Er is iets bruusks in zijn beweging, in de haast waarmee Mr. Jensen de
deur weer achter zich sluit. Toch verraadt zijn houding verlegenheid.
Hij buigt op onhandige wijze voor Marta, en geeft daarna zijn zoon een
blik vol toorn.
«Mejuffrouw ... U is immers Juffrouw Van Zee?» vraagt Jensen
zenuwachtig, en brengt ook de linkerhand aan zijn hooge hoed, die hij
in de rechter hield.
Marta, die evenals Frans is opgestaan, maakt een stijve buiging terug.
Frans doet een stap vooruit.
«Jawel, dit is de kamer van Juffrouw Van Zee» antwoordt hij stroef.
«Wat komt u hier doen?»
Vader en zoon kijken elkaar recht in de oogen. De eerste zoekt in
drift-uiting afleiding voor zijn ongemakkelijkheid.
«Dat raakt je niet,» roept hij uit. «Ik kom jou vragen wat jij hier
doet.» Tevens werpt hij een eigenaardige blik op Marta en in de kamer
om zich heen.
«Niets, wat u reden zou kunnen geven, om mij een verwijt te doen ... of
Juffrouw Van Zee te komen lastig vallen.»
Marta heeft dit tooneel zwijgend gadegeslagen; maar acht thans het
oogenblik gekomen, om zich te verwijderen. Ze doet een stap naar de
deur, kalm en waardig. Ze is opvallend bleek.
«U zal me niet kwalijk nemen ...», zegt ze tot Frans’ vader.
Doch Frans weerhoudt haar.
«Waar denk je aan?» roept hij opgewonden. «Mijn vader heeft me hier
niets te zeggen—mag me niets zeggen!—wat jij niet zou mogen hooren ...»
De toegesprokene blijft aarzelend staan.
«Wil u dan gaan zitten, Mijnheer?» zegt ze met weifeling in haar toon.
«Dank u», is ’t antwoord. «Ik kom alleen maar zeggen, dat ik jou,
Frans, verbied, om buiten mijn weten bezoeken te brengen aan ...
intieme betrekkingen aan te knoopen met ...»
«Wat zegt u, vader? Ik ben hier bij een vriendin, die ik hoogacht. Ik
verwacht hetzelfde van u. Overigens ...»
«Ho, mijn baasje, daarover zullen we nog wel eens onder vier oogen
praten. Maar ik zeg je bij deze, dat er aan deze vriendschap een einde
moet komen. Versta je me goed? Daar zàl een eind aan komen. En dit is
de laatste maal, dat ik je hier duld... Al moest ik je met de politie
hier vandaan laten halen.»
Zich meer en meer opwindend stapt Jensen onderwijl in de kamer op en
neer. Hevig ontroerd gaat Marta onwillekeurig bij haar jonge vriend
staan. Ze vreest ’t ergste: zoo kan ze zich tusschen de vertoornde
mannen in plaatsen, wanneer ’t noodig mocht wezen....
«Mijnheer!» roept ze, nauwelijks in staat een woord te brengen.
«Vader, weet wat u zegt» zegt Frans dreigend. «Ik zou anders de eerbied
wel eens kunnen vergeten, die ik u schuldig ben.»
«Zie zoo, dreigementen,» geeft de vader ietwat kalmer terug. «’t Is
best, best. Ik zal gaan. Ik heb je gezegd waar ’t op stond. Ik
verwacht, dat je naar mijn woorden zult handelen.» Dan zich tot Marta
keerend, en met opzettelijk overdreven beleefdheid in toon en gebaar:
«Ik heb de bizondere eer, u te groeten, Juffrouw Van Zee. Tot
weerziens, Frans.» Met een lichte buiging en een ironisch lachje op
zijn dunne lippen verlaat hij, thans met volle zelfbeheersching, de
jongelieden.
Deze blijven nog een oogenblik als verbijsterd staan. Dan barst Frans
uit:
«Zoó’n... oh! ik zou een scheldwoord kunnen gebruiken. ’t Is mijn
vader, maar ik zou hem te lijf kunnen gaan!»
Marta is onderwijl op een stoel neergezegen en ondersteunt het hoofd in
de eene hand.
«Ik zal hem afleeren, hier jou te komen hoonen,» gaat de ander voort.
«Ik ga dadelijk...»
«Je gaat niets,» roept Marta opziende. «Je blijft hier. Ik moet met je
spreken...»
«Och wat! Wat valt hier nog te spreken?»
Driftig stapt hij op en neer.
«Hij heeft jou beleedigd en mij door jou. Of voel je dat niet? Wil je
hem soms nog verontschuldigen?»
«Nee, Frans. Ik voel ’t maar al te zeer. Ik lijd eronder. En toch...»
De jonge man treedt onwillekeurig op Marta toe: de toon van innige
smart, die in haar laatste woorden klonk, heeft hem diep getroffen.
«En toch wàt?» roept hij heftig, terwijl hij haar aankijkt. «Ik zal hem
leeren, je te eerbiedigen. Ik zal....» Weer wil hij heen.
«Als je eenige vriendschap voor mij hebt, blijf dan tot je mij
aangehoord hebt...»
Frans blijft verwonderd staan: wat moet die zonderlinge plechtige toon?
Hij grijpt een stoel en gaat onwillig zitten.
«Nu, wat heb je dan? Maak ’t kort, als-je-belieft: ik brand van
verlangen, om... die man eens de heele waarheid te zeggen. De heele
waarheid tegen al zijn monsterachtige vermoedens in. Tegen al de laster
van de wereld.»
Als Marta nog niets zegt, gaat hij heftig voort.
«Jij zoo rein en zoo hoogstaand...»
Het jonge meisje ziet hem bedroefd aan. Er is een vochtige glans in
haar mooie groote oogen. Dan slaat ze de blik neer en blijft zwijgen.
«Daar!» hervat de ander nog hartstochtelijker. «’t Is misschien
leelijk, dat ik ’t zoo zeg; ik heb nog nooit voor een vrouw dat respect
gehad, die innige oprechte hoogachting als voor jou, Marta. Zelfs voor
mijn moeder niet. Nee, heusch niet. Mijn moeder is een goed zwak
wezentje. Ik voel medelijden met haar. Voor jou heb ik bewondering.»
«En toch vrees ik... dat je niet meer zoo zult spreken, als.... je
weet.... als je alles weet.» Weer treft Frans de diep droeve toon van
haar stem. Ze houdt de oogen afgewend en blikt droomerig vóor zich uit.
«Alles wat?» roept haar vriend een en al verbazing. «Ik weet alles.
Jouw ziel is helder en doorschijnend als kristal. Ik ken je door en
door, al ken ik je pas zes maanden.—Dit is nu ’t einde van deze
heerlijke dag.» De laatste woorden komen er haast schreiend uit.
«Als ’t maar niet het einde van onze heele vriendschap is... Je vader
heeft in zeker opzicht gelijk... De schijn is heelemaal tegen me.» Als
Frans haar in de rede wil vallen, belet ze hem dit:
«Nee, laat me uitspreken... Ik vermoed wat hij gedaan heeft! Hij heeft
inlichtingen ingewonnen aan een van die laster-instellingen, die ze
detective-bureau’s noemen. Hij weet, dat je hier veel komt. En mijn
verleden...»
Haar stem stokt in haar keel. Bij al wat ze gezegd heeft, is ze in
dezelfde houding, met starende neergeslagen blik blijven zitten. Frans
is opgesprongen.
«Jouw verleden? ’t Verleden van een lief rein verstandig meisje! Dat
steeds werkzaam is geweest, steeds haar plicht gedaan heeft...»
De ander voelt dat de jonge man haar aanziet; fier heft ze ’t hoofd op
en geeft hem de blik terug.
«Dat heb ik», zegt ze, «Maar toch... De inlichtingen, die je vader
gekregen heeft... mogen lasterlijk ingekleed zijn... Toch zullen ze wel
een grond van waarheid hebben.»
Weer wendt ze ’t hoofd af, en hervat haar staren.
«Marta, ik begrijp er nu niets meer van» roept Frans.
«Och, je zult me heel gauw begrijpen.» Ze zwijgt even, als om al haar
moed te verzamelen. Dan, terwijl ze de jonge man droevig, maar
vastberaden aanziet, gaat ze voort:
«Nu dan, Frans: mijn verleden is in de oogen van de wereld slecht... Ik
heb een kind.» Ze heeft hem even recht aangekeken, vol fiere
oprechtheid. Haar woorden klinken dof, maar duidelijk en met iets
bitters en uitdagends erin, dat Frans overstelpt.
«Marta, je bent krankzinnig!» roept hij buiten zich zelf, en op Marta
toetredend.
Deze blijft de blik afwenden.
«’t Is zoo, zooals ik ’t je zeg.» Die toon laat geen twijfel. De jonge
man valt op zijn stoel neer.
«O Marta, dat is vreeselijk!» roept hij. «Dat is monsterachtig! Jij die
ik verafgoodde, die ik liefhad als ’t levende voorbeeld van al wat
hoogstond, zou jij...? Dat kàn niet. Dat is onmogelijk. Zeg me, dat het
onmogelijk is! Marta, ontruk me niet de heerlijkste illuzie van mijn
leven, verbrijzel mijn God niet met éen slag..» En in krampachtig
snikken uitbarstend, verbergt hij het gelaat tusschen de handen.
De jonge vrouw slaat hem eenige oogenblikken gade, doch zonder
verwondering:
«Heb ik ’t niet gezegd?» antwoordt ze ten slotte bitter en op doffe
toon. «Jij bent al net als de rest: net als die wreede wereld, die me
in haar domheid veroordeelt. Daarom heb ik deze verklaring altijd
uitgesteld, altijd weer verschoven. Waartoe zou die dienen?» Ze zwijgt
even en laat ’t hoofd zakken.
«Ik vreesde zoo voor je minachting... Ik had zoo’n behoefte aan je
vriendschap. Aan je liefde, Frans... Och, ik had het niet zoo ver mogen
laten komen... Ik wil geen liefde meer. Ik ben bang geworden voor
liefde.»
Strak staren Marta’s oogen vooruit, als keken ze de matte klanklooze
woorden na, die daar vergleden waren in de mist van haar smart.
De ander is inmiddels weer opgestaan, doet een paar stappen in de
kamer, met vertrokken gelaat, de handen woelend in zijn zakken. Dan
blijft hij achter Marta’s stoel staan, en als zijn vriendin, die het
hoofd wat schuin achterover houdt, de groote droeve oogen naar hem
opslaat, roept Frans op wanhopige toon:
«Och, Marta, geef me de hoogachting terug, die ik voor je had! Hoe kan
ik nu nog achting voelen? Voor een meisje dat in zoo’n betrekking
geleefd heeft?»
Kalm ziet ze hem in de oogen; toch trilt haar stem, als ze antwoordt.
«Ik heb mezelf niets te verwijten. Niets, hoor je dat?»
«Maar Marta! Noem je ’t dan niets, als een meisje zonder getrouwd te
zijn, zich aan een man geeft... een kind van hem heeft?»
«Nee, dat noem ik niets. Niets slechts ten minste. In mijn geval
waarlijk niet.»
«’t Is verschrikkelijk. En de man die me zoover gebracht heeft, verfoei
ik uit de grond van mijn hart. En ’t verdriet dat ik gehad heb en nòg
heb is meer dan menigeen zou hebben kunnen dragen, Frans.... Ik heb
geleden, deze drie jaren van mijn jonge leven. Ik heb hellepijn
doorgestaan....»
Allengs is de toon van haar stem anders geworden. Haar koonen gloeien
en haar oogen hebben alle matheid verloren. De wanhopige houding van
Frans en de oprechte deernis, die ze op zijn trekken leest, wekken
beurtelings verteedering en pijn in haar gemoed.
«Maar hoe kòn je, jij met je hooge idealen, met je prachtige
beginselen...?» hervat Frans met heftig handgebaar.
«Juist dàt was mijn lijden... Ik had hem lief... zooals ik.... jou nu
liefheb, Frans.»
Als verdwaasd en nauwelijks wetend wat hij zegt, roept Frans daarop:
«Had je ’m lief?»
«Och, waartoe meer? Ik voelde me gedrongen, je alles te zeggen. Ik had
me al drie maanden ingehouden. Ik dorst niet. Laf.... zal je zeggen.
Maar aan de andere kant, welk recht had jij eigenlijk om mijn verleden
te kennen? Was ik aan jou verantwoording schuldig? Ik zou immers door
zoo te denken onze vriendschap te hoog aangeslagen hebben. ’t Zou geen
vriendschap meer geweest zijn: tusschen man en vrouw, die beiden jong
zijn, is trouwens geen vriendschap mogelijk zonder liefde. En ik wou
geen liefde.... Die had me te veel doen lijden.» Ze zwijgt even,
hijgend. Dan op kalmer toon:
«Kom, Frans, ga nu maar heen. Keer jij naar je wereld terug en vergeet
mij. Veroordeel me niet te hard. Ik weet dat je niet anders kunt: je
bent nu eenmaal in die vooroordeelen opgevoed. Nee, nee.... Hier heb je
mijn hand: ik ben niet boos, hoor. Laten we als vrienden scheiden....»
De ander is verbijsterd.
«Och God, ik kàn niet, ik kàn niet van je scheiden!» roept hij
hartstochtelijk. Hij treedt op haar toe en neemt haar hand in de zijne.
«Wat zeg je van vooroordeelen? Noem jij huwelijk en zedelijkheid
vooroordeelen? Och, verklaar je.... Ik voel, dat ik als een kind vóor
je sta. Ik weet niet, wat ik zeggen of denken moet. Ik weet niets,
niets, dan alleen dat er iets in me is, dat me dwingt, niet zoo van je
weg te gaan. Vertel me alles. Alles, alles, hoor je, in de kleinste
bizonderheden. Ik wil alles weten. Ik zal je niet veroordeelen, als....
mijn hart het me niet zegt. Maar laat me niet in die duisternis
rondwaren. Ik lijd er zoo vreeselijk onder, Marta.»
De jonge vrouw heeft voor ’t uiterlijk al haar kalmte en
zelfbeheersching herwonnen, al kookt en bruist ook alles in haar.
«Goed, Frans,» antwoordt ze met een zucht. «Ga dan weer zitten. Ik zal
je alles vertellen zooals ’t gegaan is.»