«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er
nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb... Alsof
ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»
«Och, Frans...»
«Ziezoo, nu schreien... Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch?
Begrijp je dan niet, dat... dat, als ik... zoo iets verteld had—zoo
maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een
verklaring in optima forma, dat... dat onze verhouding een heel
bizondere was...! Dat mag ze in de oogen van de wereld wezen, bij ons,
in onze wereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren?
Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»
Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar
neergeslagen donkere wimpers dropten de tranen haar op wang en lippen,
en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin
steunde, telkens trillen,
Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke
moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een
andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar
geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En
zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel
daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid
van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis
woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij,
vlak bij haar staande, bleef aandringen:
«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»
«Och, Frans, ik weet het niet... ik weet het niet. Ik voel me zoo...
ellendig... Mijn hoofd barst...»