Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans...»

Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij

zich òp, verlangde naar rust.

«Ik ga ook», zei hij alleen maar.

Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht

gekust, zonder een woord. Zij had hem stil aangekeken, even met

vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in

’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar,

nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun

studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek

gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier

verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te

gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of

«slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te

doen zijn.

Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta

hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze

kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van

de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een

zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze... Ze kon zich eindelijk niet

langer inhouden:

«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.

«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.

«Ben je boos, Frans?»

«Welnee, ook niet geweest, hoor.»

Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of kussensloop, geschuifel

van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker

vijf minuten.

«Zeg, Frans», zei Marta weer.

«Ja?»

«Zou je ’t... erg naar vinden... als ik zwanger was?»

Wat klonk dat moedeloos en droef!

«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar... denk je dan...?»

«Ja, Frans... Ik denk ’t...»

Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s

hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van

ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op

haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:

«Liefste lieveling!... Slaap nu... Slaap nu.»

Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid

van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen

kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen...

Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over

hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.

Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.

Om het recht der liefde · 第 18 / 21 题