IV. MUIEN EN SLUFTERS

Om te beginnen, gaan we bij De Koog het strand op en wandelen dan een

half uur ver noordwaarts, langs de branding. De zee is zoo’n goede en

gezellige kameraad, dat we mijlen en mijlen kunnen voortwandelen,

zonder dat we iets anders begeeren, dan de ruimte en de frischheid en

de muziek. Mijlenver krijgen we ook niets anders, want dat strand is

nog al arm aan schelpen en het aanspoelsel geeft den strandjutter ook

maar weinig vreugde. Voorbij paal 23 wordt de zandvlakte al breeder, er

komen ook meer schelpen en hier en daar liggen kleine heuveltjes, niet

hooger dan een molshoop, maar breeder en daar wapperen een paar groene

grassprietjes uit omhoog. Wanneer we vlijtig zoeken, dan vinden we hier

in deze eerste Juniweek ook op dergelijke heuveltjes wel een grasje,

dat pas uit ’t zaad ontkiemd is en dat moeten we beschouwen als een

zeer belangrijk feit. Zoodra namelijk dit gras op de strandvlakte wil

groeien, groeien er ook duintjes. Dat is hier nu benoorden De Koog

prachtig te zien, hoe het stuifzand door het gras bijeen wordt gehouden

en hoe zoodoende nieuwe duintjes worden gevormd. We vinden er van

allerlei leeftijd, jonkies van dit jaar, waar je de pas ontkiemde

grasjes nog uit kunt trekken en oudere van vorige jaren, waarvan het

zand doorweven is door een dichte mat van wortelstokken. Nog oudere

zijn alweer hooger en hebben bovenop al een begroeiing van de tweede en

de derde grassoorten, dat zijn de helm (25) en de blauwe zandhaver

(27). De grassoort, die het begin maakt, is minder bekend, ’t is het

biestarwegras (29), de eersteling der begroeide duinen. Eigenlijk zijn

er geen andere dan begroeide duinen; een onbegroeid duin waait weg.

Deze strandvlakte met zijn schelpen en duintjes heeft ook bewoners. Ik

heb ze al lang gehoord, eer we ze zien. In de heldere lucht en op het

witte zand is het niet eens zoo gemakkelijk, om witte vogeltjes te

zien. Maar onophoudelijk hooren we een fel en driftig geschreeuw. In de

zee zien we ook witte straaltjes opspatten en eindelijk, nu we wat

gewend zijn, krijgen we de kleine schreeuwers te pakken. Het zijn de

mooie Dwergsterntjes (93), half zoo groot als de gewone Vischdiefjes.

Met razende vlijt zijn ze bezig te visschen tusschen de eerste en

tweede bank, boven een school van kleine Puitaaltjes. Ze duiken

heelemaal onder en in negen van de tien gevallen krijgen ze hun vischje

te pakken en vliegen dan landwaarts, tusschen de kleine duintjes. Nu

zijn we met zijn twintigen, allemaal goed gezind en voorzichtig en

wakker en daarom wil ik wel even een breed front vormen over een

uitgestrektheid van een paar honderd meter en zoo schuin de

strandvlakte oversteken door de jonge duintjes tot aan het hooge duin.

Als we nu wakker genoeg zijn, dan krijgen we jonge Dwergsterntjes te

zien, misschien ook nog eieren en misschien nog wat anders. Wanneer we

heelemaal niets zien, dan bewijst dat nog lang niet, dat er ook niets

ligt, want de grijze, vlekkige jongen en de doffe, blauwig grijze, vaal

gevlekte eitjes zijn, o zoo heelemaal één met het mulle zand. Past

daarom dubbel op, om te zien, waar ge uw voeten zet. Het zou zeer

onaangenaam zijn, indien de herinnering aan onze reis ontsierd zou

moeten worden door de gedachte aan een vertrapt jong vogeltje of

verbrijzelde eieren. Het gevaar voor ’t laatste is het grootst. Een

jong laat zich niet zoo heel spoedig vertrappen, zie maar, daar loopt

er al een. Die heeft stil gezeten totdat het storend bezoek wat te

dicht bij hem kwam, en daar gaat hij nu, een dons balletje op rose

zwemvoetjes, kop hoog in de lucht op een hals, die veel langer is dan

je van zoo’n Sterntje zou verwachten. Intusschen vliegen de ouden boven

ons, driftig krijschend. Daar loopt een grooter vogeltje, niet in dons,

maar in gladgestreken pluimage, grijs en wit en zwart. Het scherp wit

en zwart aan kop en keel, de oranje snavel, oranje pootjes, vertellen

ons, dat we met ’t Bontbekpleviertje te doen hebben. Die heeft hier ook

wel jongen en eieren. Als we wat verder komen, worden we begroet door

grooter vogels, witte Meeuwen met spierwitte koppen, dat zijn de

Stormmeeuwtjes. Die hebben hier ook enkele nesten en daar moeten we

alweer heel voorzichtig mee zijn, want deze meeuwtjes nestelen maar op

een paar plaatsen in Nederland: op Schouwen, aan den Hoek van Holland,

bij Callantsoog, op Texel en op Rottum, dus op de beroemdste stranden

van Nederland en die hebben dan ook hun beroemdheid voor een groot deel

te danken aan die Stormmeeuwtjes. Ze gelijken het meest op

Zilvermeeuwen, maar zijn een derdepart kleiner. Het heele jaar door

vinden we Stormmeeuwen in menigte langs de stranden, in de havens, op

’t land, zoo oude als jonge, maar slechts weinige willen hier broeden.

Het strand zou het strand niet zijn, als hier niet eenige stellen

Scholeksters rondliepen en er staat ook een heele troep Zilvermeeuwen

te dutten, zoo maar midden op de zandvlakte. Al een poosje lang hebben

we aan onze rechterhand donkere rijshorden gezien, daar geplaatst door

den Waterstaat, om den groei van het duin te bevorderen. Waterstaat en

de Texelaars koesteren al tientallen jaren lang den wensch, om de

Sluftervlakte af te sluiten, door de duinenrij te doen voortgroeien tot

aan de Slufterbollen. Het is al dikwijls bijna gelukt en in de laatste

jaren gaat het ook alweer heel voorspoedig, maar een paar stormdagen en

stormnachten, harde Noordwester met springvloed kunnen weer alles

terugbrengen tot den toestand van jaren geleden. Wij verlaten nu het

strand, gaan landwaarts in tot voorbij de eerste duinrichel en slaan

dan scherp rechtsaf, de vallei in, achter die richel langs. Hier komt

de zee nog wel eens een enkelen keer een kijkje nemen om het hoekje. Er

ligt aanspoelsel van de hooge vloeden en de vallei is hier en daar ook

tamelijk slibbig. Er groeit dan ook Zeemelkkruid en Engelsch Gras,

Zoutgras, een beetje Lepelblad, Zeespurrie en hoogerop komt Bloembies

(34) en zoete grassen, die het mogelijk maken, dat een paar schapen er

nog genoeg te eten vinden. In deze vallei nestelen ook al Kieviten en

Tureluurs, een enkele Scholekster en de alomtegenwoordige Graspieper

(62). Op een nat plekje staat Pluimzegge (33).

We gaan nu tegen het duin op en zijn van plan, om door de duinen terug

te wandelen naar Koog. Eerst heb ik bij den boschwachter van het

Staatsboschbeheer een klein bezoekje afgestoken, om te hooren of we die

wandeling konden maken. Dit duinlandschap is namelijk een

Staats-natuurmonument en gedurende den broedtijd der vogels heb je een

bijzondere vergunning noodig, om het terrein te betreden. In sommige

jaren wordt op sommige stukken zelfs niemand toegelaten. Dat was o. a.

het geval in 1924, toen de Lepelaars, een tiental, hun nesten gebouwd

hadden in het mooiste en grootste duinmeertje, de Mui (3). Dertig jaar

geleden heette dat meertje kortweg de Mui, maar tegenwoordig beginnen

we het al Binnen-Mui of Groote Mui te noemen. Er is namelijk in de

laatste jaren nog een tweede meertje bijgekomen, dat is de Buiten-Mui

en buiten de duinreeks, die vroeger deze Buiten-Mui van het strand

scheidde, zijn weer nieuwe duinricheltjes gevormd. Tusschen de oude en

de nieuwe richels vormen zich tegenwoordig telkens ook al weer

zoetwaterplasjes, zoodat we binnenkort ons zullen verheugen in een

Buitenste Mui. Nu, hoe meer hoe liever, want elk duinmeertje wordt, als

’t goed gaat een middelpunt van zeer rijk dieren- en plantenleven.

Als we nu aan den kleinen Slufter het duin in gaan, dan zijn we nog

niet zoo heel spoedig bij die Muien. Eerst hebben we nog een kilometer

of zoo duinterrein te doorloopen, haast een soort van hoogvlakte, meer

heuvels dan dalen en de dalen smal en ondiep. Wie de duinen van Holland

kent, verwondert zich over deze Texelsche heuvelen. Wat zijn ze dicht

begroeid: Viooltjes, Aardbeitjes, Geel Walstroo (48), Eereprijs tot

boven op de toppen. Dichte bosschen van Duindoorns bemoeilijken onzen

vooruitgang. Onder en tusschen die Duindoorns worden we verrast door

alleraardigste bloemen, die we in grooter aantal ook nog in het

natuurmonument der Muien zullen aantreffen: het rondbladige Wintergroen

(Pirola Rotundifolia) en het Parnaskruid (Parnassia Palustris). Het

Wintergroen (14) staat al ferm in bloei, Parnaskruid (16) vertoont pas

knoppen, dat is een herfstbloeier. Er was een tijd, dat het Wintergroen

rijkelijk in het wild groeide, midden in het Bloemendaalsche Bosch. Dat

is nog geen vijfentwintig jaar geleden. Ook het Kennemer duin stond er

vol mee. Sedert den drogen zomer van 1911 is daar het Wintergroen zoo

goed als verdwenen en nu moeten wij ons er toch wel zeer over

verheugen, dat dit heerlijk mooie bloempje nog zoo veel op Texel groeit

en ook op de andere Noordzee-eilanden en het is dubbel pleizierig, dat

deze Texelsche duinen nu voor een groot deel tot natuurmonument zijn

verheven, d.w.z. dat daar de natuur haar vrijen loop mag hebben en de

wilde planten daar groeien mogen, zooals dat hier in deze streken

behoort. Als we goed uitkijken, dan vinden we nog andere

bijzonderheden, die nog niet in bloei staan, kijk maar hier: smalle

groene blaadjes tegen elkaar, een groene bloemtros daar binnen

verborgen. Wacht maar, die tros blijft niet groen maar wordt mooi rose,

allemaal fijne Orchideeënbloempjes met lange spoor. Tegen de groote

vacantie zullen ze bloeien. Dit is de Muggenorchis (49) of Gymnadenia.

Onthoud hem ook maar met ’t oog op de omstandigheid, dat ge eens gaat

reizen in het bergland, in Zwitserland. In menig opzicht is het verkeer

in de duinen van Texel en Terschelling een goede voorbereiding voor een

Zwitsersche reis. Nog mooier dan de Muggenorchis is de

Moeras-Wespenorchis (53), die hier ook overvloedig groeit.

Ook geven onze duinen een prachtige oefening voor beenspieren en

longen. We moeten maar eens even op een hoogen top losstevenen om ons

te oriënteeren. Jawel, ik dacht het al, we zijn al druk bezig, om te

ver landwaarts in te gaan. Zie, in de richting naar Koog ligt links een

lange vallei, westwaarts begrensd door een onafgebroken duinenrij. Dat

was nog niet zoo heel lang geleden de zeelooper. De oostgrens van de

vallei is een meer afwisselend duinlandschap met hooge toppen en lagere

zadels en rechts daarvan zien we een tweede uitgestrekte duinpan. In

beide pannen zien we blauwe waterplassen blinken en als we goed

toezien, bespeuren we tusschen die plassen velden met riet en biezen en

zoo beseffen we, dat we hier staan voor twee vrij uitgestrekte

duinmeertjes, de trots en glorie van Texel, van Nederland. Dit zijn nu

de beide Muien. De Binnen-Mui is de grootste en belangrijkste en daar

mogen we nu in den broedtijd met zoo’n grooten troep niet heen, dat is

zoo wijselijk beschikt door het Staatsboschbeheer. Maar wel hebben we

een vergunning, om te wandelen langs den westoever van de Buiten-Mui en

daar hebben we volop genoeg aan. We willen echter verstandig wezen en

er niet regelrecht heen loopen. We zwenken af naar rechts, tot voorbij

den zeelooper, loopen dan rustig en stil langs den buitenkant van die

heuvelrij een kilometer of zoo zuidwaarts naar een plek, welke ik wel

ken en kruipen dan tusschen en door de duindoorns heen, om ongezien den

anderen kant te bereiken, waar we een vrij uitzicht hebben over het

meer, dat hier zoowat honderd meter breed mag zijn en zich naar links

en naar rechts eenige honderden meters uitstrekt.

Het is mij dikwijls gelukt, zoo ongezien een goed uitkijkpunt te

bereiken, zonder dat één van de honderden vogels, welke de Buiten-Mui

bewonen, er erg in had. Alleen gaat dat natuurlijk veel beter dan met

een troepje, want daar zijn altijd licht lui bij, die het wereldkundig

moeten maken, als zij een duindoornpunt in hun knie krijgen of zoo

iets. Honderden malen heb ik zoo de duinen beslopen. Haast altijd tref

je iets aardigs en in zoowat één op de twintig sluippartijen iets

bijzonders. Daaronder tel ik een Sperwer, die op den grond bezig was

een Tapuitje te plukken, een helling met een twintigtal Konijnen, welke

zich zaten te zonnen, ieder voor hun holletje, Fazanten en Patrijzen

een stofbad nemend en dan liggend in de zon, twee Egeltjes knorrend en

kringspelletje spelend, een oude Hermelijn op jacht met vijf jongen

achter zich en meer dergelijks.

Je hebt ook wel eens tegenspoed. Het is mij wel gebeurd, dat ik over de

helling komend met mijn neus net terecht kwam boven een laat eendennest

en de eend vloog met zooveel spektakel op, dat er een paniek ging over

de heele duinvallei.

Nu, ditmaal komen wij wonderwel klaar en de heele Buiten-Mui ligt voor

ons in de Junizon, eenzaam en verlaten, alsof er geen mensch bestond op

de wijde, wijde wereld. De hooge duindoorns geven ons een uitmuntende

beschutting. Er staan een paar vlieren tusschen in. Voor en onder zoo’n

vlier zit je nog beter; ik wil voor een volgenden dag straks aan de

buitenhelling een paar merkteekens maken, om een andermaal precies bij

zoo’n vlier terecht te komen. Het water ligt bladstil, helder blauw. Er

is veel meer riet en biezen en russchen dan water, tenminste van hier

gezien, maar ik weet dat tusschen de hooge rietbosschen toch ook nog

weer genoeg open plekjes zijn. Hier en daar zie je een groote witte

vlek, dat zijn allemaal bloeiende Waterranonkels (32), die zullen we

elders in nog grootscher pracht aanschouwen. De duindoorns groeien tot

in het water en het water dringt door tot tusschen de duindoorns.

Van vogelleven is op ’t oogenblik niets anders te zien dan een paar

witte Vischdiefjes, welke boven ’t witte water bidden. Ik schaam mij,

te moeten bekennen, dat ik niet weet, welke soorten van visch in deze

Muien voorkomen en voor zoover ik weet, is daar ook nog nooit een

onderzoek naar ingesteld. ’t Zou een aardig werkje zijn voor jongelui,

die hun zomervacantie geheel of gedeeltelijk op Texel doorbrengen, om

eens wat te weten te komen omtrent de bewoners van de Muien, de

Visschen, de Insecten, de Slakken, de Bloedzuigers enz. Daar is wat

meer vlijt en kennis voor noodig, dan voor de vogelarij.

Die Vischdiefjes hebben al gauw wat gevangen en vliegen nu naar ’t

zuideind van de Mui, waar ze in het moerassig gedeelte zeker wel hun

nesten hebben, misschien een stuk of vier. Het is wel merkwaardig, dat

naast de groote kolonies van Vischdiefjes in het Noorden en aan de

Petten ook nog overal over het eiland, heel verstrooid

Vischdiefjesnesten te vinden zijn, alleen of bij tweeën en drieën.

Dikwijls liggen er aan het zuideind van de Buiten-Mui ook nesten van

Kokmeeuwen.

Naar links is een der open plassen voor een groot deel bedekt met

Eenden, wilde Eenden van allerlei soort. Met onzen kijker bespeuren we

al gauw dat het allemaal mannetjes zijn: groenkoppen met witten

halsring, dat zijn de gewone wilde Eenden, groenkoppen met buitengewoon

grooten en breeden snavel en witte borst, dat zijn de Slobeenden,

kleintjes met een groote witte streep over het oog, dat zijn de

Zomertalinkjes (75). Met elkaar zijn er een veertigtal en nog verder

naar links staan een dozijn zwart-met-witte Eenden, dat zijn de

Bergeenden. Als we ze wat dichterbij kregen, zoudt ge zien, dat ze nog

heel wat andere kleuren vertoonen dan zwart met wit: een bruinen

halsband, een goudig groenen kop, fel rooden snavel, prachtige dieren.

Ze hebben hun nest in konijnenholen, over het heele eiland heen en we

ontmoeten ze dan ook langs alle stranden, het meest nog wel tusschen De

Koog en Cocksdorp.

En ja hoor, daar is ook de Roodkop weer. Als om ons een pleizier te

doen vliegt hij op en koerst het heele meer door: een roode kop, een

grijze rug en zwarte zijden. Dat is de Tafeleend, een vogel, dien we ’s

winters in groote menigte op plassen en rivieren te zien kunnen

krijgen, maar die slechts zelden hier en daar bij ons broedt. In

Friesland en aan de Utrechtsche plassen zijn de nesten al dikwijls

gevonden en nu die vogel zich hier aan de Muien jaar op jaar vertoont,

kunnen wij ook wel aannemen, dat hij hier broedt. Hoe aardig vloog hij

over de riettoppen: hij hield zijn lichaam wat schuiner dan de gewone

wilde Eenden.

Nu komen er achter elkaar drie Blauwe Reigers aanzetten. Ze dalen af

naar ons meertje, buigen de lange pooten omlaag en strijken neer in ’t

riet. Eén is er zoo dichtbij, dat wij hem tusschen de rietstengels door

kunnen zien en als hij zijn snavel neerbuigt, dan kunnen wij zien, dat

deze gegrepen wordt door andere snavels. De Blauwe Reiger heeft daar

zijn nest met drie hongerige jongen en nu we eenmaal weten, dat daar

Reigernesten zijn, hooren we ook wel het merkwaardig honger-gebabbel

van de jonge vogels. Gewoonlijk maken bij ons in Nederland de Blauwe

Reigers hun nesten in de boomen, maar hier op Texel bouwen ze in ’t

riet, juist zooals de Purperreigers en de Lepelaars dat doen in ’t

Naardermeer. Nog twee Reigers komen aanzetten en dan nog eens vier en

onze eerste Reiger vertrekt al weer, na al zijn huiselijke plichten

vervuld te hebben. We kunnen er nu al zeker van zijn, dat hier minstens

een dozijn Blauwe Reigers in ’t riet broeden.

Ook Koeten huizen er. Hun kort gekef heb ik al gehoord en daar tegen

den rietzoom ziet ge een paar van die zwarte vogeltjes voortzwemmen.

Nog wat beter toekijken en dan zien we tusschen de beide groote vogels

nog een stuk of zes kleintjes, pikzwarte donsvogeltjes met soms wat

duidelijk rood aan den kop. De oude Koeten hebben, zooals ge weet, op

den snavel een witte plaat, welke ook nog een eind tegen het voorhoofd

oploopt. Plots duikt er een en als hij weer boven komt, roeien al de

jongen in pijlsnelle vaart op hem af en de buit wordt verdeeld. In het

ijle riet kunnen we het Koetennest ook wel te zien krijgen, een bouwsel

van riet en biezen, dat een paar decimeter boven het water uitsteekt en

bereikt wordt langs een goed onderhouden hellend vlak. Is dat ook een

klein Koetje, daar in de biezen? Neen, ’t dier is bruinig, de borst

satijnig wit en op het gebied van staart heeft deze vrind nog minder in

te brengen dan de Koet. Dat is een Dodaarsje (101) of Hagelzakje. Die

heeft zijn nest gewoonweg aan de oppervlakte van ’t water en ik durf

wel zeggen, dat hij het heeft opgebouwd uit Bronmos (Fontinalis

Antipyretica), een plantje, dat op sommige plaatsen den bodem onzer

Muien bedekt met een dicht, ruig, groen tapijt. De vogel heeft altijd

een extra hoeveelheid van dit materiaal bij de hand, om, wanneer hij

bij gevaar het nest verlaten moet, nog eventjes gauw de bruingele

eieren dicht te dekken. Dat doen al zijn familieleden, de Futen. In

sommige jaren huizen hier in de Muien ook wel de Geoorde Futen. Die

zijn iets grooter dan het kleine Dodaarsje en de mannetjes hebben over

de oorstreek een groep van aardige, kleurige veertjes, oranje met

bruin. Deze Geoorde Futen broeden graag in troepjes bijeen, vier of zes

nesten bij elkaar, maar ze schijnen nog niet een vaste voorkeur voor

bepaalde plaatsen te kunnen hebben. Soms maken ze een paar jaar

achtereen hun nesten in dezelfde plassen en dan blijven ze weer opeens

weg. We hopen ze nog eens tot de vaste klanten van onze Muien te mogen

rekenen. Hetzelfde geldt voor de Lepelaars. Ieder jaar hopen we op

Lepelaarnesten in de Mui. In 1924 hebben ze in de Groote Mui een

tiental nesten gebouwd. Het Staatsboschbeheer heeft er toen zorg voor

gedragen, dat de broedplaats zooveel mogelijk met rust werd gelaten en

er was toen geen sprake van, dat je in die Groote Mui zou mogen

wandelen. Het is toen echter met die broederij niet goed geloopen,

niemand weet door welke oorzaak en in 1925 zijn ze toen weggebleven.

Wij kunnen echter wel veilig voorspellen, dat ze het binnenkort nog

weer eens zullen probeeren, want in het Zwanewater bij Callantsoog,

waar bijzonder goed op de vogels gepast wordt, is de Lepelaarbevolking

in de laatste jaren zoo toegenomen, dat er wel gebrek aan plaats moet

komen. Ze kunnen dan niet beter doen, dan zich weer op Texel te gaan

vestigen, hetzij in de Muien, hetzij in het nieuwe duinmeer aan den

zuidkant, dat wij morgen hopen te bezoeken.

Daar vliegen opeens al onze eenden op. In een lange rij komen ze aan

ons voorbij vliegen. De bewaker van het duin heeft ze opgeschrikt. Nu

komen ook uit het riet de Reigers te voorschijn, veertien stuks. Ze

gaan de hoogte in, kringen dan rond en strijken de een voor, de ander

na, neer op de duintoppen rondom ons meertje en daar staan ze nu

onbeweeglijk als schildwachten rondom een bewaakt gebied. Nu kunnen wij

ook wel opstappen, de helling af naar den waterkant. Ik weet dat hier

een soort van pad naar het zuiden leidt, maar we mogen er altijd wel op

bedacht zijn, dat we hier en daar te doen zullen krijgen met weelderig

uitgegroeide duindoorns of een plekje van een meer dan gewone graad van

drassigheid. Als we opstaan, vliegen er nog eenige Eenden en Reigers

op, de dapperen, die door de verschijning van den bewaker met zijn

hondje nog niet schichtig waren geworden. Ook schiet er een Watersnip

omhoog in zigzaglijn met luid „etsj, etsj” en als zij een eindweegs is

opgeschoten gaat zij omhoog vliegen. Nu even stil gestaan, want dat kan

aardig worden. Zij vliegt al hooger en hooger, spreidt dan vleugels en

staart wijduit, glijdt plotseling omlaag en nu hoor je duidelijk het

geluid, dat herinnert aan het blaten van een lammetje. Dit is de

lentevlucht en het lentegeluid van de Watersnip en we mogen er op

rekenen, dat die nu ook hier haar nest heeft. Daar ben ik heel blij om,

want eenige jaren geleden, eer nog de Muien tot natuurmonument waren

verklaard is bij den aanleg van wegen ten behoeve van de bebossching

een klein, maar zeer mooi valleitje, waar altijd de Watersnip broedde

te midden van de mooiste bloemen, met zand dichtgegooid. Zoo iets zou

tegenwoordig natuurlijk nooit meer gebeuren, want ofschoon de Watersnip

nog broedt door het heele land, wordt zij toch hoe langer hoe

zeldzamer, ten eerste doordat de moerassen worden ontgonnen en

ontwaterd en ten tweede doordat de jacht op Watersnippen nog is

toegelaten in den broedtijd. Gelukkig zijn met goeden wil en inzicht

beide euvelen nog wel te verhelpen. Nog is het niet te laat.

Nu het pad langs. We hebben ook de kleine vogels opgeschrikt, die in de

doornstruiken huizen en die vertoonen zich nu allerwege. Daar vliegt er

een zingend omhoog, bruin en grijs met een wit keeltje. Hij brengt het

niet ver, daalt spoedig weer en zijn schrille liedje is dra geëindigd.

’t Is de Grasmusch (98) en na hem zien we er nog een stuk of zes, want

dit zijn wel zeer algemeene vogeltjes. Ook Kneuen huizen hier in groot

aantal en het mooie Paapje met zijn roodbruin borstje en de breede,

witte wenkbrauwstreep. Die heeft niet bijster veel te vertellen, niet

anders dan „utak, utak” en als je hem op het juiste oogenblik treft,

dan hoor je hem ook wel eens een klein liedje zingen. Maar wat hem aan

zangkunst ontbreekt, wordt goed gemaakt door zijn sierlijk figuurtje,

zijn levendige kleuren en aardige maniertjes. Kijk, recht voor ons uit

zweeft een vogel op breede wieken en Vischdiefjes staan boven hem te

bidden. Eén schiet er neer en de groote vogel draait zijn breede kop

afwerend hem tegemoet. Het is een Velduil en die Vischdief behoeft zich

niet zoo zenuwachtig te maken, want de Uil kan hier genoeg muizen

vangen. Het is voor ons wel een beetje vreemd om dien Uil hier te zien

in ’t volle zonlicht van den zomerdag, terwijl we toch op school

geleerd hebben, dat de Uilen nachtdieren zijn en de muizen min of meer

ook. Je ziet echter op onze eilanden èn de Velduilen èn de Muizen

dikwijls genoeg op klaarlichten dag. Het komt er maar op aan, om zelf

ook de zomerdagen zooveel mogelijk buiten door te brengen.

Nog weer een tamelijk groote vogel, met langen staart. Een Sperwertje?

Neen, ’t is een Koekoek (66). Zie maar zijn platte lichaam en

duidelijken snavel.

Dikwijls wemelt het op Texel van de Koekoeken, maar dit jaar zijn er

blijkbaar nog niet genoeg, want heele stukken duindoorns zijn kaal

gevreten door de rupsen van den Bastaardsatijnvlinder. In vorige jaren

is dat ook al gebeurd. ’t Is een naar gezicht, al die doode struiken en

daarin nog de overblijfsels van de nesten van de Bastaardsatijnvlinder

(59). Er zijn maar weinig vogels, die harige rupsen kunnen of willen

eten. De Koekoek is er een baas in en daardoor een der allerbeste

vrienden van het duin. ’t Is wel jammer, dat elk koekoeksjong het leven

kost aan vier of vijf jonge Grasmuschjes of Piepertjes of Kwikstaartjes

enz., doch daar moeten wij in berusten en hopen, dat er van die

vogeltjes zooveel kunnen tieren, dat er wel wat af kan. We zouden den

Koekoek toch ook niet graag willen missen, niet alleen om de

rupsenvreterij, of om zijn zoo dikwijls geprezen en bezongen roep, maar

ook om zijn aardige verschijning, al hebben vele menschen hem nooit

gezien. Maar wie in Mei en Juni op Texel komt kan Koekoeken te zien

krijgen zooveel hij wil. Zij zitten dikwijls genoeg te roepen op de

telefoondraden.

Al uitkijkend naar de vogels mogen wij toch ook de bloemen niet

vergeten. Er groeit hier nog heel wat meer dan duindoorns en russchen

en in den loop der jaren zal het hier nog mooier worden, want de

Buiten-Mui is nog betrekkelijk jong. Zij staat al vol met Orchideeën.

In Waal en Burg zagen wij hoofdzakelijk de Harlekijnsorchis. Die vinden

we in de Mui ook wel, maar nog meer staan er de Handekenskruiden en wel

in het bijzonder het Vleeschkleurig Handekenskruid (18). Ook de beide

andere Handekenskruiden, het Gevlekte (I) en het Breedbladige (50)

ontbreken niet en we vinden er genoeg waarvan niet met zekerheid uit te

maken is, tot welk van de drie soorten ze wel behooren en die we dus

misschien voor bastaarden moeten houden. ’t Is wel goed om eens op al

die verscheidenheid te letten, verscheidenheid in grootte, in aantal en

afmeting der bladeren en in de gevlektheid van de bladeren. De kleur

der bloemen loopt van wit tot heel donkerpaars en de teekening op de

onderlip kan vlekkig zijn of strepig, flauw of forsch en van allerlei

kleursterkte. Behalve die kleurige Handekenskruiden groeien hier nog

een paar Orchideetjes, welke de gewone wandelaar licht over het hoofd

ziet maar die de plantenkenner begroet met ware vreugd. Ze hebben

bleekgroene bloempjes. De eene zullen we Sturmia (54) noemen, die heeft

een nog al lossen tros met weinig maar nog al tamelijk groote

bloempjes. De andere heet Herminium, die heeft een dichter tros, maar

de bloemen zijn klein. Beide plantjes groeien alleen op echt wilde

ongerepte plaatsen, de Herminium alleen in het duin en ook wel in

Zuid-Limburg, de Sturmia ook wel in de prachtige moerassen langs de

laagveenplassen, waar ook de Veenbes zijn slingers maakt over de

Veenmoskussens en waar de Koningsvaren groeit. Daar wil ook wel als

groote zeldzaamheid het Rondbladig Wintergroen groeien, dat we allengs

beter kennen onder den naam van Pirola en dat staat hier ook in de Mui

bij troepjes, gaarne onder bescherming van de Duindoorns. Dit is een

van de bloempjes, waarvan ik toen ik pas op de planten begon te letten,

haast niet kon gelooven, dat het zoo maar in het wild kon groeien. De

roomig witte wijde klokjes, met de vreemd gevormde meeldraden en de

gebogen stijl, bij tientallen vereenigd tot een tros aan loodrechten

bloeistengel, lijken op geen andere bekende Nederlandsche bloem. Die

stengel komt omhoog uit een rozet van glimmend groene, bijna ronde

blaadjes. Meest groeien die Pirola’s troepsgewijs. Ze verspreiden een

heerlijken geur en je zoudt denken, dat daar wolken van insecten op af

zouden komen, maar in de vele honderden uren, die ik bij Pirola’s heb

doorgebracht, zag ik er maar enkele zweefvliegen. In één adem met de

Pirola wordt doorgaans de Parnassia genoemd, doch die bloeit later en

’t is al mooi, als we begin Juni wat dikke witte bolvormige

bloemknoppen ontdekken. In Augustus staan ze in vollen bloei en dan

kunnen we mooi zien, hoe de vijf meeldraden ieder op zijn beurt dag

voor dag naar ’t midden van de bloem buigen om daar hun helmknop te

openen. En als de vijfde, na zijn helmknop geledigd te hebben, weer

buitenwaarts is omgebogen komt de stengel pas tot ontwikkeling. En al

dien tijd hebben de buitengewoon sierlijke honigorganen, die tusschen

de meeldraden staan met hun glanzige knopjes, de zweefvliegen en

bijtjes gelokt, die nog al druk deze bloemen bezoeken. Hier gaan we in

den nazomer ook zoeken naar Gentiaantjes, de kleine Bittere Gentiaan,

Gentiana Amarella (15) en de veel zeldzamere Veldgentiaan, Gentiana

Campestris (13).

Al rondkijkend bereiken wij het einde van het meertje, het einde van de

vallei. Dit is nog een alleraardigst stukje duinpan met een groote

verscheidenheid van plantengroei, overeenkomend met heuveltjes van geen

beteekenis en delletjes, haast zonder diepte en juist daardoor

merkwaardig. Want nu kun je zien hoe groot verschil in plantengroei

veroorzaakt wordt door enkele centimeters verschil in waterstand. We

klimmen nu langzamerhand en ontmoeten nog een paar aardige planten.

Vooreerst de Kleine Ruit (43), Thalictrum minus, een allersierlijkste

plant, behoorende tot de ranonkelfamilie met mooie, fijn verdeelde

bladeren en bloempjes waaraan niet de kelk en de kroon, maar de

meeldraden het meest in ’t oog vallen. Deze Kleine Ruit is in ’t

Hollandsch duin zeldzaam, op Texel niet algemeen, maar op

Schiermonnikoog groeit hij als gras. Naast die Kleine Ruit vinden we

misschien hier nog een enkele Jeneverbes, maar die groeit elders op

Texel meer. En nog al merkwaardig is de tegenwoordigheid van de

Strandwinde (26), Convolvulus Soldanella. Haar bloemen zijn als die van

Heggewinde, even groot, maar minder diep en vrij sterk rose gekleurd.

De bladeren zijn tamelijk dik en vleezig en rondachtig, niervormig en

ze lijken werkelijk wel op die van het beroemde Alpenplantje

Soldanella. Deze Strandwinde behoort, zooals haar naam aanduidt,

eigenlijk thuis in den zeelooper en daar vinden wij haar ook bij

Noordwijk en op Voorne en Walcheren. Dat zij hier groeit zoover in de

binnenduinen brengt ons in herinnering, dat dit binnenduin eenmaal

werkelijk buitenduin is geweest. De Buiten-Mui was toen strand,

evengoed als thans de Sluftervlakte. Wij beklimmen nu het hooge duin en

blijven een kwartiertje op den top zitten of eventjes onder den top,

als ’t naar onzen zin wat te hard waait. Prachtig liggen nu de beide

duinmeertjes voor ons en duidelijk zien we, dat links van de

Buiten-Mui, dus naar de zee toe, alweer een nieuwe vallei is afgesnoerd

en dat zich daar ook een zoetwatermeertje gaat vormen. Zoo groeit hier

het natuurmonument der Muien aan. Rechts van de Groote Mui ligt ook nog

een groote vlakte, rijk aan natuurschoon, maar die valt ten offer aan

den „landhonger” en wordt ontgonnen tot wei- en hooiland. Ja, je moet

weten te geven en te nemen. Nu naar huis en morgen naar de

bebosschingen, naar Den Hoorn en naar De Pannekoek.

Texel · 第 8 / 24 题