HOOFDSTUK XVI.

Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de

gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans

en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk

als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en

schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer

dan eens dezelfde ergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden,

hoevelen over de zaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een

of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t

was Marta die ’t ontgelden moest. Waren tooneelen van drift vroeger een

zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu

was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat

eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had

de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde hij zichzelf, noemde

zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij

nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar

hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.

Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke

onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken,

om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta

had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden,

de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen

eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.

En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van

voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.

’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen,

meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in

haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige

vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van

elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te

groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als

maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets

voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haar idee, om de zaak van hun

hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der

menschen. Ze moest er voor lijden... Haar idee... En Frans... had hij

geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat

eene? Ze kòn immers niet... Uit liefde voor hem... Nee juist daarom

niet!.. Of... wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze

twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger... was ze niet

dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de

beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had.

Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon,

maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe

ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift;

woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief

woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte

in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en

een lion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste

beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de

ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de

ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst, Frans

vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t

donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de

beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De

eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele

oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich

gesloten toonde of geheimzinnig deed.

En nu, nu ze behoorde aan deze man... nu ze een kind wachtte van hem,

was ’t nu anders, heel anders dan vroeger? En als dan alles in hun

verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee,

haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en

de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze

er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in

stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten

Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag,

knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond,

wanneer ze Frans in de oogen keek.

En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo

zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had,

voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gaf zij om weelde van

kleeding, van uitgaan, eten of drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig

leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren

handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering

zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische

voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe

alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook

haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar

streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van

hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij

was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich

weinig of moeilijk uitend.

Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen

bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog

maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn

eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar het groote

leven. «Der mann muss hinaus in’s feindliche Leben», ja, hij met zijn

talenten stellig en zeker... En dan te moeten aanzien, dat hij om dat

ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis,

een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over...

Maar ze zag ’t aan zijn blik nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van

zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden

betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t

spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd,

dat de muziek hem altijd zoo aandeed!... En hij die aan zooveel weelde

gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!...

Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange

loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren

reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse

onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om

en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.

Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het

groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs

muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de

half-glazen deur, als de wind erop viel.

Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde

gedachten-opvolging overgegaan in dat der beelden-vervloeiing van de

eerste slaap, toen Frans opschrok:

«Marta, hoor je dat?»

«Nee, wat is er?»

«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»

«Gebeld? Nu?»

«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»

«Is Aennchen nog op?»

«Welnee, die is ook naar bed.»

Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht

aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.

De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook

haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar

minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de

half-gesloten deur der kamer aankondigt:

«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»

«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier

geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»

Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar

allernoodigste kleeren gestoken te hebben.

«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.

De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:

«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommer

zestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»

Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.

«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort.

«Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een

blik naar Frans:

«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»

«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.

Frans stuift naar de deur:

«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen

ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»

«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet

onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en

scheeve rokken.

«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en... me zoo uitscheldt,

wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik...

niet mocht dienen bij menschen... zooals u... die in kongkemenaat

leven.»

’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.

«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt

je loon krijgen tot vanavond.»

«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik ga morgenochtend, vroeg.

Dadelijk...»

«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon

geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»

De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend

klinkt daar tusschen haar gemor.

«Dat doet de deur dicht: le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij

hun kleeding haastig voltooien.

«Och, wat kan je die meid schelen!» Haar kan ’t zeker op dat oogenblik

al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is

zenuwachtig, opgewonden:

«Wie zou toch die ouwe heer wezen...? Die jou spreken wil? Jouw vader

misschien?»

«Loop heen!... Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom,

en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel... Ik

denk... misschien... je oom misschien?»

«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven,

he? Wat vreemd dan, dat hij naar Juffrouw Van Zee vraagt!.. Och, nee,

ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me schrijven: ik heb nu in

zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»

Frans antwoordt niet dadelijk.

«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.

«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker

niet, om ons onaangenaam te wezen...»

«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»

«Ja, dat is al heel gek... Och nee, ’t zal oom niet wezen...»

Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was toch Meneer Winter.

«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton

tusschen twee korte vingertjes.

Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.

«Laat zien... Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt

ze snel: «Laat meneer binnen... In de studeerkamer maar... daar zal de

kachel nog wel aan zijn.»

De gedienstige verdwijnt zonder een woord.

«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap,

Aennchen na.

Frans volgt, in gedachten.

«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na eenige oogenblikken. «Een

man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft...»

«Nou ja... Goddank, de kachel is nog aan, zie ik... Och, als ik niet

finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen

hebben. O, dat weet ik zeker...»

«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen

troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»

«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen

me. Geheel...»

«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets

anders gedaan dan toegepast wat hij je voorgepreekt had...»

«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest...»

«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»

«Zal ik eerst maar heengaan?»

«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij

voor elkaar geen geheimen hebben.»

Om het recht der liefde · 第 19 / 21 题