Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een
kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een
merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo
gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne
tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren
nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt
gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde
handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan
en woelde in hem op, drong tot uiting.
Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken
met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de
sofa.
«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een blik vol teederheid op
haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man
tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde....
Later....»
Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.
«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms
radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze
daad.»
«Zijn daad, bedoel je.»
«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone
gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt
een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit
zijn mond: «Ben je nu tevreden?..... Immers niet. Je kunt me.... niet
meer liefhebben... niet meer achten... als te voren.»
Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne
laat.
«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad,
ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van
verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als
ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»
De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem sprakeloos de hand. Dan
brengt ze met moeite uit: «O, Frans...»
«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging
in zijn blik. «Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je.
Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten,
eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk
een zaak is van hart en geweten: de liefde beslist, of twee menschen
bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of
stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en
erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is
ingezegend.»
Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik
voort:
«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»
De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:
«Och, Frans, hoe graag zou ik dat willen!»
«Maar dat is immers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.»
Zijn stem dringt, smeekt haast.
«Wij? Nooit..... Laten we ons samentreffen en onze
vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit
ons leven beschouwen. Die nu voorbij is.....»
Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te
houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij
spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t
gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.
«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd
voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De
herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.»
En ze staart vóor zich uit.
Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage
angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.
Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt,
neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.
«Ik ben niet somber en mismoedig... Ik zie alleen wat onvermijdelijk
is. Wij kunnen niet samenleven...»
«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder... dan
van die... man?»
«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van
je aannemen.»
«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»
«Och, dat zeg je nu. Wie waarborgt me, dat je altijd zoo zult blijven
denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal
voor je verstand?...»
«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in
mijn kracht?»
«De wereld, Frans...»
«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht
voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en
hoogacht.»
«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»
«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon
gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me
welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek
hebben. Zoo spoedig mogelijk... Laat alles weer bij ’t oude zijn
tusschen ons...»
Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze
zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.
«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je,
dat die ooit zijn toestemming zou geven?»
Heftig valt Frans uit.
«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit
onherroepelijk is?... En dan... als hij weigert... doe ik toch mijn
zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn
drift, toen hij van de politie sprak.»
Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze
even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk
weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende
verstandigheid, antwoordt ze zacht:
«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog
van hem afhankelijk bent?»
«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging
van zijn hoofd. «Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik
maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»
Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.
«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die
nooit.»
«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»
Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin
te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin
erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:
«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig invloed op je vader had»,
antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:
«Nou ja, in zulke dingen.»
«Juist in zulke dingen» geeft Marta terug. «Je weet, wat een man van de
vormen, van ’t goed fatsoen je vader is. Hij is immers een deftig man.»
«Ja, God beter ’t... Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles,
behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.... en nog een
enkele kleinigheid.»
Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze
glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:
«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet
aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»
«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed
thuis.»
«Nu! En ik ben een Jodin!»
Frans maakt een gebaar van ergernis.
«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een
Germaan. Wat doet dat er nu toe?»
«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders...»
«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»
«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en
je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin
wil trouwen... die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft...»
Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop
voor ons... Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte
om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen...»
’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te
verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.
Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:
«Dus je stoot me van je af?»
Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.
«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers
uitgelegd, dat het niet kan.... al.... al breekt mijn hart er ook
onder...»
«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans
hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.»
Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.
«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta
me wel: voor jou bedoel ik. Ik zal van je blijven houden. De wereld
staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die
wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog
alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»
«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid,
terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt
hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over
mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»
De ander schudt droevig het hoofd:
«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets
anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze
wendt zuchtend het hoofd af.
«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.
Marta ziet hem vol droefheid aan.
«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»
’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man
zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig
begint te snikken.
«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en
heftig.
Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de
schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:
«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»
De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de
blik.
«Maar doe ’t dan... doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn
liefste... liefste lieveling.. doe ’t dan!»
Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen,
groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn
blik, antwoordt niet.
De ander gaat woest voort.
«Zeg, je wil wel, is ’t niet?... Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?»
Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem
overbuigt.
«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.
«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.
«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt.
Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van
jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je
alleen zult staan in je strijd tegen de wereld... Ik wil met je zijn,
tegen alles en iedereen...»
Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn
woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt
ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:
«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon
veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst
recht tot bezinning, herstelt ze zich.
«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet
aannemen.»