinde en

ver rammelen de hooge veekarren Burgwaarts en in den vroegen morgen

trippelen op alle wegen kudden van lammeren en schapen. Al heel spoedig

is de markt volgepropt en de kooplui vinden nauwelijks ruimte om

handslag te doen. Middelerwijl loopt het vrouwvolk de winkels af en

tegen den middag, als de mannen in de herbergen hun rekeningen

vereffenen, stroomt binnenskamers de koffie en wordt er blauwe koek

verorberd bij kilogrammen. Meteen komt er verloop op de markt,

duizenden lammeren worden vervoerd naar Oude Schild, waar de veebooten

onder stoom liggen en wat er niet verkocht is, kuiert in den lenteavond

huiswaarts. En ’s nachts weergalmt het heele eiland van het weeklagen

der schapen, die van hun kinderen zijn beroofd. Dat zijn drukke weken

voor Texel, dat meer dan een derde deel van zijn welvaart dankt aan de

lammeren. Schapenteelt, landbouw (in Eijerland en het Noorden) en

visscherij helpen de zes of zevenduizend Texelaars aan hun broodje.

Als de lammerentijd en de kermis voorbij zijn, dan wordt het stil op de

Groene Plaats, al geeft een enkele Maandagmarkt soms nog wat drukte. In

den goeden ouden tijd verdiende het plein zijn naam beter dan nu, want

toen stond het vol zware oude lindeboomen. Die werden door hun hoogen

leeftijd wat gevaarlijk en moesten vallen om vervangen te worden door

kleine stangetjes, waarvan je haast niet zou kunnen gelooven, dat ze

over vijftig jaar de Groene Plaats alweer even indrukwekkend zullen

maken als in de dagen van kapitein Slijboom, die, toen ik voor ’t eerst

op Texel kwam, een groote vermaardheid genoot als hotelhouder van den

klassieken Lindeboom. In die dagen was het tegenwoordige hotel Texel

nog notariswoning en een kelder in dat huis maakte aanspraak op de eer

van Ada van Holland huisvesting te hebben verleend, een eer, die echter

ook wordt opgeëischt door een dergelijken kelder in het Burgerweeshuis

aan de Parkstraat. Daar is werkelijk een park ook, je komt er in door

een flink hek en ’t is voor zoo’n klein dorp werkelijk een heel mooi

park, met zwaar geboomte en lager struikgewas en indertijd huisden daar

nog heel wat zangvogels en daaronder was de geelbuikige Spotvogel

altijd haantje de voorste. Natuurlijk huizen er ook altijd Spreeuwen,

jong en oud (100 en 102). Trouwens ook elders in ’t dorp zijn veel

aardige boomen en aan het Schilderend had je een flink bosch met veel

mooie bloemen, dat indertijd behoorde aan de familie Bok. De

veramerikaniseerde Hollander Edward Bok heeft in een zijner boeken naar

aanleiding van dit boschje geschreven, dat zijn grootvader het heele

eiland Texel beboscht heeft en dat dit zoo goed is gelukt, dat de

schepen op zee in den nacht de aanwezigheid van het eiland kunnen

merken aan het geschal der Nachtegalen! Je moet maar durven. Toch is

het wel aardig, dat in onze dagen de bosschen van het Staatsboschbeheer

werkelijk Nachtegalen hebben gelokt.

Door het Schilderend verlaten wij het dorp langs de nieuwe

zeevaartschool en nu nemen we niet den Nieuwen weg, maar den Ouden weg

tegen den Hoogen Berg op langs Panorama, waar de beplanting met

Eschdoorns er haast nog net zoo uit ziet als dertig jaar geleden. Als

we goed en wel over den heuvel heen zijn slaan we een wegje in naar

links en zoo bereiken we den Hoogen Berg met het Boschje en den

Zandkuil (12).

Het Bosch is al zeer oud, het wordt reeds vermeld in de Camera Obscura

van Hildebrand, dat is al bijna honderd jaar geleden. Lees maar eens de

eerste bladzijde van Teun de Jager.

Het bestaat hoofdzakelijk uit Ahorns, maar er staan ook een paar rijen

van zeer zware beuken in de luwte van de zuidoosthelling van den Hoogen

Berg. Bovenop wordt het beschermd door een wal met dichte Meidoorns en

die zijn natuurlijk door den zeewind weer prachtig gelijk gesnoeid. In

de luwte van dien wal en dus onder de Meidoorns groeien ook eenige

Hulsten, die er misschien door de vogels gezaaid zijn. Wanneer in

October de scharen der trekvogels over Texel gaan, dan nemen zij graag

koers over het Bosch van den Hoogen Berg. Menigmaal heb ik verscholen

gezeten onder de Meidoorns van den noordoosthoek, om van beneden de

vogels te zien aankomen via de boschjes van de Zeshonderd en De Blauwe

Poort. Ik heb dat bosch vol gezien met Vlaamsche Gaaien, honderden bij

elkaar en met Goudhaantjes in zoo groot aantal, dat het leek alsof het

herfstloover nog voor een groot deel aan de boomen zat. Een andermaal

waren het Spreeuwen en Kramsvogels en zelfs als er geen trek was, dan

kon je er vrij zeker van zijn, interessante achterblijvers of

voorloopers te vinden op de luwe plaatsen. Eenige zomers achtereen

heeft er een Boomvalkenpaar genesteld in de hooge kronen en ook de

Bergeend, die gewoonlijk zijn nest maakt in de konijnenholen van het

duin, huisde er eens in de steile helling langs den Zandkuil. In ’t

wandelpad langs de noordzijde ligt een kunstmatig heuveltje met een

bank er bovenop. De Texelaars noemen dat de Zeven Pannekoeken en

vertellen, dat daar binnen een groote steen verborgen ligt, de kern van

het eiland en het symbool van zijn bestendigheid. Texel onderscheidt

zich namelijk van al onze andere Noordzee-eilanden, doordat het Oude

land grootendeels dezelfde soort van grond is als Drente en de Veluwe.

Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum zijn

eigenlijk niet anders dan zandplaten en slibplaten, waarop duinreeksen

zijn gegroeid. Zij staan of vallen met hun duinen. Texel echter zou

zonder duinen ook nog kunnen bestaan, al werd het dan ook wel veel

kleiner. Wieringen verkeert in hetzelfde geval.

Dit alles kunnen wij nog beter beseffen, wanneer we den Zandkuil

betreden. Hier is een hap in den Hoogen Berg gedaan. Duizenden kubieke

meters zand zijn hier weggegraven om verwerkt te worden in de

dijklichamen langs de Zuiderzee. Langen tijd waren die dijken slechts

onvoldoende lapwerk geweest, totdat men dat moede werd en in eens en

naar wij hopen voor goed de prachtige zware dijken opwierp, die thans

de lage landen langs den westrand behoeden tegen de nukken en grollen

van den Texelstroom, die er niet beter op zullen worden, wanneer binnen

enkele jaren de afsluitdijk van Wieringen naar Harlingen voltooid zal

zijn.

Door die graverij kunnen we nu een leerzaam kijkje krijgen op den

inwendigen bouw van ons eiland. De bodem van den kuil is al wel sinds

lange jaren alweer begroeid met hei en biezen en gras en berkjes, maar

de steile wanden zijn voor een groot deel kaal gebleven, dank zij de

werkzaamheid van de jeugdige Texelaars, die er hebben gestoeid en

gegraven. In vroeger jaren had een clubje Texelaars uit Den Burg hier

bovenop den Berg een theetent laten bouwen en dan gingen ze hier graag

heen met hun logé’s en kinderpartijtjes. Nu echter de Koog een heusche

badplaats is geworden, tijgt men liever derwaarts. De theetent is

afgebroken en de Zandkuil ligt stil en verlaten. Een paar

bewonderaarsters van Texel hebben Kuil en omgeving gekocht en ten

geschenke gegeven aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten.

Samen met het Bosch, dat gemeente-eigendom is, maar onderhouden wordt

door het Staatsboschbeheer, vormt de Kuil nu een prachtig geheel, een

juweeltje van natuurschoon, ondanks de geringe afmeting.

Die Kuil moet als natuurmonument beschouwd worden op twee gronden en

wel allereerst omdat men er zoo’n duidelijk inzicht kan krijgen in de

samenstelling van den bodem, in de tweede plaats, omdat de hellingen

bewoond worden door een bonte verscheidenheid van allermerkwaardigste

insecten, vooral Graafwespen en Graafbijen. Om beide is het

wenschelijk, dat de kale hellingen kaal zullen blijven en dat men er

zich onthoude van graverij, in welken vorm dan ook. En de

natuurvrienden, die deze buitengewoon belangrijke helling komen

bekijken, zullen haar, naar ik hoop, ook naar behooren ontzien.

Het zand is geelachtig en fijn, heel anders dan duinzand. Heel in de

hoogte, vlak onder het gras, ziet het lichtgrijs en daaronder komt een

heel interessante bruine laag, het Koffiedik, zooals ik kinderen wel

eens heb hooren zeggen. Ervaren scheikundigen hopen, dat zij U kunnen

uitleggen, hoe hier onder allerlei invloeden zich ijzerverbindingen

hebben afgescheiden, die tegelijkertijd de zandkorreltjes bruin kleuren

en aaneenklitten en zoodoende ontstaat een vrij harde laag, die geen

water doorlaat, de gevreesde zandoerlaag, een groote belemmering voor

den plantengroei. Zoo komt het dan ook, dat boven op den berg alleen

maar schrale weiden te vinden zijn, meest begroeid met schapengras en

kamgras. Let er op, dat dit koffiedik vol zit met kleine keisteentjes,

het is oorspronkelijk keizand. Iedereen weet tegenwoordig ook mee te

praten van Keileem, vooral nu men van die stof zoo’n voordeelig gebruik

gemaakt heeft bij het droogleggen van de Zuiderzee. Ook dit keileem is

op Texel te vinden, maar niet hier aan den Kuil, doch meer naar het

zuidwesten in het gebied van Zuid-Haffel. Daar liggen een paar kuilen,

die heeten nog de Leemkuilen, omdat men er vroeger wel Keileem heeft

gedolven en ook nog op een paar andere plekken komt het bij graafwerk

wel te voorschijn. Keileem zoowel als Keizand zijn afkomstig van de

gletscherijsmassa’s, die eens een groot deel van de aarde bedekten en

die zich van de Noordpool uitgestrekt hebben tot Nijmegen en Katwijk.

De groote Kei, die al of niet onder de Zeven Pannekoeken ligt

verborgen, is daar ook van afkomstig.

Onder de koffiediklaag volgt een bijna steenharde laag van aaneengekit

geel zand en hoe diep die gaat weet ik niet, want het onderste deel,

daar ligt een schuinere laag van los hellingzand voor en dat is nog al

tamelijk dicht begroeid met hazepootjes, dat is een soort van kleine

witte klaver en met grijs buntgras, lager met veldbies (36) en

bloembiezen.

Het kan wat heet zijn in dien zandkuil. Menigmaal ben ik er met een

rooden kop uit gekropen, om boven op den berg in het frissche koeltje

weer wat bij te komen. Maar dan ging ik toch gauw weer omlaag, want wat

daar in dien kuil te zien valt, is beter dan een heele kast vol boeken

over het leven der insecten. Het is daar een echt natuurlijk

insectarium.

De zandsteenlaag onder het koffiedik zit vol donkere gaatjes. Als we

daar even op letten, dan zien we een mooi zwart met wit bijtje met

oranje pooten en rossig borststuk aankomen en in zoo’n opening

verdwijnen. Spoedig volgt er nog een en nog een en nu zien we

duidelijk, dat hun achterpooten vol stuifmeel zitten. Een, die er uit

komt, is dat stuifmeel kwijt, maar toch zijn die pooten oranje, van de

dichte lange haren, die ze versieren. Dit is het beroemde

Pluimvoetbijtje (113), druk bezig, om telkens nieuwe kamertjes te

voorzien van stuifmeel en honig. Elk kamertje krijgt een bolletje van

de grootte tusschen erwt en knikker. Daar legt het bijtje dan een ei op

en na verloop van tijd komt daar een larf uit, die het heele bolletje

opeet, zich daarna verpopt en uit die pop komt weer een nieuw

Pluimvoetbijtje te voorschijn. Als we de Zandkuil bezoeken in Juli en

Augustus kunnen we dat heele Pluimvoetbedrijf gadeslaan. We kunnen

zien, hoe de bij zijn gang begint te graven in het harde zand. Dat doet

hij met een paar sterke, min of meer lepelvormige kaken en als hij wat

dieper komt, kunt ge zien hoe hij, achterwaarts loopend, het

losgeknauwde zand naar buiten werkt met zijn achterlijf, dat voorzien

is van een dichten krans van veegharen. Op regenachtige dagen werken ze

weinig of niet en dan zitten ze graag met de armen over elkaar aan den

ingang van het hol, alsof ze gemoedelijk naar buiten kijken. Dat doen

zoowel de wijfjes als de mannetjes. Deze laatste zijn slanker en in

plaats van witte dwarsstrepen, zooals de wijfjes, hebben ze gele

dwarsstrepen op het achterlijf.

Op een andere plek weer hebben de Zwarte Graafbijtjes hun nesten. Die

zijn kleiner en heelemaal zwart. Hun wetenschappelijke naam is

Panurgus, dat beteekent „de zeer vlijtige” maar zoo mochten alle

graafbijtjes wel heeten. Wat zegt ge bijvoorbeeld van de

Behangersbijtjes (109), die hier iedere drie minuten met een rol

behangselpapier komen aandragen. ’t Is natuurlijk geen papier, maar een

ovaal of cirkelrond stuk, dat ze uitknippen uit een blad en dan netjes

opgerold tusschen de achterpooten naar huis dragen. In de verte zie je

meer blad dan bij, een groen vlokje, dat door de lucht komt aanzweven.

In den zandkuil huizen verschillende soorten van Behangersbijen. Ze

leven allen op dezelfde manier, graven een diepe gang en bouwen daarin

van stukjes blad een heele rij cellen, ieder met een eigen deksel en op

een rij aaneensluitend, net als een rist vingerhoedjes. In elke cel zit

weer de noodige voorraad met een eitje en ’t volgend jaar komen daaruit

de nieuwe behangertjes te voorschijn. Niet altijd, want er is een

vreemde bij, de Kegelbij (111), die legt zijn eieren in de cellen van

den behanger en dan komen er natuurlijk geen nieuwe behangers uit, maar

Kegelbijen.

Daar komt een klein bruingrijs bijtje aanvliegen. Hij lijkt wel wat op

de gewone honigbij. Hij strijkt neer op de bloeiende struikhei en nu

kan ik hem gemakkelijk vangen in een glazen buisje. Zoo kunnen we hem

goed bekijken en meteen zien, dat hij lang zoo’n grooten zuigslurf niet

heeft als de honigbij en ook andere achterpooten. Ik zal U maar meteen

zeggen, dat dit het Zijdebijtje is. Die graaft ook holen in den grond

en bekleedt zijn kamertjes met een zijdeachtig spinsel, vandaar zijn

naam. Ook deze bij heeft last van een indringer en tafelschuimer en die

is heel sierlijk uitgedost in bruin en geel. We hebben nog geen goeden

Hollandschen naam voor hem kunnen bedenken en noemen hem nu maar bij

zijn wetenschappelijken naam van Epeolus (114). Het Pluimvoetbijtje

heet in de wetenschap Dasypoda, dat beteekent Dikvoet en ook hij heeft

zijn parasiet, die is haast net gekleurd als een Wesp en draagt den

zwerversnaam van Nomada.

Wespen zijn er ook genoeg in den zandkuil, maar niet de wespen, die bij

duizenden bij elkaar wonen in de bordpapieren nesten, doch eenzaam

levende gravers. Ik wil er U een paar van aanwijzen. Daarvoor gaan we

eerst onderaan de helling, waar het afgestorte zand nog al rul is. Nu

zeg ik U vooruit, dat ge niet bang behoeft te zijn. Daar komen een paar

groote wespen aangonzen, grooter dan de gewone soort, welke in uw

limonadeglas kruipt. Hun gonzen gaat over in een soort van huilen. Eén

ploft er vlak voor ons op den grond neer, graaft haastig in den grond

en nu blijkt het, dat hij daar een ingang opent, waar hij snel in

verdwijnt. We hebben nog even den tijd, om op te merken, dat hij

tusschen zijn achterpooten een groote vlieg mee draagt. Een poosje

later komt hij weer te voorschijn, nu zonder de vlieg. Hij gaat zijn

nest wat uitdiepen, rent naar binnen, komt achterwaarts loopend weer

naar buiten, een hoopje zand verschuivend, laat dat liggen, zegt even

„kik” en holt weer ’t nest in. Hoe hij dat geluid maakt weet ik nog

niet. Zoo blijft hij een poosje doorwerken en eindelijk gaat hij niet

meer naar binnen, maar harkt uit de omgeving los zand in de opening van

het nest en weet de heele zaak zoo te behandelen, dat de nestopening

ten slotte in ’t geheel niet meer kan worden onderscheiden. Vlug vang

ik hem, om U zijn hark-achtige voorpooten te vertoonen en zijn langen

snavelsnuit. Naar de eerste noemen wij hem Harkwesp (110), naar de

laatste Snavelwesp en dat is ook min of meer de vertaling van zijn

wetenschappelijken naam Bembex Rostrata. ’t Is een heel merkwaardig

dier, waar ik U nog wel een bladzij of acht van zou willen vertellen.

Ge kunt dat echter ook wel nalezen in Jaargangen 6, 7, 8 van De Levende

Natuur.

Nu hoop ik, dat ge inmiddels gestoken zijt door een regendaas, dat is

de grijze vlieg met grijze vleugels en groene oogen, die soms zoo

stilletjes steken kan en zich dan zoo vol bloed zuigt, dat hij te lui

is om weg te vliegen en dan knijp je hem gemakkelijk dood. In sommige

jaren heb je die vliegen bij honderden en dan kunnen ze geweldig lastig

zijn. Ze hebben ook nog grootere verwanten, dat zijn de Runderdazen,

die steken door drie lagen kleeren heen. In Zwitserland heb je die nog

meer dan bij ons en daar vergallen ze menige mooie wandeling. Nu dan,

in onzen Zandkuil huist ook een klein Graafwespje, die schijnt er

vooral werk van te maken, om van die Regendazen te vangen en als

voedsel voor zijn kroost te begraven. Hij huist doorgaans meer omhoog

op de helling in het grijze zand boven het koffiedik. We kruipen dus

naar boven en houden goed uitkijk. Als ’t gaat zooals in 1912, dan

hebben we er gauw een te pakken, want toen was het daar een

onophoudelijk gaan en komen van deze wespjes. Daar komt er al een; zijn

vlieg is nog langer dan hij zelf. In het glazen vangbuisje laat hij

zijn prooi gauw vallen en nu zien wij, wat een aardigen vorm dit

diertje heeft, den hoogen rug nog versierd met een voor zijn doen groot

uitsteeksel. Dit is nu de Bultenaarwesp (112), Oxybelus uniglumis.

Zoo kan ik U nog wel een uur in den kuil rondleiden en U telkens weer

nieuwe bijtjes en wespen vertoonen: vliegendooders en spinnendooders,

rupsendooders, bladluizenjagers van allerlei soort. Het komt er maar op

aan, om wat geduld te hebben en dan kunt ge zien, hoe iedere soort zijn

eigen prooi heeft en zijn eigen manier, om die te begraven. Sommigen

graven een hol, voor dat ze hun prooi vangen, anderen bemachtigen eerst

het insect hunner gading en graven er dan een hol voor. De diepte en

ligging der holen is ook alweer zeer uiteenloopend. Ik kan er nu (’t is

vandaag 22 December) alweer naar verlangen, om eenige zonnige dagen in

dien Zandkuil op Texel door te brengen.

Het blijft ook niet alleen bij bijen en wespen. Er loopen ook prachtige

Zandloopkevers rond en wij kunnen er uitzien naar de valkuilen van hun

larven. Ook zien we er de geheimzinnige, ongevleugelde Mierwespen,

Mutilla (120) en Methoca Mestkevers (129), de Rupsendooder Ammophila

Affinis (119) en groote Loopkevers (130) met roode dijen, die ook een

specialiteit zijn van Texel. In en om de Zandkuil zag ik inderdaad ook

soms onverwacht groote hoeveelheden van St. Jansvlinders (60),

Kolibrivlinders (116), Distelvlinders (118), Windepijlstaarten (117) en

zelfs Doodshoofdvlinders (115). We mogen dus wel blij zijn dat

Natuurmonumenten dezen Zandkuil heeft gekregen.

Nu gaan we bovenop den Berg nog wat liggen uitkijken naar Oude Schild

en Texelstroom. Tusschen den Berg en Oude Schild zien we nog een

boerderij mooi in de boomen, dat is Brakestein en daar moet vroeger

Tromp gewoond hebben of Maarten Harpertsz of Cornelis, dat weet ik

niet. Vroeger had je in Oude Schild ook nog een herinnering aan De

Ruyter in het hotel De Zeven Provinciën, maar dat is al lang afgebroken

en ’t was dan ook een heel leelijk perceel. Ook de schansen zullen wel

eens worden vergraven en dan hebben we met het krijgshaftig verleden

van Texel geheel gebroken. Op de ree stoomen nog iederen dag

oorlogschepen, groot en klein, uit Nieuwediep en die houden ook nog hun

schietoefeningen aan De Mok en ver weg in de wateren naar Vlieland,

doch dat ligt eigenlijk buiten onze aandacht.

Maar het eiland zelf blijft en ’t doet ons goed hier even te liggen op

zijn hoogen rug en uit te zien naar de vele plekken, die ons in de

enkele dagen, die wij hier doorbrachten, reeds dierbaar zijn geworden.

Laat het bij die enkele dagen niet blijven. Wordt hier een geregelde

gast. Een enkel jaartje moogt ge misschien eens overslaan, maar kom

hier toch liever driemaal in één jaar (April, Juni, October) dan

eenmaal in drie jaren. Er begint zich al langzamerhand een broederschap

te vormen van vrienden van Texel. Dat zijn in de eerste plaats

Nederlanders, maar ook Zwitsers, Engelschen, Schotten, Amerikanen,

Duitschers en Franschen. Hoe meer hoe liever, want des te eerder zal

men begrijpen, dat Texel zooveel mogelijk ongerept moet blijven, in het

bijzonder zijn duinen en stranden. Gelukkig bestaat daarvoor goede

kans.

Texel · 第 10 / 24 题