De nieuwe tijd heeft texel van zulke uitmuntende wegen voorzien, dat
het heel gemakkelijk gaat, om op één dag al de belangrijkste punten van
het eiland te bezoeken, hetzij met een auto, hetzij met onze
onvolprezen fiets. Het kost ons dan ook weinig moeite, om op denzelfden
morgen dat wij Waal en Burg bekeken, ook nog het Noorden en de
Eendracht er bij te nemen. We zeggen onze Meeuwen van de Staart
vaarwel, springen weer op ’t stalen ros en rollen vroolijk in lange rij
oostwaarts, den polder uit en dan een eindweegs langs den Slaperdijk,
die hier het oude eiland verdedigde, toen Waal en Burg nog tot de zee
behoorde. Dan gaan we rechts af langs Barger en komen dan bij
Molenbuurt op den grooten weg van Den Burg naar Oosterend. Hier heb ik
eens op een prettigen zomermorgen een paar uur op een tuinwalletje
gezeten, om dit Molenbuurt uit te teekenen, twee, eigenlijk drie echte
Texelsche boerderijen, groote stolpen met hun pyramidaal grijs rieten
dak en witgekalkte muurtjes, waar kleine vensters vertrouwelijk uit
kijken. Weinig bijgebouwen, een stukje bloementuin, een hooge tuinwal
en daarachter wat boomen en struiken, in de richting naar ’t Westen
allemaal schuin afgeschoren door den zeewind (11). De weg maakt hier
een schilderachtige, voor auto’s zeer ongeriefelijke bocht. Op dien
morgen toen ik er teekende, zijn er geen drie menschen en geen enkel
voertuig langs gekomen. Op marktdagen is dat anders. Nu zat ik daar
heel pleizierig en de jonge Tapuitjes kwamen spelen voor mijn voeten.
Die Tapuiten (64) zijn heel mooi grijs met wit en zwart, vogeltjes; min
of meer verwant met de Lijsters. Ze nestelen op Texel in hoeken en
gaten van de tuunwoaltjes en de Texelaars noemen ze „Stog”. Zingen doen
ze weinig, maar ze vroolijken het landschap belangrijk op met hun
dartel heen en weer vliegen en met het beweeg van hun wit met zwarte
staartjes. In ’t voorjaar heb ik dikwijls met het grootste genoegen
gekeken naar hun pronken en stoeien. Om de huizen zelve zong den heelen
morgen het Spotvogeltje en zoo, al teekenend, had ik al gauw in de
gaten, waar één van die zangers zijn nest moest hebben. ’t Was
heelemaal geen kunst, om dat te ontdekken, want het aantal van de
boomen en de heesters op die erven was nu niet bepaald
verbazingwekkend. Indertijd, toen ik op Texel woonde, had ik midden in
het dorp in den tuin van het Hooge Huis elken zomer mijn
spotvogelhuishouden en er waren er toen wel minstens twintig in het
dorp. Nu is dat minder, maar ze zitten toch nog over het heele eiland,
even goed als op Vlieland en Terschelling, deze vlijtige fraaie
zangertjes. De Texelsche jongens noemen ze bastaardnachtegalen,
misschien wel omdat ze ook in den nacht zingen, maar ze hebben met
Nachtegalen niets uit te staan; ze zijn meer verwant aan de eene zij
met Fitissen en Tjiftjafjes, aan de andere zij met de Rietzangers.
Nergens komen ze zoo algemeen voor als op onze Noordzee-eilanden.
Ook nu hooren we in ’t voorbijgaan op Molenbuurt den Spotvogel
luidkeels zingen en we rijden nu tusschen hooge tuunwoaltjes verder
naar Oosterend (F), dat we al zoo vaak uit de verte hebben bewonderd.
Het is die bewondering wel waard. Evenals Den Burg is het een mooi
komdorp: kerk en kerkhof in het midden, daaromheen een kringstraat en
die heeft weer drie of vier uitwegen naar de buitenwereld. Een groote
barometer tegen den kerkhofmuur vertelt ons dat in Oosterend naast de
landbouwers ook veel visschers moeten huizen. Het dorp heeft echter
geen haven, hoewel de Oosterenders er heel graag een zouden willen
hebben. Nu liggen hun botters òf op de ree bij Oost òf in de haven van
Oude Schild en je ziet dan ook dikwijls Oosterender visschers met hun
bultzak langs den Zuiderzeedijk kuieren naar de havenplaats.
Wij rijden even het kerkhof rond, verheugen ons in het keurig nette
uiterlijk van huizen en straten en nemen dan den uitweg naar Oost,
langs de „Vermaning”, dat is het Doopsgezinde kerkje. Tusschen twee
haakjes, de bevolking van Texel is voor een derde deel doopsgezind, een
derde Katholiek en een derde Hervormd en Gereformeerd, eerlijk gedeeld.
De kronkelende en eenigszins golvende weg vertelt ons, dat we nog op
het oude eiland zijn, dat tamelijk hoog ligt, maar tegen hooge
stormvloeden toch door flinke dijken verdedigd moest worden. Weldra
zien we dien dijk aan onze linkerhand, die doet echter tegenwoordig
geen dienst meer, want daarachter ligt nu de polder het Noorden en
dezen krijgen we dan ook te zien, als we door de buurt Oost gefietst
zijnde, even den hoogen dijk zelf beklimmen. Hier gaan we een poosje in
het gras liggen om een kijkje te nemen over de plek, die eenmaal een
der vogelrijkste oorden ter wereld was. Ik heb daarvan in mijn eerste
hoofdstuk al het een en ander verteld. In de jaren, toen die polder nog
niet bijzonder voor landbouw of veeteelt geschikt was, kon je daar nog
al gemakkelijk toestemming krijgen, om rond te dolen over de
schelprijke slibvlakten en langs de plassen en kreken. Daar heb ik
dikwijls gebruik van gemaakt en ik vrees, dat ik zulke mooie dingen,
als ik daar destijds gezien en beleefd heb, wel nooit meer zal zien of
beleven. Je moest er altijd goed uitkijken en voorzichtig loopen, want
er was alle kans, dat je zoudt trappen in een nest met eieren of op een
donzig jong. Op een paar mooie Junidagen kon je daar kennis maken met
haast al onze Nederlandsche moerasvogels met hun eieren en nesten en de
meeste daarvan broedden er in grooten getale. Toen ik daar voor ’t
eerst van mijn leven onder geleide van een paar van mijn schooljongens
mocht rondwandelen, was ik één en al verbazing en bewondering, want ik
had nooit geweten, dat er zoo iets in Nederland bestond. Over de
vogelwereld van Rottum had ik wel eens wat gelezen in een mooi Duitsch
boek van Droste-Hülshoff en over het vogelleven op de Wadden in het
algemeen zijn een paar zeer schoone bladzijden te vinden in Starings’
Bodem van Nederland, maar eigenlijk had niemand ooit verteld, dat daar
op Texel in den polder het Noorden ieder jaar duizenden vogels broedden
van wel anderhalf dozijn verschillende soorten. En dat alles kwam in
beweging, als je den polder betrad: allereerst de vischdiefjes, zoowel
de Gewone als de Noorsche; slanke spitse vogeltjes, allemaal witte
streepen langs de blauwe lucht. Als ze dichtbij genoeg komen kun je den
blinkend zwarten schedel en de diep gespleten zwaluwstaart bewonderen.
Ze vliegen op verschillende hoogten, zes verdiepingen van vischdiefjes
en ze schreeuwen allemaal langgerekt en schel „pierik, pierik”. Dan
opeens kwam door het gewemel der Sterntjes een woedende Scholekster
aanschieten met fel „tepiet, tepiet” recht op me af en na hen een
aantal zwart met witte Kluten met helder „kluut”, „kluut”. En
onophoudelijk Kieviten en Tureluurs, Grutto’s, welbekend met daarnaast
kleine, zeer slanke, witte vogeltjes met zwarte schedelkap, de
Dwergsterntjes, de sierlijkste van allen. Ondertusschen rennen er
rondom nog meer Kluten, die zwaaien en zwenken met kleppende vleugels
over ’t modderveld, alsof ze aangeschoten waren in beide beteekenissen.
Terwijl we naar hen kijken, zien we daar nog andere vogeltjes rennen,
heel kleine, van het kaliber van zangvogeltjes, maar het zijn toch
echte steltloopers: Bontbekpleviertjes en Strandpleviertjes (71),
vooral de laatste in zeer groot aantal. Ook Zwartkopmeeuwen huisden er
en in den goeden tijd ook nog de groote Zeezwaluwen en de Kemphaantjes
hadden er een druk bezochte kampplaats. Uren en uren heb ik daar wel
gezeten in een half overdekte kuil om op mijn gemak al die vogels te
bekijken, in ’t bijzonder de Kemphaantjes. Het talrijkst waren die
vogels in het oostelijk gedeelte van den polder, dicht bij den molen.
Dat stuk heet De Bol en hoewel het sinds de verdere ontginning van den
polder gedaan is met den overstelpenden en ongelooflijken overvloed van
vogelleven uit vroeger dagen, is thans nog die Bol beroemd ver buiten
de grenzen van ons vaderland. De eigenaars laten in samenwerking met de
Vereeniging tot Bescherming van Vogels in Nederland in den broedtijd
het terrein bewaken en slechts in zeer bijzondere gevallen worden er
bezoekers toegelaten. Gezeten op den hoogen dijk kunnen wij echter een
groot deel van De Bol gemakkelijk overzien en zelfs zonder verrekijker
kunnen we genieten van het drukke vogelleven. We hebben den molen en
den molenplas vlak voor ons en ook de breede Kreek, die westwaarts
gaat. Daarlangs loopen wel altijd een paar Kluten rond en als we scherp
toezien, bespeuren we ook wel de broedende Kluut of zien we, wat nog
wel zoo aardig is, een familie van jonge Kluutjes wandelen langs den
oever of zwemmen in het water van de Kreek. Een groote Scholekster zit
stil in ’t veld, haar roode snavel komt goed uit tegen het groene gras.
Misschien zit zij daar te broeden, misschien ook niet, want die
Scholeksters houden er wel van, om zoo gewoonweg in het gras te zitten
en of ze dat doen om de eierzoekers te misleiden, dat weet eigenlijk
niemand. Leeuweriken en Piepertjes zingen onophoudelijk. Overigens is
het heel rustig in den polder. Als we wat geluk hebben, dan wil het
echter wel gebeuren, dat er een Kraai komt overvliegen, of een
Kiekendief, een Zilvermeeuw, alle drie nogal roovers van eieren en
jongen. Dan komt de heele kolonie in opstand en hebben we gelegenheid
om het grootste deel van de bevolking onder de wapens te zien en het
zijn er altijd nog heel wat meer, dan ge op het eerste gezicht gedacht
zoudt hebben. Soms komen hier ook de zeldzame Groote Sterns (91). ’t Is
altijd de moeite waard, om eens een half uurtje of langer door te
brengen op dien hoogen Slaperdijk bij den polder het Noorden.
Natuurlijk hebt ge er nog meer aan, wanneer ge beschikt over een goeden
verrekijker.
Nu willen we verder gaan. In weinige minuten staan we op den
eigenlijken Waddenzeedijk en nu gaat het Noordwaarts. Aan onze
rechterhand strekt de wijde Waddenzee zich uit. Die is hier heel
ondiep, ligt bij laag water over een groote uitgestrektheid droog,
alleen een paar geulen blijven water houden en daarin liggen dan ook
meestal enkele scheepjes. Verder staat de bank vol met eigenaardige
groepen van stokken en staken, die beduiden botnetten of palingfuiken.
Heel in de verte zien we de duinen van Vlieland en bij zeer helder weer
lukt het ook wel om ver naar rechts iets te zien te krijgen van de
Friesche kust. We moeten toch nog eens even afstappen bij het
uitwateringsluisje van den Polder het Noorden. De buitenglooiing van
den zeedijk is wel wat steil en de steenen wat hard, maar als je op een
eiland bent, dan moet je toch eens probeeren, iets te zien te krijgen
van het leven in de zee. Dat lukt hier beter dan op de vlakke stranden.
In het heldere diepe water van den sluismond zien we de dieren en
planten even mooi als in een aquarium en we gevoelen den aanblik als
veel en veel mooier, omdat wij hier de dingen zien in echte
werkelijkheid, in de vrije en frissche natuur. De bruingroene
Blaaswieren en haar verwanten bekleeden de schoeiïngen en steenen en
montere krabben klauteren er tusschen door. Hoe meer je kijkt, hoe meer
je er ziet. Heele stukken sluismuur zijn als het ware bepleisterd met
slakkenhuisjes, allemaal alikruiken. Maar het mooist zijn de
langoog-kreeftjes, lange bleeke, half doorschijnende garnaalachtige
dieren, maar met een smalleren kop en daaruit steken aan weerszijden op
lange stelen de donkere oogen uit. Dit beest heet Macropsis Slabberi.
Ze zwemmen hier rond bij dozijnen, tegelijk met nog meer klein gedoe.
Als we wat meer tijd hadden en een behoorlijk netje, dan konden we hier
heel gemakkelijk een aantal interessante bewoners van de zee
bemachtigen. Ik kijk hier ook altijd uit naar Zee-anemonen, maar tot
nog toe heb ik ze er niet getroffen, wel zuiderlijker tusschen Oost en
Oude Schild, waar de diepe Texelstroom vlak langs den zeedijk strijkt.
Nu stappen we weer op onze fietsen en gaat het noordwaarts boven op den
hoogen zeedijk. Links hebben we nu den polder het Noorden, met molen en
kreken en vogels, rechts de zee met heel in de verte de duinen van
Vlieland. Dan krijgen we een paar hekken te bewerken, want deze dijken
worden beweid en ten slotte stappen we af bij het begin van den polder
De Eendracht (E). Hier lig je goed aan de buitenzijde van den dijk in
de geurige Artemisia, de zeealsem (24). De fijnverdeelde bladeren van
deze plant zijn zilverwit behaard, de stengels en de kleine
bloemhoofdjes ook en zoo maken nu al die Zeealsems een mooi zilveren
band langs den voet van den dijk, die zelf weelderig is begroeid met
hooge grassen. De Zeealsem groeit ook nog in kleine groepjes op den
kwelder zelf, hier en daar tusschen het donkergroene kweldergras, dat
weer afgewisseld wordt door Zeeweegbree en Engelsch Gras en
Zeemelkkruid met Zoutgras. Dit Zeemelkkruid (23) groeit graag op
kleiigen grond in ’t bereik van het hooge water en waar het welig
tiert, laat het voor het gras geen plaatsje over. Het bloeit met mooie
rose bloempjes, die echter niet bijzonder in ’t oog vallen. Alleen als
je dit plantje kent en er van houdt, omdat het op de zilte stranden
groeit, krijg je ook gemakkelijk de rose bloemenmassa te zien. En
dikwijls zijn de plantjes grijs van het slib, dat de laatste hooge
vloed heeft achtergelaten, maar daar kunnen ze wel tegen; de eerste de
beste regenbui spoelt het er af.
Nu willen we den kwelder op om nog een paar planten te zoeken. Gelukkig
is het laag water, dus we kunnen een heel eind weg komen. Het blijkt nu
dat het groene buitenland doorsneden wordt door kreken en zelfs door
slooten en greppels. Die staan grootendeels droog en we kunnen er wel
door heen stappen, maar altijd toch met voorzichtigheid. Waar de bodem
zandig is bestaat natuurlijk geen gevaar, maar er zijn kleigaten en
daar kun je wel eens zoo tot je middel in de zwarte modder wegzakken.
Natuurlijk worden we begeleid door Tureluurs, Kieviten, Scholeksters,
Leeuweriken en Piepers. We sturen op een kleurplek af, mooi
lavendelblauw tusschen het groen. Dat is het Limoenkruid (21), die net
in bloei begint te komen, Statice Limonium, familie van het Engelsch
gras, ook met een dubbele kelk. De bloempjes zitten dicht opeen op
aardig vertakte trossen. Er groeien er hier niet zooveel als op
Terschelling en Griend, maar toch genoeg om er het aardige
Snuitkevertje te vinden, dat onafscheidelijk aan deze plant verbonden
is en het aardige rupsje, dat we haast niet kunnen ontdekken, want het
heeft precies de kleur van de bloemen. Langs de modderkreken groeit nog
een grijze plant met welige bladeren en rijkelijk bloeiend met kleine
onduidelijke bloempjes. Dat is de Obione (22), een verwant van biet en
spinazie evenals de Suaeda, die hier ook overvloedig groeit. Beide,
Obione zoowel als Suaeda (19) maken veel meelrijke zaden en zoo is hier
in ’t najaar altijd wat te halen voor de vinkachtige trekvogels, die
ook hun bekomst kunnen eten van de vruchten van de Zeekraal, een lid
van dezelfde familie.
Deze Zeekraal (30) staat al op het naakte slik in gezelschap van het
Kleine Zeegras. Over het slik heen zien we de effen zee en op den rand
van slik en zee allerlei ruwheidjes, net kluiten en in de zee zelf
rijen paaltjes, donkere en lichte. Opeens gaat zoo’n zwart paaltje
bewegen, dan een tweede en andere en eindelijk zijn dat achtendertig
groote zwarte vogels, die achter elkaar aan vlak over het water heen
vliegen. Wie de Wadden bevaart en bewandelt, kent deze vogels heel
goed. Het zijn de Aalscholvers of Schollevaars, die met andere
gelijkgezinden hier de helft van den tijd staan te dutten op de banken.
Als het hoogwater op komt zetten, vangen zij al duikende hun visschen
en hebben dra genoeg tot het volgend getij. De meeste van deze vogels
zijn onbehuisd. Nesten hebben ze hoogstwaarschijnlijk niet, daar zullen
ze misschien een volgend jaar aan doen. De naaste nesten voor deze
vogels zouden zijn in Gaasterland of iets verder in het
Vollenhovensche. Men is dezen Aalscholver niet goed gezind, omdat men
sommetjes maakt van hoeveel visch hij wel verslindt en hoeveel schade
hij toebrengt aan de boomen, waar hij de takken van afbreekt, om zijn
nest te bouwen. Soms worden dan ook heele kolonies moedwillig verstoord
en dan moet vader Aalscholver er op uit, om maar gauw een veiliger
verblijf te vinden.
De andere paaltjes zijn blauwe reigers (107), de gewone, ook al een
visscher net als de Aalscholver. We zullen hun nesten nog wel vinden in
een ander deel van het eiland. Ook deze reigers kunnen uren stil staan.
Soms wandelen ze wel rond langs de diepere kreken, stappen er in en
raken ze uit hun diepte, dan zwemmen ze wel een paar slaagjes. Het is
wonderlijk, zooveel vogels als er kunnen zwemmen. Zwemmende reigers zie
je nu niet alle dag, maar hier op de slikken van de Eendracht kunt ge
allerlei ongewone dingen zien. Lepelaars kuieren hier ook rond, hun
witte gestalten zijn niet eens zoo heel duidelijk te zien tegen de
blinkende zee. Zij loeren voornamelijk op garnalen en op onzen vrind
met de lange oogen, de Marcropsis Slabberi. Als die garnaaltjes zich
verschuilen in het zand, dat kunnen ze zoo vaardig doen, dan woelt de
Lepelaar ze wel weer te voorschijn met zijn breeden bek. Daar vliegen
ze op. Als we nu onzen kijker te baat nemen kunnen we zien of het jonge
vogels zijn. Die zou je om dezen tijd al kunnen verwachten. Neen, ze
hebben geen zwart aan de vleugels, dus oude vogels, die voedsel zoeken
voor hun jongen op de nesten in het Zwanewater of in de Mui. Misschien
zwalkt hier ook alweer menige Lepelaar rond, die in het geheel geen
nest heeft, net als de Mantelmeeuw, waarvan er ook een heel kluitje
bijeen staan aan den rand van het Vogelzwin: oude vogels, heelemaal met
zwarte vleugels, dat zijn vierjarige of oudere. Ook staan er vlekkig
bruine Meeuwen, dat zijn jeugdige Zilvermeeuwen (88) en Mantelmeeuwen.
Hoe meer we toezien, des te meer vogels ontdekken wij, allemaal in het
water of op den rand van het slib. Daar staat een heele troep groote
Wulpen (87), zoo gemakkelijk te kennen aan hun lange, omlaag gebogen
snavels; we zullen ze morgen ook nog wel ontmoeten in het duin. Hebben
ze kleintjes bij zich? Neen, dat is een andere soort van Wulp, de
Regenwulp (96), die is duidelijk kleiner en als we wat dichterbij gaan
en onzen kijker gebruiken dan kunnen we ook goed de lichte streep zien,
die precies midden over hun kop gaat. Die heeft de Groote Wulp niet;
wel de beide lichte strepen boven de oogen. Deze Regenwulpen zijn ook
echte Waddenboemelaars. Ze broeden hier nooit, dat doen hun vlijtige
broeders en zusters in Schotland, Scandinavië en de Poolstreken. Hier
bij ons brengen ze veel levendigheid, want op mooie dagen vliegen ze
hoog in de lucht met welluidend geroep. Je kunt ze overal in ons land
verwachten in een breede strook langs de zee.
Een andere zomergast, die hier niet broedt, is de Rosse Grutto (95),
die is in den regel ook wel op de Eendracht-slikken te vinden, soms in
troepen van honderden. Je kent ze duidelijk aan hun langen rechten,
eenigszins omhooggebogen snavel. Ze zijn heel mooi bruinrood, maar dat
maakt hier op ’t slik niet zoo heel veel indruk. Om gezien te worden,
moet je fellere kleuren hebben, zooals onze vriend de Scholekster, die
hier ook op zijn dikke roode pooten door de modder baggert.
En wat is dat voor een gekke vogel? Die is pikzwart van onderen en ook
aan keel en wangen en dan gaat er om dat pikzwart een witte streep,
terwijl rug en nek vlekkig zilvergrijs zijn. Dat is onze derde
boemelaar, de Zilverplevier in prachtig zomerkleed. In plaats van
behoorlijk te gaan broeden op de toendra’s van Siberië kuiert hij hier
met zijn kornuiten op de slikbanken van de Waddenzee.
Wat blinkt daar in de verte? Telkens flitst het wit op en dan zie je
weer niets. Het komt dichterbij, nu zien we op het wit ook donker
volgen en eindelijk ontdekken we, dat we een wolk van vogeltjes voor
ons hebben, die hier vliegoefeningen houden net zooals we de Spreeuwen
dat wel zien doen. Deze vogels zijn ook niet veel grooter dan
Spreeuwen, het zijn Bonte Strandloopertjes (67). Zomer en winter zijn
die op de Wadden aan te treffen, in ’t zomerkleed hebben ze een groote
zwarte vlek aan borst en buik, ’s winters is de heele onderzijde wit.
Het aantal van deze bonte strandloopertjes op onze Wadden loopt wel in
de millioenen. Het talrijkst zijn ze wel in October, want dan komen een
groot deel van de poolbewoners hierlangs, om hier of nog verder naar ’t
zuiden te overwinteren. Ge moet eens op de wereldkaart kijken, hoe
klein ons land is in vergelijking met Scandinavië, Rusland en Siberië.
Daar kunnen ’s winters slechts weinig vogels blijven en het grootste
deel van de bewoners dier streken trekt langs en over de Noordzee naar
de winterkwartieren en dan komen over de slikken achter de Eendracht
niet alleen Steltloopers, maar vogels van allerlei pluimage.
Wij hebben eens op die slikken gestaan op een stillen Octoberdag en dat
zal ik nooit vergeten. Er was zeker pas een bezending poolvogeltjes
aangekomen, die nog geen begrip hadden van de gevaarlijkheid der
menschen, tenminste ze bekommerden zich in ’t geheel niet om ons. We
stonden daar een kilometer buitendijks in de weeke zwarte modder en de
Zeekraalplantjes waren al aan het verdorren. Overal om ons heen
wiemelde het van Strandloopertjes. Vele boorden met hun snavels in de
modder, andere stonden stil, dribbelden wat achter elkander aan,
vochten soms een beetje en onder al die duizenden waren er altijd
eenige, die wat te vertellen hadden en dat was dan een onophoudelijk
gekrieuw en gepiep over de heele vlakte heen. Het leek wel op het
geluid dat ijsgruis maakt, wanneer dat deint in den golfslag. Het was
als een droom, om daar zoo midden in al die duizenden vogeltjes te
verkeeren. Er waren er van allerlei soort: Bontbekpleviertjes en
Strandpleviertjes, allebei te kennen aan hun korte snavels en dan met
langen snavel de Bonte Strandloopers, de Kanoeten (70), die wat grooter
zijn, de Krombekstrandloopers en de mooie melig witte
Drieteenstrandloopertjes. Daar waren ook Zilverplevieren en een menigte
Rosse Grutto’s. Er leken er hoe langer hoe meer te komen en dat was ook
zoo, want de vloed kwam op en die joeg ze eerst dichter opeen. Wij
maakten beenen landwaarts, want op die vlakke slikken is de vloed gauw
bij je. De kleine Strandloopertjes vlogen ten slotte op: een
reusachtige wolk van vogeltjes, die werkelijk de lucht verduisterde.
Tot ons verdriet slierden ze over het water heen naar de Vliehors. Wij
waren echter weer spoedig getroost, want bij de hoogere kwelder kwamen
we een troepje Strandleeuweriken tegen; die zijn werkelijk aan onze
gewone Leeuweriken verwant, maar dadelijk te kennen aan geel aan hun
kop en merkwaardige zwarte veertjes in oor- en oogstreek. Ze komen
alleen ’s winters op onze stranden en broeden op de toendra’s, waar ze
ook hun lied laten weergalmen. Ik heb ze nooit hooren zingen. Echter
zou het niet onmogelijk zijn, ze hier te hooren in Februari of Maart,
want de trekvogels willen ook wel zingen buiten hun broedgebied. We
vonden nog allerlei vogeltjes op de kwelder, Vinken, Keepen,
Roodborstjes, Fratertjes, zelfs Lijsters en ook heel veel gewone
Leeuweriken en Piepers. Het is zeer de moeite waard om in October en
zelfs ook in December, ook in Augustus eenige dagen door te brengen op
die slikken. In den wintertijd kan het zeegat vol zitten met Alken
(103) en Zeekoeten (105), een enkele Jan van Gent, Franjepooten,
Meeuwen van allerlei soort en ook velerlei duikeenden en zagers en
nooit zal ik vergeten hoe ik er op een winterdag een grooten troep
Rotganzen (77) heb zien neerstrijken, kleine zwarte gansjes met hoogen
achtersteven.
Maar nu is het Juni, dat is toch de allermooiste tijd van ’t jaar. We
willen nu maar langs den buitenkant van den Eendrachtsdijk verder gaan.
De dijk zelf is niet te berijden, hij is maar smal en heelemaal met
gras begroeid. De vruchtbare polder ligt er achter, daar joelen en
jodelen weer de Tureluurs en Kieviten en Grutto’s en zingen de
Leeuweriken en Piepers. Ook komt er uit dien polder een vreemd geluid:
„snirs, snirs” heel regelmatig, paarsgewijs bij tusschenpoozen. Dat is
de onzichtbare vogel, de Kwartelkoning, je hoort hem nacht en dag, maar
alleen buitengewoon geduldige of buitengewoon gelukkige menschen
krijgen hem te zien, wanneer hij met zijn smal bruingevlekte lichaam op
slanke pooten tusschen gras en klaver sluipt.
Aan het eind van den polder de Eendracht komen we aan den
Eijerlandschen dijk, met een goeden grindweg aan de binnenzijde en die
brengt ons spoedig naar de Cocksdorp. Bij de duikersluis kijken wij nog
even naar de vogels en de schepen, die in de nauwe vaargeul liggen, die
van hier langs de Steenen Plaat naar het Eijerlandsche gat leidt. Dan
gaan we even wat drinken in het hotel; misschien hangt daar nog wel die
merkwaardige kaart met de schipbreuken. Vervolgens rollen we het dorp
uit langs de Roggesloot, dat heelemaal geen sloot is, doch een prachtig
breed water met lage weiden er om heen en ook alweer druk bevolkt met
vogels. Rechts hebben we nog een poosje aardig houtgewas en daarin
zingen alweer de onvermoeide Spotvogeltjes. Weldra komt er aan dat hout
een einde en nu begint de rit door den grooten polder Eijerland, eerst
linksaf en dan weer rechtsaf en dan zijn we op den onafzienbaren
hoofdweg, het „gebed zonder eind”.
De boerderijen en de arbeiderswoningen brengen van afstand tot afstand
eenige afwisseling, maar veel is dat niet. Gelukkig is het Juni en er
staat niet veel wind. Meestal toch waait het op Texel nog al en dan
krijg je hier in het boomlooze Eijerland de volle laag en aangezien de
zuider- en westerwinden bij ons de overhand hebben, krijg je van
Cocksdorp komende bijna altijd tegenwind. Ik heb tenminste al dikwijls
naar het Amen van dit Gebed zonder einde verlangd en ben dankbaar
geweest voor de beschutting, die op sommige plaatsen geboden wordt door
een rijtje van wilgenstruiken. Als het lijden kon, moest het Bestuur
van den Polder Eijerland zijn wegen eens gaan beplanten, al was het
alleen maar aan de westzijde. Het zullen nooit Middachter Allée’s
worden, maar dat er iets van te maken valt, blijkt voldoende uit de
beplantingen rondom de groote boerenhoeven. Die vertoonen weliswaar
naar het westen den storenden invloed van den zeewind, maar zijn
tenslotte nog flink opgeschoten. Eigenlijk zien boomlooze wegen in
zoo’n polder er toch zeer armoedig uit. Indien ze allemaal beplant
waren, al was het maar met struikgewas, dan zouden niet alleen wij
minder last van den wind hebben, maar ook het bouwland zou er van
profiteeren en er was weer wat meer nestgelegenheid voor vogels.
De groote boerderijen en de reusachtige schuren doen vermoeden, dat de
ingelanden wel een penningske voor wegbeplanting zouden kunnen offeren.
Op de zeeklei van Eijerland worden allerlei landbouwgewassen geteeld.
We zien er de dikke aren van de tarwe, de zacht glanzende aren van de
gerst, de glinsterende pluimen van haver. Sommige velden zijn begroeid
met fijne, gelig groene planten en als we daar in den morgen langs
komen, dan hebben we geen moeite om aan de witte en blauwe bloempjes
het vlas te herkennen. In den namiddag vallen die bloempjes uit, maar
morgen zijn er weer nieuwe. Mooi zijn ook de velden met maankop, nu
prachtig in bloei met groote bleekpaarse bloemen. In de verte lijken
die maankopvelden wel waterplassen. Aardappelen ontbreken ook niet en
er zijn ook velden met karwei, nu reeds in vrucht, eenige weken geleden
waren die sneeuwwit in bloei. Straks wordt die karwei geoogst en dan
ploegt men den akker weer om voor een navrucht. Als dan de paarden den
ploeg door de klei trekken, komen onze Meeuwen van De Staart in Waal en
Burg bij honderden hierheen en die verdringen zich dan tusschen de pas
omgeworpen kluiten, om er de insectenlarven te bemachtigen, die zoo
onzacht uit hun rustige leventje zijn opgeschrikt. Ook eten ze de
Langpootmuggen (132). Ik houd wel van een ritje door het landbouwgebied
en houd hier allebei mijn ooren open om te luisteren of ik den Kwartel
ook hoor, het kleine hoenderachtige vogeltje van de korenvelden. In
Zuid Eijerland heb je nog wel eens kans om zijn „kwikmedit, kwikmedit”
te hooren klinken. ’t Is heel ongelijk, in sommige jaren hoor je er
veel en dan gaan er weer jaren voorbij, zonder dat je een enkelen
Kwartel hoort. Dan zijn onze broedvogeltjes hoogstwaarschijnlijk in het
winterverblijf of op de reis gevangen en daarna opgegeten. Dan kan het
weer jaren duren, eer uit een tijdelijken overvloed van Kwartels er
zich weer een paartje in onzen polder kan vestigen.
Dicht bij het eind van den hoofdweg, waar deze een bocht maakt, staat
een boerderij juist in de as van den weg. Het spitse dak is als een
pyramide in de woestijn, een verre pyramide, die we moeten bereiken.
Eindelijk wordt zij al grooter en grooter. Nu zijn we bij ’t huis zelf,
we zwaaien linksaf en dan tegen den hoogen dijk van Waal en Burg op.
Hier kijken we weer even uit. We zien onzen dijk westwaarts doorloopen
heelemaal tot aan de duinen. De dijk zelf lijkt ginds ook wel een duin,
hij is begroeid met helm en inderdaad is dat stuk dan ook een oude
stuifdijk. Dit was nu voor 1837 de noordkant van het eiland Texel.
Eijerland was een kwelder en bij hoog water sloeg de zee hier tegen den
dijk. Vlak voor ons, in Waal en Burg zien we een uitgestrekt water, de
Kil (N). De oevers zijn met riet begroeid, daarin zingt de Kleine
Karekiet (104) en als we naar links dien rietzoom volgen al verder en
verder, dan komen we aan het land waar al de Meeuwen broeden, het
natuurmonument De Staart aan de Rommelpotskil. Al die killen waren
geulen in den tijd toen Waal en Burg nog zee was en thans dienen ze
samen als binnenboezems, waarin het overtollig polderwater bewaard
wordt, tot het hoog genoeg staat, om door het duikersluisje geloosd te
worden op den polder het Noorden en dan mag de molen het door ons
sluisje met de langooggarnaaltjes wegmalen naar de Wadden. ’t Is heel
prettig, om hier vanaf den hoogen dijk de Kil te overzien. Al heel gauw
bespeuren we een Wilde Eend (73), die met jongen rondzwemt en een
Slobeend (74), die in hetzelfde geval verkeert. Ik heb wel eens
gedacht, dat er op Texel meer Slobeenden dan Wilde Eenden zouden zijn.
Ge weet wel, die Slobeend is dadelijk te kennen aan zijn grooten
breeden snavel. Het lijkt wel, of die snavel hem te zwaar is, want hij
zwemt meestal met zijn kop vlak op ’t water. Behalve Eenden zien we in
de Kil ook altijd Koeten (78). Die lijken op zwarte eendjes, maar daar
hebben ze toch niets mee te maken, want ’t zijn echte Steltloopertjes
en ze hebben geen zwemvliezen, wel eenigszins verbreede teenen. De
witte vlek op ’t voorhoofd is wel hun voornaamste en duidelijkste
kenmerk. Aardige dieren die Koeten. Ze zijn altijd bezig, duiken naar
voedsel, sleepen bouwstof naar nest of rustplaats, voeren hun jongen en
maken wat burengerucht. Nu eens zwemmen ze hoog op ’t water, dan weer
komt hun rug nauwelijks boven en ik heb er wel gezien, die rondzwommen
met alleen maar hun kop boven water. Hun onophoudelijk kortaf gekef
geeft aardig leven in de brouwerij. Hun jongen zijn in ’t eerst met
donker vlokkig dons bedekt en hebben op den kop een roode huidplek. Ze
sukkelen altijd achter hun moeder aan en daar hebben ze gelijk in, want
die kan ze vastberaden verdedigen tegen den Kiekendief, die jonge
Koeten weet te waardeeren als een lekker nieuw gerecht in den
voorzomer. Nu weer op de fiets en door den rechten weg van Waal en Burg
op De Koog aan. Prettig, dat we in den loop van den dag zooveel vogels
hebben leeren kennen. We vinden ze haast allemaal weer langs dezen weg
en die lijkt daardoor veel en veel korter dan de hoofdweg door
Eijerland, ofschoon het in werkelijkheid maar weinig verschilt.