HOOFDSTUK III.

Er was geen spoor van verlegenheid in Marta’s houding, toen ze zich

ertoe zette, de droeve roman van haar leven te vertellen. Er was alleen

smart en moedeloosheid op haar trekken te lezen, en beide gevoelens

spraken ook uit de opslag van haar oogen, telkens wanneer ze die op

haar vriend richtte, en uit de matte schier gebaarlooze wijze, waarop

ze haar woorden vóor zich uit deed klinken. Ze zat op haar

lessenaar-stoel, met de rechterhand haar kin steunend, overleunend naar

die kant, terwijl de andere hand in haar schoot rustte, het sprekende

mooie donkere lokkenhoofdje ietwat voorover, zoodat het wit der oogen

in hun staren zichtbaar was, en de kleine voeten over elkaar met de

hielen op de grond. Om Frans aan te zien, moest ze nauw merkbaar het

hoofd opheffen: want de jonge man zat bij de deur schuin tegenover

haar, waar hij willekeurig op de eenige leuningstoel in ’t vertrek was

neergevallen. In zijn rusteloos veranderen van houding vormde hij een

schril contrast met de roerloosheid van Marta. Alleen zijn oogen bleven

volharden in een lange groote begeerige blik, waarmee hij haar woorden

wegslurpte van haar lippen.

«Je weet, ik ben uit Weerloo in Limburg,» begint Marta. «Ik heb daar

mijn heele kindertijd doorgebracht. Tot mijn achttiende jaar. Ik ben

wees, dat weet je ook, en ik kreeg mijn opvoeding van een oom van

moederszijde. Die was indertijd rector van een gymnasium geweest, en

had zich voor de goedkoopte in Limburg gevestigd. Ik ben dus zelf nooit

op een gymnasium geweest, ofschoon ik in de rechten studeeren moest.»

«In de rechten?» roept Frans.

«Ja in de rechten.» Dit met een flauwe glimlach. «Dat was mijn illuzie.

Ik begreep spoedig—ik was heel vroeg rijp—door de gesprekken van mijn

oom, dat de rechtspositie van de vrouw—ook in ons land—nog erbarmelijk

veel te wenschen overliet. Ik wou zijn idealen helpen verwezenlijken.

Ik wou ’t mijne doen, al wat ik kon, om in die rechtstoestand

verbetering te brengen.... Mijn oom was een dweper op zijn manier—al

hield hij er geen eigenlijke godsdienst op na—en ik ging geheel in hem

op.... Hij leerde me Latijn en Grieksch, en alles wat ik verder noodig

had voor mijn staatsexamen, om aan de universiteit te komen. En nog

heel wat daarbij.... O die avonden! Zondags vooral—als er een enkele

huisvriend bij ons was: wat redeneerden we dan druk over alles! Onder

onze kennissen, huisvrienden liever, hoorde een jonge man. ’t Doet er

niet toe, hoe hij heet....» Een zware zucht en enkele oogenblikken van

zwijgen volgen.

Frans verandert voor de zooveelste maal van houding, en martelt de

vingers van zijn linkerhand in de rechter.

«Die hoorde tot de vurigste volgelingen van mijn oom. Of deed ten

minste zoo: ik weet nu, hoe voos en hol zijn ziel was.... Maar hoe kon

ik dat toèn weten—ik was zoo onervaren. Zoo jong. Ik geloofde

blindelings in hem.»

«Arme lieveling!» roept Frans hartstochtelijk, en slaakt een kreunende

zucht.

«Nu, hij was mijn vriend. En—ik hield van hem... heel veel. Toen we

samen naar de universiteit gingen—hij had in Maastricht het gymnasium

afgeloopen—toen bekende hij me zijn liefde. Zijn liefde!.... Ik weet nu

wat het was....»

«Ellendeling,» bromt Frans. Dan, op andere toon: «was dat hier, in

Amsterdam?»

«Nee, in Luik. Ik ontdekte toen pas, dat ik al lang van hem hield. Ik

stelde hem enorm hoog. Hij kon zoo edel en overtuigend spreken: ik

kende niemand welsprekender dan hij. Hij had ook een paar gedichten

gemaakt. Die vond ik heel mooi. Och, toen, nie’waar? Op zoo’n

plaatsje.... Hij en mijn oom waren er mijn liefste vrienden; want hij

kwam telkens over. Zijn ouders woonden op de plaats. De meeste menschen

op ’t plaatsje hadden een hekel aan mijn oom. Zijn ouders ook waren

eigenlijk tegen onze omgang. Je begrijpt: mijn oom was vrijdenker, en

dan in zoo’n land! En oom stak het ook al niet onder stoelen of

banken.... Zijn ouders, die van.... van mijn vriend, kende ik

nauwelijks: hij beweerde altijd, dat hij thuis ruzie had om zijn

vriendschap met mij en «de godloochenaar,» zooals ze mijn oom op ’t

plaatsje noemden. Nu jà, ik begon mijn studie in Luik. Met heel veel

opgewektheid. Mijn vriend werd mijn man....»

«Je man!! Ben je dan getrouwd geweest of nog misschien?»

«Zeker, maar niet in de gewone opvatting van ’t woord! De.... persoon

in kwestie had «vrijzinnige» denkbeelden, en daar hoorde ook toe, dat

het huwelijk een zaak is, die uitsluitend afhankelijk moet wezen van de

man en de vrouw die elkaar liefhebben.»

«Jawel, vrije liefde!»

«Zooals je wil.... Maar ik geloofde in hem. Ik was het volmaakt met hem

eens. En mijn oom dacht er net zoo over.»

«Nu nòg, Marta, denk jij er nu nòg zoo over?»

«O zeker. Beginselen en inzichten zijn bij mij niet verwerpelijk

geworden, omdat een kwakzalver ze misbruikt heeft. Mijn brave vriend

wàs zoo’n kwakzalver. Hij hield van frazen. Meende niets, niets van al

wat hij zoo mooi wist te beweren.... Nu goed: we brachten in praktijk

wat we beiden dachten. Ondanks de vooroordeelen van de wereld. We

stoorden ons aan niets.»—Hier zweeg ze even en zuchtte weer diep. Dan

weer droomerig als te voren: «We waren heel gelukkig. Een paar maanden.

Heel gelukkig. Tot dat ik.... zwanger werd. Toen liet hij me in de

steek....» Marta stokt en snikt nauw hoorbaar. Zich dadelijk vermannend

gaat ze voort. «Ik heb niet veel gedaan, om hem tot andere gedachten te

brengen. Ik deed éen poging—éen enkele—om hem te wijzen op zijn

mede-verantwoordelijkheid voor ons kind. Daarvoor alleen. Ik had toen

al een walg van hem..... Maar ’t was om ons kind: ik woû niet, dat het

een paria zou worden.»

«En weigerde de... kerel ervoor te zorgen?»

«Och, dat was niet het voornaamste. Ik leef nu zuinig. Omdat ik in mijn

heele studietijd niet meer dan vierduizend gulden mag opmaken. Ik hoû

dan wat over, om mijn praktijk als arts te beginnen. Ik had genoeg voor

’t kind en mezelf. Maar ik wou, dat het kind zijn naam droeg, al

verfoeide ik die ook....»

«Jawel.... En je veranderde dus van studie?»

«Och ja, ik moest weg uit Luik, uit mijn heele omgeving, uit de plaats

waar ik zulke ellenden geleden had.... Ik ben toen naar hier gekomen,

en met de studie van de medicijnen begonnen.»

«En je kind?» vroeg Frans aarzelend. «Dat is dus nu zoowat twee jaren

oud..... waar is dat?»

«Dat heb ik uitbesteed, ergens tusschen hier en Utrecht.... O, bij

beste luitjes. Ze zorgen goed voor hem. ’t Is een jongen.»

«Is het.... een gezond kind? En is ’t lief en houdt het van je?»

Op deze eenvoudige vragen op hartelijk belangstellende toon

uitgesproken, wordt het Marta te vol in haar gemoed. Opstaande barst ze

in schreien uit, en gaat voorover op de sofa liggen. Dan, terwijl haar

heele lichaam schokt, stoot ze eruit:

«’t Is een schat! Ik hoû van hem.... hartstochtelijk veel.... Ik vind

het vreeselijk.... dat ik niet altijd.... altijd bij hem kan zijn....

Ik vlas op later.... Later neem ik hem bij me.... Wat kan me de wereld

dan schelen? En de jonge is ook... dol op mij... Hij schreeuwt...

schreeuwt gewoon van de pret, als hij me ziet aankomen....» Haar hoofd

tegen de leuning van de sofa gedrukt schreit ze eenige oogenblikken

heftig.

Frans gaat bij haar staan, kijkt met diepe meewarigheid naar dat beeld

van echt lijden. Dan zegt hij zacht, om iets te zeggen:

«Ga je hem geregeld opzoeken?»

Marta blijft in dezelfde houding liggen.

«Ja....» stamelt ze «eens in de veertien dagen.... Overmorgen moet ik

weer naar hem toe.... Och die arme arme lieveling!»

Weer zwijgt Frans, in gedachten, in tweestrijd.

«Lijkt hij op.... zijn vader?» vraagt hij met een hooge kleur, en

tevergeefs worstelend met zijn afkeer bij het uitspreken van ’t laatste

woord.

«Nee, God dank... niets. ’t Is precies mijn vader.»

Ze heeft zich weer opgericht, zoekt zenuwachtig naar haar zakdoek, die

ze eindelijk vindt.

«Hij lijkt dus op jou?» zegt Frans gretig.

«Ja, dat zeggen ze.» Ze zwijgt even en wischt zich de oogen af.

Frans haalt een zak-flakonnetje met eau-de-cologne voor den dag, uit

zijn vestzakje, en reikt het haar zwijgend over. Ze bet zich het

voorhoofd, en richt zich op.

«Vreemd, he,» gaat ze iets kalmer voort, nog met wat tranen in haar

stem, «dat ik zoo van hem hoû?» Hier kijkt ze Frans vol aan. «En dat

terwijl het toch zijn kind is....»

Om het recht der liefde · 第 4 / 21 题