«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige
deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met
wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O
ja. Nu ’t bier.»
De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na
eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die
ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.
«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen
vóor.»
Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de
deur, om het bevel op te volgen.
Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen.
De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van
haar stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een
kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.
«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af.
«Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de
schoorsteenmantel.
«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de
gastvrouw.
Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de
hand, de vrouwen kussen elkaar.
«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst
hij op een stoel voor een der bestuursleden.
«En u, Secretaris... of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone
plaats, nie’waar?»
Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij
vroolijk.
«Jij een kop thee, niet, Dora?»
«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige
vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar
glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta
glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.
«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»
«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»
In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte
stemming.
Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.
«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt
ook geen bierfuif vanavond.»
«Mevrouwtje, u is ondeugend... Nu, prosit.» In éen teug is het vocht
verorberd.
Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van
een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.
«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»
Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en
geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos.
Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele
verschijning.
«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.
«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even
nadrukkelijk.
«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt,
evenals de anderen van ’t gezelschap. «Gaat u zitten, Juffrouw Emilie,
en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u
niet?»
«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?» zegt Marta, nog bij de
theetafel.
«Zonder suiker, als ’t u belieft.»
«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»
Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk,
dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich
neder links van haar man.
«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met
groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt
strak rond, hoog-ernstig.
En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als
gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.
«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van
de vorige te lezen?»
Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit
zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met
zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel:
«Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr.
Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van
ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van
Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.» Juffrouw Emilie Finke meesmuilt.
«Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende
werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid,
Mejuffrouw Lotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der
Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te
dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur.
Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het
desbetreffende... van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna
door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden.
Niets meer aan de orde zijnde...»
Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel,
dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen?
Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem.
«Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel
voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»
De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één,
zegge één toetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo
voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»
«Mag ik even ’t woord?»
«Juffrouw Lotte Finke?»
«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De
menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onze vereeniging een
«vermomde vrijmetselarij».»
Allen lachen, behalve de gezusters Finke.
«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.
«Ja, een werkman had het over «de duivel»,» verklaart Lotte Finke,
zonder een spier te vertrekken.
«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de
godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het
woord. «Ja, u, Dr. Kegel.»
«Ha, ha, ha! En toch... Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo
niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord...
Vreemd...» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver
potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.
«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke
trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over
te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u,
Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan
genoemde.
Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de
eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze
donateur August Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende
vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven.
Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het
tweede geschrift een eind van hem af: «een schrijven van Mevrouw de
Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart, bij-nader-inzien, aan
een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de
donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm.
Verder niets geen verklaring... Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar
voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin:
«Opzegging van de beloofde jaarlijksche som... Hm, jawel, ze zijn er
gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!» Even deze opmerking van
de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die
eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten
Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.» Sic! De schrijver zucht met zwaar
geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing
van mond, neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de
brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende oogen. «Nee? Dan gaan ze in
’t archief. Fini. Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»