Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings
de deur open.
De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t
volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige»
verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle
zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne
dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met
diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de
zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met
een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een
stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog
van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.
«Ik ben hier immers wel goed terecht... nie’waar?... bij Meester
Jensen... Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»
Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl
Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog
onzichtbaar voor de binnentredende.
«De meid...» wil deze nog doorgaan.
«Ja, stellig... volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en
vrouw snellen hem nu tegemoet.
«Och, de meid»... hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen, «ik
had me vergist... ik vroeg eerst naar Juffrouw... Van Zee... Och, oude
gewoonte... toen heb ik dadelijk uw naam genoemd... Dokter Jensen. Ik
was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.