Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de
gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans
en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk
als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en
schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer
dan eens dezelfde ergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden,
hoevelen over de zaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een
of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t
was Marta die ’t ontgelden moest. Waren tooneelen van drift vroeger een
zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu
was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat
eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had
de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde hij zichzelf, noemde
zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij
nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar
hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.
Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke
onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken,
om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta
had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden,
de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen
eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.
En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van
voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.
’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen,
meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in
haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige
vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van
elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te
groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als
maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets
voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haar idee, om de zaak van hun
hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der
menschen. Ze moest er voor lijden... Haar idee... En Frans... had hij
geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat
eene? Ze kòn immers niet... Uit liefde voor hem... Nee juist daarom
niet!.. Of... wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze
twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger... was ze niet
dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de
beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had.
Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon,
maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe
ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift;
woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief
woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte
in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en
een lion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste
beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de
ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de
ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst, Frans
vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t
donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de
beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De
eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele
oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich
gesloten toonde of geheimzinnig deed.
En nu, nu ze behoorde aan deze man... nu ze een kind wachtte van hem,
was ’t nu anders, heel anders dan vroeger? En als dan alles in hun
verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee,
haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en
de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze
er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in
stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten
Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag,
knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond,
wanneer ze Frans in de oogen keek.
En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo
zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had,
voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gaf zij om weelde van
kleeding, van uitgaan, eten of drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig
leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren
handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering
zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische
voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe
alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook
haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar
streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van
hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij
was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich
weinig of moeilijk uitend.
Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen
bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog
maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn
eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar het groote
leven. «Der mann muss hinaus in’s feindliche Leben», ja, hij met zijn
talenten stellig en zeker... En dan te moeten aanzien, dat hij om dat
ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis,
een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over...
Maar ze zag ’t aan zijn blik nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van
zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden
betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t
spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd,
dat de muziek hem altijd zoo aandeed!... En hij die aan zooveel weelde
gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!...
Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange
loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren
reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse
onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om
en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.
Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het
groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs
muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de
half-glazen deur, als de wind erop viel.
Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde
gedachten-opvolging overgegaan in dat der beelden-vervloeiing van de
eerste slaap, toen Frans opschrok:
«Marta, hoor je dat?»
«Nee, wat is er?»
«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»
«Gebeld? Nu?»
«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»
«Is Aennchen nog op?»
«Welnee, die is ook naar bed.»
Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht
aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.
De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook
haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar
minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de
half-gesloten deur der kamer aankondigt:
«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»
«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier
geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»
Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar
allernoodigste kleeren gestoken te hebben.
«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.
De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:
«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommer
zestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»
Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.
«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort.
«Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een
blik naar Frans:
«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»
«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.
Frans stuift naar de deur:
«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen
ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»
«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet
onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en
scheeve rokken.
«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en... me zoo uitscheldt,
wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik...
niet mocht dienen bij menschen... zooals u... die in kongkemenaat
leven.»
’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.
«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt
je loon krijgen tot vanavond.»
«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik ga morgenochtend, vroeg.
Dadelijk...»
«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon
geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»
De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend
klinkt daar tusschen haar gemor.
«Dat doet de deur dicht: le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij
hun kleeding haastig voltooien.
«Och, wat kan je die meid schelen!» Haar kan ’t zeker op dat oogenblik
al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is
zenuwachtig, opgewonden:
«Wie zou toch die ouwe heer wezen...? Die jou spreken wil? Jouw vader
misschien?»
«Loop heen!... Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom,
en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel... Ik
denk... misschien... je oom misschien?»
«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven,
he? Wat vreemd dan, dat hij naar Juffrouw Van Zee vraagt!.. Och, nee,
ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me schrijven: ik heb nu in
zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»
Frans antwoordt niet dadelijk.
«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.
«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker
niet, om ons onaangenaam te wezen...»
«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»
«Ja, dat is al heel gek... Och nee, ’t zal oom niet wezen...»
Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was toch Meneer Winter.
«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton
tusschen twee korte vingertjes.
Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.
«Laat zien... Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt
ze snel: «Laat meneer binnen... In de studeerkamer maar... daar zal de
kachel nog wel aan zijn.»
De gedienstige verdwijnt zonder een woord.
«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap,
Aennchen na.
Frans volgt, in gedachten.
«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na eenige oogenblikken. «Een
man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft...»
«Nou ja... Goddank, de kachel is nog aan, zie ik... Och, als ik niet
finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen
hebben. O, dat weet ik zeker...»
«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen
troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»
«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen
me. Geheel...»
«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets
anders gedaan dan toegepast wat hij je voorgepreekt had...»
«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest...»
«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»
«Zal ik eerst maar heengaan?»
«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij
voor elkaar geen geheimen hebben.»