II. WAAL EN BURG

Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool

„Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of

vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en

de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het

dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak

nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het

rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te

voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de

dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op

jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed

op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het

’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om

telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door

de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland.

Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst

op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein

heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe

mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht wordt

zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte

boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een

nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in

enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De

Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten.

Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze

komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel,

zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks,

dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig

genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek.

Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het

bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje,

hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De

boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de

bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens.

Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op

stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote

meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water

kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen,

lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich

voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok.

Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het

vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken

even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland

beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware

steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer

dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts

voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen.

Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland

Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan

de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee

rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep

heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de

Zuiderzeewerken.

Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die

ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang

of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook

de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en

een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit

het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter

hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen,

het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote

zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we

er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in

’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek,

dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we

dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote

loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de Prins

Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier

schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering

onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning.

Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen

elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een

belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange

reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en

daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe

glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de

leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den

Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn,

draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en

de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu

gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek

van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en

scheepstimmerwerven.

Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets

zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg

naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De

Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen.

Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land

en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale

slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige

Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten

hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven

begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed

deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet

onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze

zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de

baas.

Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten

(81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de

Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee

bezittingen van „onze” vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door

de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers

Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu

weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt

heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren

lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en

dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de

Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de

Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu

hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken.

We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze

zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze

door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever

willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat

gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat

een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders

dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde,

omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen

in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en

omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder,

waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van

Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de

merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar

Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen,

aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den

indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op

aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op

een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt

hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet

meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in

Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië

(met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een

voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook.

Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland

naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven

welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de

Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen

en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een

enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met

prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te

herkauwen tusschen de boterbloemen.

Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en

de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden

Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door

den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind

zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de

scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel Juliana. Zoo’n lange

lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen

mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar

buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar

zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want

we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee.

Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een

klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We

zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den

Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger

de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar

overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar

zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op

Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op

Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de

omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de

nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het

duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we

hier door bebossching en ontwatering hebben verloren.

Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en

snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat

ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland

en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel

zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel

geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen.

Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk

is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook

flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede

zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan,

die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes,

allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op

den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met

viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele

plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine

roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes,

die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar

de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke

strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen

hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist

terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo.

Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de

verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het

strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel

Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan.

Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg

en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is

minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn

ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den

binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er

nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met

boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en

hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en

’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild

en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig

licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland

zijn.

Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in

de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de

Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de

toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige

man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst,

bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje,

zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en

telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd

klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de

tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende

of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige

dichtheid der jonge dennetjes.

Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje

omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt

hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de

dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst:

„tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op

Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper

wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje

gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam

wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel

aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en

Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht,

maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens

Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij

De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den

Zuidwesthoek.

Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van

het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een

vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar

Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier

en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van

Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet

Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den

voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag,

dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel

vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan

zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij

verliep.

Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden,

genietend van de bloemen en de vogels. Het is in ’t begin van Juni.

Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste

grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele

plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat

bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis

morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor

bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien

zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid

van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot

licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een

premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het

rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de

Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan

bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het

gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken

aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene

bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat

het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper

mee, om bonte weiden te vormen.

Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien

dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende

Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten

tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken

weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die

Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend gevederte en

opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken,

dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n

mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg

gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig

Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is

gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer,

steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een

Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en

het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een

voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden

polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo

nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op

hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De

Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen

schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart.

Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen

snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af,

want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n

harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar

eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de

Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80)

weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren

opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de

wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas.

Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg

bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze

trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de

fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat

we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en

rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen,

zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen,

een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer

zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een

zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere

zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is

begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op

zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een

staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag

neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen

ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen

zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem

trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat

hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat

hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te

nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker,

de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze

ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke

halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook.

En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en

dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een

visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn

keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke

vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke

Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug

en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met

hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over

de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog

hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen

fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in,

want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen

aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes,

waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden

rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van,

dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n

drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar

Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel

andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze

hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je

vindt dan zoowel jonge vogels als eieren.

Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat

een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de

Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie

verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden,

onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en

volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd

met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het

toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels

kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik,

donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet

begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een

oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat

is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als

we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons

aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht

is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te

verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange

rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn

boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets

anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we

zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te

kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken

die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de

kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een

halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op

één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige

nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn

zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige

zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt

zeer uiteen. Wij zoeken al ons best naar roodbruine eieren, want die

zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t

Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest

getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu

al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie

je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde

witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt

bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch

beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te

behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt

de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat

dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de

veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van

dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in

Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet

wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en

kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de

broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin

kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze

steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in

’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar

Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en

verder hier bij ons den winter komen doorbrengen.

De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al

eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons

overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te

verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn,

want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze

weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting

van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar

de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en

veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze

vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet vlak op het nest

neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat

doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van

drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens

heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument

de Staart.

Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes,

die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op

elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft

aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche

Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende

soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns

(92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons

land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze

broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel

eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een

Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel

omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje

midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van

dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum.

Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats

meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons

hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en

de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en

gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken

naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet

maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen

grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het

geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker

dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er

gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel

onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te

onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch

wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan

de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange

beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de

grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere

sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er

volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige

Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en

schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen

de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde

onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder,

dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun

deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze

boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het

nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar

morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje

is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad,

dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen.

Texel · 第 6 / 24 题