Er was geen spoor van verlegenheid in Marta’s houding, toen ze zich
ertoe zette, de droeve roman van haar leven te vertellen. Er was alleen
smart en moedeloosheid op haar trekken te lezen, en beide gevoelens
spraken ook uit de opslag van haar oogen, telkens wanneer ze die op
haar vriend richtte, en uit de matte schier gebaarlooze wijze, waarop
ze haar woorden vóor zich uit deed klinken. Ze zat op haar
lessenaar-stoel, met de rechterhand haar kin steunend, overleunend naar
die kant, terwijl de andere hand in haar schoot rustte, het sprekende
mooie donkere lokkenhoofdje ietwat voorover, zoodat het wit der oogen
in hun staren zichtbaar was, en de kleine voeten over elkaar met de
hielen op de grond. Om Frans aan te zien, moest ze nauw merkbaar het
hoofd opheffen: want de jonge man zat bij de deur schuin tegenover
haar, waar hij willekeurig op de eenige leuningstoel in ’t vertrek was
neergevallen. In zijn rusteloos veranderen van houding vormde hij een
schril contrast met de roerloosheid van Marta. Alleen zijn oogen bleven
volharden in een lange groote begeerige blik, waarmee hij haar woorden
wegslurpte van haar lippen.
«Je weet, ik ben uit Weerloo in Limburg,» begint Marta. «Ik heb daar
mijn heele kindertijd doorgebracht. Tot mijn achttiende jaar. Ik ben
wees, dat weet je ook, en ik kreeg mijn opvoeding van een oom van
moederszijde. Die was indertijd rector van een gymnasium geweest, en
had zich voor de goedkoopte in Limburg gevestigd. Ik ben dus zelf nooit
op een gymnasium geweest, ofschoon ik in de rechten studeeren moest.»
«In de rechten?» roept Frans.
«Ja in de rechten.» Dit met een flauwe glimlach. «Dat was mijn illuzie.
Ik begreep spoedig—ik was heel vroeg rijp—door de gesprekken van mijn
oom, dat de rechtspositie van de vrouw—ook in ons land—nog erbarmelijk
veel te wenschen overliet. Ik wou zijn idealen helpen verwezenlijken.
Ik wou ’t mijne doen, al wat ik kon, om in die rechtstoestand
verbetering te brengen.... Mijn oom was een dweper op zijn manier—al
hield hij er geen eigenlijke godsdienst op na—en ik ging geheel in hem
op.... Hij leerde me Latijn en Grieksch, en alles wat ik verder noodig
had voor mijn staatsexamen, om aan de universiteit te komen. En nog
heel wat daarbij.... O die avonden! Zondags vooral—als er een enkele
huisvriend bij ons was: wat redeneerden we dan druk over alles! Onder
onze kennissen, huisvrienden liever, hoorde een jonge man. ’t Doet er
niet toe, hoe hij heet....» Een zware zucht en enkele oogenblikken van
zwijgen volgen.
Frans verandert voor de zooveelste maal van houding, en martelt de
vingers van zijn linkerhand in de rechter.
«Die hoorde tot de vurigste volgelingen van mijn oom. Of deed ten
minste zoo: ik weet nu, hoe voos en hol zijn ziel was.... Maar hoe kon
ik dat toèn weten—ik was zoo onervaren. Zoo jong. Ik geloofde
blindelings in hem.»
«Arme lieveling!» roept Frans hartstochtelijk, en slaakt een kreunende
zucht.
«Nu, hij was mijn vriend. En—ik hield van hem... heel veel. Toen we
samen naar de universiteit gingen—hij had in Maastricht het gymnasium
afgeloopen—toen bekende hij me zijn liefde. Zijn liefde!.... Ik weet nu
wat het was....»
«Ellendeling,» bromt Frans. Dan, op andere toon: «was dat hier, in
Amsterdam?»
«Nee, in Luik. Ik ontdekte toen pas, dat ik al lang van hem hield. Ik
stelde hem enorm hoog. Hij kon zoo edel en overtuigend spreken: ik
kende niemand welsprekender dan hij. Hij had ook een paar gedichten
gemaakt. Die vond ik heel mooi. Och, toen, nie’waar? Op zoo’n
plaatsje.... Hij en mijn oom waren er mijn liefste vrienden; want hij
kwam telkens over. Zijn ouders woonden op de plaats. De meeste menschen
op ’t plaatsje hadden een hekel aan mijn oom. Zijn ouders ook waren
eigenlijk tegen onze omgang. Je begrijpt: mijn oom was vrijdenker, en
dan in zoo’n land! En oom stak het ook al niet onder stoelen of
banken.... Zijn ouders, die van.... van mijn vriend, kende ik
nauwelijks: hij beweerde altijd, dat hij thuis ruzie had om zijn
vriendschap met mij en «de godloochenaar,» zooals ze mijn oom op ’t
plaatsje noemden. Nu jà, ik begon mijn studie in Luik. Met heel veel
opgewektheid. Mijn vriend werd mijn man....»
«Je man!! Ben je dan getrouwd geweest of nog misschien?»
«Zeker, maar niet in de gewone opvatting van ’t woord! De.... persoon
in kwestie had «vrijzinnige» denkbeelden, en daar hoorde ook toe, dat
het huwelijk een zaak is, die uitsluitend afhankelijk moet wezen van de
man en de vrouw die elkaar liefhebben.»
«Jawel, vrije liefde!»
«Zooals je wil.... Maar ik geloofde in hem. Ik was het volmaakt met hem
eens. En mijn oom dacht er net zoo over.»
«Nu nòg, Marta, denk jij er nu nòg zoo over?»
«O zeker. Beginselen en inzichten zijn bij mij niet verwerpelijk
geworden, omdat een kwakzalver ze misbruikt heeft. Mijn brave vriend
wàs zoo’n kwakzalver. Hij hield van frazen. Meende niets, niets van al
wat hij zoo mooi wist te beweren.... Nu goed: we brachten in praktijk
wat we beiden dachten. Ondanks de vooroordeelen van de wereld. We
stoorden ons aan niets.»—Hier zweeg ze even en zuchtte weer diep. Dan
weer droomerig als te voren: «We waren heel gelukkig. Een paar maanden.
Heel gelukkig. Tot dat ik.... zwanger werd. Toen liet hij me in de
steek....» Marta stokt en snikt nauw hoorbaar. Zich dadelijk vermannend
gaat ze voort. «Ik heb niet veel gedaan, om hem tot andere gedachten te
brengen. Ik deed éen poging—éen enkele—om hem te wijzen op zijn
mede-verantwoordelijkheid voor ons kind. Daarvoor alleen. Ik had toen
al een walg van hem..... Maar ’t was om ons kind: ik woû niet, dat het
een paria zou worden.»
«En weigerde de... kerel ervoor te zorgen?»
«Och, dat was niet het voornaamste. Ik leef nu zuinig. Omdat ik in mijn
heele studietijd niet meer dan vierduizend gulden mag opmaken. Ik hoû
dan wat over, om mijn praktijk als arts te beginnen. Ik had genoeg voor
’t kind en mezelf. Maar ik wou, dat het kind zijn naam droeg, al
verfoeide ik die ook....»
«Jawel.... En je veranderde dus van studie?»
«Och ja, ik moest weg uit Luik, uit mijn heele omgeving, uit de plaats
waar ik zulke ellenden geleden had.... Ik ben toen naar hier gekomen,
en met de studie van de medicijnen begonnen.»
«En je kind?» vroeg Frans aarzelend. «Dat is dus nu zoowat twee jaren
oud..... waar is dat?»
«Dat heb ik uitbesteed, ergens tusschen hier en Utrecht.... O, bij
beste luitjes. Ze zorgen goed voor hem. ’t Is een jongen.»
«Is het.... een gezond kind? En is ’t lief en houdt het van je?»
Op deze eenvoudige vragen op hartelijk belangstellende toon
uitgesproken, wordt het Marta te vol in haar gemoed. Opstaande barst ze
in schreien uit, en gaat voorover op de sofa liggen. Dan, terwijl haar
heele lichaam schokt, stoot ze eruit:
«’t Is een schat! Ik hoû van hem.... hartstochtelijk veel.... Ik vind
het vreeselijk.... dat ik niet altijd.... altijd bij hem kan zijn....
Ik vlas op later.... Later neem ik hem bij me.... Wat kan me de wereld
dan schelen? En de jonge is ook... dol op mij... Hij schreeuwt...
schreeuwt gewoon van de pret, als hij me ziet aankomen....» Haar hoofd
tegen de leuning van de sofa gedrukt schreit ze eenige oogenblikken
heftig.
Frans gaat bij haar staan, kijkt met diepe meewarigheid naar dat beeld
van echt lijden. Dan zegt hij zacht, om iets te zeggen:
«Ga je hem geregeld opzoeken?»
Marta blijft in dezelfde houding liggen.
«Ja....» stamelt ze «eens in de veertien dagen.... Overmorgen moet ik
weer naar hem toe.... Och die arme arme lieveling!»
Weer zwijgt Frans, in gedachten, in tweestrijd.
«Lijkt hij op.... zijn vader?» vraagt hij met een hooge kleur, en
tevergeefs worstelend met zijn afkeer bij het uitspreken van ’t laatste
woord.
«Nee, God dank... niets. ’t Is precies mijn vader.»
Ze heeft zich weer opgericht, zoekt zenuwachtig naar haar zakdoek, die
ze eindelijk vindt.
«Hij lijkt dus op jou?» zegt Frans gretig.
«Ja, dat zeggen ze.» Ze zwijgt even en wischt zich de oogen af.
Frans haalt een zak-flakonnetje met eau-de-cologne voor den dag, uit
zijn vestzakje, en reikt het haar zwijgend over. Ze bet zich het
voorhoofd, en richt zich op.
«Vreemd, he,» gaat ze iets kalmer voort, nog met wat tranen in haar
stem, «dat ik zoo van hem hoû?» Hier kijkt ze Frans vol aan. «En dat
terwijl het toch zijn kind is....»