«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog
sopraan-geluid.
«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.
Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na
viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.
«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot
de voorzitter.
Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur
lachje en reikt het blad aan de Secretaris.
«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wil u ’t eens
voorlezen, Schrijver?»
Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige
wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat
hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de
tafel vallen. Daarna barst hij uit:
«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf
laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over.
«’t Is indigne....»
«Wat ’n laster» roept deze na de lezing. «Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw
Emilie.»
«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak
is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeft u ’t gelezen?»
«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om
iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze
woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn
eene snorpunt.
Marta schreit bijna.
«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.
«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de
schrijver: wegens laster.»
«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg,
zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»
«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun
stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.
«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met
groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als
wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is
’t dàn? Wou u beweren...?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer
ongemakkelijk.
«Ik beweer niets...», tracht ze vastberaden te antwoorden. «Er wordt
hier gesproken van concubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een
paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er
volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt,
waar haar voorzitter zelf het voorbeeld van zulke onzedelijke
verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is. Nu?»
Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.
«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»
Frans kijkt bedaard op.
«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft de
voorzittershamer op. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek
een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten
behandeling kan blijven.»
«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze
vereeniging.»
«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een
stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle
bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.
«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.
Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:
«Waarachtig niet,» roept hij uit. «Morbleu, dat gaat maar zoo niet! Ik
heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets...»
«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede.
«Ik vind het... niet in den haak... niet behoorlijk, dat Meneer Jensen
ons nooit gezegd heeft, dat... hij niet getrouwd was.»
Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster
beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar
eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op
de plaats waar een broche zou kunnen zitten.
«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere
oogen fel op de bevende Lotte. «Wij wisten, hoe de zaak stond, maar we
vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van...
waar hier sprake van is... is een huwelijk, Juffrouw Finke.»
«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.
Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.
«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke
gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijn
vrouw evenmin.»
De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel
en zegt afgemeten:
«Ik zal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar
heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij
deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»
«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.
«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het
zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»
«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.
Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van
repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:
«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite... ik bid u...»
De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich
in.
«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met
krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds
bij de deur.
Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van
zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen
navolgen. Beiden schuifelen naar buiten.
Frans drukt op een schelknop:
«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het
dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.
«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde
weer bij haar staat.
Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt
de schouders op, en wendt zich tot de arts:
«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die
dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw
eigenlijk was?»
«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen
en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»
«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een
sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het
zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.
«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus
uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we
kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie
zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel?
Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer
dan ergerlijk. Bah!»
«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner
verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze
avond maar niet om vergallen.»
Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie
jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»
«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt
spaak zoo. En dan...»
«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar
meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar
verder alleen laten, vin’je niet?»
Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te
gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:
«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?... Kom,
blijf nog wat zitten, Dora.»
De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het
donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin
even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee
verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.
«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke
streeling in zijn zware bastoon, en haar weer opnemend met iets in zijn
blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen
nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder: ça passera, ça
passera, dat gaat voorbij. Maar kalm zijn, Mevrouwtje. En, Frans, je
kunt op ons rekenen. Steeds.»
De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de
jonge man zijn vingers voelt tintelen.
«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans
ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar
vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig,
hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar
iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt,
heeft Marta een kleur als bloed.
«Tot ziens!» zegt Frans.
De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.