Wij zijn nu al jaren gewoon, om met de vierde klas van de meisjesschool
„Het Kopje” in het laatst van Mei of in het begin van Juni een dag of
vier door te brengen op Texel. In den regel is het dan prachtig weer en
de planten- en dierenwereld zijn op hun mooist. Wij logeeren dan in het
dorpje Koog in het badhotel, waar in dien tijd uit den aard der zaak
nog niet veel gasten zijn. Meestal hebben wij met ons gezelschap het
rijk alleen en dat is natuurlijk heel prettig en geriefelijk. Van te
voren hebben we op school eenige weken lang ons bezig gehouden met de
dieren- en plantenbevolking van ons dierbaar eiland en daar we jaar op
jaar dezelfde wandelingen doen, zijn we van te voren al tamelijk goed
op de hoogte van wat we kunnen beleven. Voor de meeste jongelui is het
’t eerste bezoek en het is dan voor mij een bijzonder groot genoegen om
telkens weer te zien, hoe de nieuwelingen dadelijk verrast worden door
de wonderlijke en vreemdsoortige schoonheid van het Noordzee-eiland.
Nu is de reis zelf er eigenlijk heelemaal op berekend, om de aankomst
op het eiland tot een vreugde te maken. We zijn dan eerst met den trein
heel Noord-Holland doorgerammeld van Bloemendaal naar Den Helder en hoe
mooi onze Provincie ook mag zijn, in ’t volst van de lentepracht wordt
zoo’n reis ten slotte toch een beetje benauwd, vooral in de beruchte
boomlooze streek benoorden Schagen. We voelen het dan ook echt als een
nieuw hoofdstuk, wanneer we in Den Helder onze fietsen bestijgen en in
enkele minuten rijden naar de haven, waar de flinke stoomboot „De
Dageraad” of „De Marsdiep” al op ons ligt te wachten.
Daar zijn we al dadelijk thuis. De bemanning van de boot beschouwt onze
komst reeds als een gewoon geregeld wederkeerend natuurverschijnsel,
zoo iets als de lammerenmarkt of de lijstertrek en ze zien nauwelijks,
dat het ieder jaar weer andere meisjes zijn. We komen altijd tijdig
genoeg aan, om plaatsen te vinden op het bovendek.
Er zijn weinig plekken op de wereld waar ik liever ben, dan op het
bovendek van De Dageraad, gaande naar Texel, hetzij op mijn eentje,
hetzij in gezelschap van vrienden, geestverwanten of leerlingen. De
boot glijdt langzaam de haven uit, links het Wierhoofd, rechts de
bazaltglooiingen en de metalen pantserkoepel van het fort De Harssens.
Een visschermannetje, een barkas van de marine, een oorlogsschip op
stroom geven een passende stoffeering in het water-landschap. Groote
meeuwen glijden her en der en als we over de verschansing in ’t water
kijken, dan zien we er de mooie doorschijnende groote kwallen,
lichtgroene, blauwe en bruine, meegevoerd door den stroom of zich
voortbewegend met rhythmische spanning en ontspanning van hun zwemklok.
Maar reeds zijn we de haven uit en nu opent zich naar links het
vergezicht door het Marsdiep regelrecht naar de Noordzee. We kijken
even naar den zwaren dijk, die hier de Noordpunt van Noord-Holland
beschermt en wel mag hij breede glooiïngen hebben, bekleed met zware
steenblokken, want het gaat hier steil omlaag tot een diepte van meer
dan veertig meter. Die geul van het Marsdiep zet zich binnenwaarts
voort als Texelstroom en dat is ons vaarwater naar Oude Schild heen.
Naar rechts zijn we gauw uitgekeken, daar ligt in de verte het eiland
Wieringen, dat geen eiland meer is en wij probeeren namen te geven aan
de boomgroepjes en kerktorens die daar in de nevelige verte op de zee
rusten. Wat is nu eigenlijk Hippolytushoef? Een groezelige rookstreep
heel in de verte schrijven we toe aan Keileembaggermolens van de
Zuiderzeewerken.
Ondertusschen zijn we ook op den uitkijk naar Bruinvisschen. Die
ontbreken haast nooit op den Texelstroom en het duurt dan ook niet lang
of we zien een spitse rugvin het water doorklieven en weldra draait ook
de vettig glimmende rug boven de golven uit. Daar komt een tweede en
een derde. Een ervan is een zeer levendig heer, die springt totaal uit
het water en ploft weer neer in schuim en spatten. We zijn nu al ter
hoogte van ons eiland zelf en kunnen elkaar nog even Onrust aanwijzen,
het eenzaam duin, dat eerst een eilandje was, maar nu door een groote
zand- en schelpenvlakte met Texel is verbonden. Misschien wandelen we
er eens heen. Texel breidt zich tegenwoordig zuidwaarts uit en heel in
’t zuiden groeit op het strand een nieuw duin aan, de kleine Pannekoek,
dat ik ieder jaar bezoek, om te kijken hoe het vordert. Nu zijn we
dwars voor de Mok, een diepe baai met aan de zuidzijde de groote
loodsen van het vliegkamp. Aan de Mokduinen sluit zich de Prins
Hendrikpolder aan met het Horntje, een zorgelijke plek, want hier
schuurt de Texelstroom vlak langs de kust, zoodat de zeewering
onophoudelijk behoed moet worden tegen ondermijning.
Over den vlakken polder heen komt nu het binnenland te zien. Wij wijzen
elkaar Den Hoorn met zijn hoogen, slanken kerktoren, die een
belangrijke baak vormt voor de scheepvaart. Daarachter ligt de lange
reeks van de Noordzeeduinen, met de hooge schermbaak van Koog en
daarvoor strijkt nu het halve eiland aan ons voorbij met de flauwe
glooiïngen van Zuid-Haffel en Noord-Haffel, de hoogte van de
leemkuilen, de Hooge Berg met zijn miniatuur beukenwoud, het dorp Den
Burg met zijn beide kerktorens en als wij daar nog druk mee bezig zijn,
draait onze boot al naar de haven van Oude Schild (B). De torentjes en
de daken van dit lange dorp kijken net boven den zwaren zeedijk uit. Nu
gaat het door den nauwen ingang naar de havenkom, de bedrijvigste plek
van het heele eiland met zijn molen en pakhuizen, garnalenkokerijen en
scheepstimmerwerven.
Het duurt dan ook nog al een poosje, eer we allemaal op de fiets
zitten. Eindelijk draaien we om de haven heen, laten den grooten weg
naar Den Burg links liggen en slaan den landweg in, die ons over De
Waal en door den polder Waal en Burg naar De Koog zal brengen.
Aanvankelijk rijden we door het lage gedeelte van Oud-Texel, venig land
en kleiig land, vol slooten en plassen en hier en daar met kale
slibplekken. Hier zitten we dadelijk volop in de vogels. De roodbeenige
Tureluurs (83) laten hun welluidende loktonen en waarschuwingskreten
hooren, deze geluiden van „tjo, tjo” en „tuutuutuut” zullen ons blijven
begeleiden al de dagen, die we op Texel zullen doorbrengen en een goed
deel van de nachten ook. De Kieviten en de Grutto’s laten zich ook niet
onbetuigd en schreeuwen ieder om het hardst hun eigen naam, maar hoe ze
zich ook weren, de alomtegenwoordige Tureluur blijft hun altijd de
baas.
Ook rijden we nog geen drie minuten of we krijgen onze eerste Kluten
(81) te zien in het natte land links van den weg, eigendom van de
Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Daar liggen twee
bezittingen van „onze” vereeniging. Een daarvan is ons aangeboden door
de zustervereeniging „Tot Bescherming van Vogels” en heet „Büttikofers
Mieland”. ’t Is een herinnering aan een ouden grijzen Zwitser, die nu
weer in Bern woont, maar meer dan een halve eeuw in Nederland gewerkt
heeft. De Rotterdammers kennen hem heel goed, want hij is daar jaren
lang Directeur geweest van de Diergaarde, goed vriend van mensch en
dier. Maar wij gedenken hem hoofdzakelijk als bestuurslid van de
Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en President van de
Vereeniging tot Bescherming van Vogels en als zoodanig heeft hij nu
hier zijn weliswaar modderig, maar bloemrijk en vogelrijk gedenkteeken.
We stijgen hier even af, om op ons gemak naar de Kluten te kijken. Ze
zijn in ’t geheel niet schuw. Op hun lange loodgrijze pooten waden ze
door de plassen en langs de slootkanten. Als ze naar den anderen oever
willen gaan, zwemmen ze doodbedaard door het diepe water heen en dat
gaat heel goed, want ze hebben flinke zwemvliezen aan hun voeten. Wat
een mooie vogels en hoe eenvoudig van kleur: het gevederte niet anders
dan sneeuwwit en pikzwart. Ook de lange, merkwaardig gevormde,
omhooggebogen snavel is zwart. Het is een lust, ze te zien rondstappen
in het ondiepe water, rustig op hun lange beenen, den hals vooruit en
omlaag gestrekt en dan maaien ze met hun snavel door de weeke modder,
waarin allerlei gedierte huist, voornamelijk bescheiden verwanten van
Kreeften, Krabben, Garnalen en zulk gedoe. Dit is wel een van de
merkwaardigste vogels van ons land en alleen reeds een reisje naar
Texel waard. We zullen die Kluten vinden over het heele eiland heen,
aan de stranden, zoowel als in het binnenland en je krijgt hier den
indruk dat het een heel gewone vogel is. Dezelfde ervaring doe je op
aan het eilandje bij den Hoek van Holland, in het Voornsche duin en op
een paar plekjes op Schouwen. Hier en daar langs de Zuiderzee broedt
hij ook wel, maar dat is dan ook alles. In Engeland broedt hij niet
meer, in Duitschland aan de Oostzee heel zelden, maar wel veel in
Jutland, in Zuid Spanje, langs de Middellandsche zee en door heel Azië
(met zijn brakke meren) heen tot in Japan. Hij zit dus hier op een
voorpost en wij mogen hem wel in eere houden. Dat doen we dan ook.
Nu opstappen weer en in den reinen lenteavond dwars door het eiland
naar het verre duin, dat ons zijn schaduwzijde toekeert. Daarboven
welft zich de blanke lucht en rondom ons heen tierelieren de
Leeuweriken (63). Vlak bij ons zien we ze de hoogte ingaan of neerdalen
en met hen jodelen en jubelen al de langbeenige waadvogels, op een
enkele na. De lammeren spelen op de walletjes—voor zoover die niet met
prikkeldraad bezet zijn, terwijl hun flegmatieke mamma’s liggen te
herkauwen tusschen de boterbloemen.
Langs de pastorie komen we De Waal (C) binnen, maar langs de herberg en
de smederij rollen we er meteen uit, even rechts langs den Ouden
Slaperdijk en dan linksaf den beroemden lijnrechten weg in, dwars door
den polder Waal en Burg en zoo op De Koog (7) aan. Heel aan ’t eind
zien we hoog op het duin het Scherm van De Koog, de baak voor de
scheepvaart en rechts daarvan ons badhotel Juliana. Zoo’n lange
lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen
mooier en onderhoudender weg in heel Nederland en misschien ook daar
buiten, dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg. Daar
zullen we morgen wel meer van beleven. Nu trappen we flink voort, want
we willen den eersten avond den besten de zon zien ondergaan in de zee.
Weldra hebben we het eind van den polderweg bereikt. Daar ligt een
klein meertje. Meteen maakt de weg een bocht en we gaan wat omhoog. We
zijn hier weer op het oude eiland, op den Pijpersdijk, in den
Texelschen volksmond bekend als „Pupelikediek”. Hier begonnen vroeger
de heerlijke Mientegronden al en er ligt nog een klein stukje hei, maar
overigens is alles ontgonnen, veranderd in weiland en bosch. En daar
zingt nu de vogel, die vijfendertig jaar geleden aan mijn geluk op
Texel ontbrak, de blijde Nachtegaal. Sedert een jaar of tien is die op
Texel komen broeden, eerst, merkwaardig genoeg in het Oude Eiland in de
omgeving van den Hoogen Berg, maar later gaf hij de voorkeur aan de
nieuwe bebossching en de oude boschjes langs den binnenvoet van het
duin. Een aardige schadevergoeding voor het vele natuurschoon, dat we
hier door bebossching en ontwatering hebben verloren.
Weldra rollen we door het dorpje, klauteren omhoog naar ons hotel en
snappen werkelijk na het avondeten de zon nog net op ’t oogenblik, dat
ze wegduikt. Op hetzelfde moment beginnen de vuurtorens van Eijerland
en van Kijkduin te lonken en te flonkeren, want je zit daar op Texel
zeer genoeglijk tusschen twee belangrijke kustlichten, heel
geriefelijk, als je ’s nachts eens de goede richting mocht verliezen.
Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk
is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook
flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede
zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan,
die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes,
allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op
den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met
viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele
plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine
roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes,
die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar
de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke
strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen
hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist
terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo.
Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de
verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het
strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel
Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan.
Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg
en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is
minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn
ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den
binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er
nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met
boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en
hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en
’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild
en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig
licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland
zijn.
Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in
de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de
Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de
toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige
man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst,
bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje,
zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en
telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd
klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de
tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende
of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige
dichtheid der jonge dennetjes.
Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje
omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt
hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de
dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst:
„tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op
Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper
wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje
gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam
wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel
aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en
Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht,
maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens
Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij
De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den
Zuidwesthoek.
Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van
het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een
vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar
Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier
en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van
Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet
Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den
voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag,
dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel
vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan
zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij
verliep.
Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden,
genietend van de bloemen en de vogels. Het is in ’t begin van Juni.
Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste
grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele
plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat
bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis
morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor
bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien
zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid
van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot
licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een
premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het
rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de
Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan
bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het
gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken
aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene
bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat
het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper
mee, om bonte weiden te vormen.
Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien
dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende
Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten
tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken
weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die
Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend gevederte en
opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken,
dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n
mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg
gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig
Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is
gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer,
steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een
Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en
het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een
voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden
polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo
nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op
hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De
Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen
schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart.
Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen
snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af,
want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n
harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar
eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de
Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80)
weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren
opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de
wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas.
Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg
bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze
trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de
fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat
we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en
rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen,
zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen,
een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer
zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een
zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere
zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is
begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op
zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een
staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag
neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen
ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen
zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem
trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat
hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat
hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te
nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker,
de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze
ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke
halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook.
En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en
dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een
visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn
keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke
vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke
Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug
en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met
hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over
de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog
hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen
fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in,
want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen
aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes,
waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden
rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van,
dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n
drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar
Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel
andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze
hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je
vindt dan zoowel jonge vogels als eieren.
Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat
een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de
Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie
verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden,
onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en
volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd
met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het
toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels
kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik,
donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet
begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een
oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat
is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als
we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons
aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht
is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te
verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange
rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn
boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets
anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we
zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te
kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken
die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de
kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een
halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op
één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige
nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn
zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige
zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt
zeer uiteen. Wij zoeken al ons best naar roodbruine eieren, want die
zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t
Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest
getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu
al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie
je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde
witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt
bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch
beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te
behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt
de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat
dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de
veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van
dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in
Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet
wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en
kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de
broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin
kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze
steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in
’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar
Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en
verder hier bij ons den winter komen doorbrengen.
De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al
eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons
overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te
verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn,
want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze
weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting
van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar
de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en
veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze
vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet vlak op het nest
neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat
doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van
drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens
heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument
de Staart.
Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes,
die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op
elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft
aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche
Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende
soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns
(92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons
land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze
broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel
eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een
Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel
omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje
midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van
dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum.
Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats
meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons
hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en
de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en
gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken
naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet
maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen
grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het
geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker
dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er
gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel
onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te
onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch
wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan
de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange
beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de
grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere
sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er
volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige
Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en
schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen
de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde
onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder,
dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun
deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze
boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het
nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar
morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje
is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad,
dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen.