Onder de tallooze invloeden die de maatschappy beheerschen, zyn er
velen die wy òf in 't geheel niet kennen, òf waarvan wy ons slechts
zeer onvoldoende rekenschap geven. De algemeene oorzaak van dit
verschynsel zal wel traagheid zyn, maar ik meen de meer onmiddellyke
aanleiding te vinden in onze ... specialiteit van aardbewoners. We zyn
zoo gewoon geraakt aan 't waarnemen of ondergaan van de uitvloeisels,
dat we zelden ons opgewekt voelen om onderzoek naar de bronnen te
doen. 't Is dus hier alweer--als by die bakkers in Hoofdstuk
zooveel--de _levenslankheid_ waarmee wy ons vakje van aardbewoners
uitoefenen, die ons van 't nasporen der _causae rerum_ terughoudt, en
hierom staat gewoonlyk ons begrip nog lager dan onze kennis, die ...
ook te wenschen overlaat.
Wanneer een onzer op de maan aanlandde, en daar wezens aantrof die
belangstelden in kennis, zoud-i waarschynlyk in z'n nieuwe omgeving
doorgaan voor byzonder bevoegd om inlichtingen te geven omtrent
aardsche zaken. Maar weldra zou hem blyken dat een seleniet meer
vragen kan dan tien telluriers weten te beantwoorden. En dit niet
alleen ten-opzichte van inderdaad onoplosbare vraagstukken, of ook van
die welke slechts by sommigen voor moeielyk doorgaan, maar zelfs in
zaken die geenszins buiten z'n begrip liggen. Telkens zoud-i zich
moeten verwyten gedurende z'n vorige loopbaan zoo weinig acht te
hebben geslagen op 't verband tusschen oorzaak en gevolg, en by 't
minst besef van eerlykheid ware hy werdra genoodzaakt z'n ontslag te
vragen uit de betrekking van vraagbaak. De primitiviteit der leeken
die hem aanzagen voor professor, zou zich openbaren in allerlei vragen
welke hy nooit zichzelf voorlegde niet alleen, maar die hem ook op z'n
eigen planeet nooit waren gedaan door onkundigen, vertrouwd en
verzoend als ze waren met hun gebrek aan begrip. Een vry algemeene
hoofdindruk van zoo'n ontmoeting zou bestaan in de overtuiging dat-i
vroeger zeer veel meeningen had aangenomen als op _rede_ gegrond,
terwyl hy nu zou moeten erkennen dat ze slechts berustten, of op
stilzwygende overeenkomst--_konventie_--óf op voorbedachtelyke en
uitdrukkelyke versiering, op 'n gemakshalve als wáár aangenomen maar
onbewezen en vaak onjuiste stelling, in één woord: op _fiktie_. Onder
deze konventien bekleeden onze meeningen over _bevoegdheid_ 'n eerste
plaats. By nauwkeurig onderzoek zal gewoonlyk blyken dat we telkens
deze hoedanigheid toekennen aan personen die daarop niet veel meer
aanspraak mogen maken dan zoo'n verdwaalde aardbewoner die op de maan
benoemd werd tot adviseur.
Dat de hier bedoelde onjuistheid van schatting, met al de fouten die
er uit voortvloeien, nooit geheel kan vermeden worden, ligt in den
aard der zaak. De meeste punten van rechtsbegrip en zedelykheid
immers, ja zelfs de meeningen over eigen of algemeen belang, berusten
op _konventie_, en dit zal wel zoo blyven, zoolang 't ons niet gegeven
is doortedringen tot de _eerste oorzaak_ der dingen. Altyd stuiten wy
in onze nasporingen op 'n stelling die--zooals de axiomaas in
wiskunde, maar met minder recht--voetstoots moet worden aangenomen,
op-straffe van onmogelykheid om dóórteredeneeren. Dit verschoont
evenwel de lichtzinnigheid niet, waarmee wy ook zulke onwaarheden
vaststellen, die zeer goed hadden kunnen vermeden worden zonder ons 't
verlies van 'n bruikbare konkluzie te veroorzaken. Het is waar dat wy
in sommige gevallen aan zeker vertrouwen op konventioneele bevoegdheid
behoefte hebben, geenszins omdat dit den wysgeer nader brengt aan
waarheid, maar omdat de maatschappelyke orde soms vereischt dat 'n
twyfelachtige zaak op wettelyke wys worde vastgesteld. Dit onderscheid
tusschen de doeleinden der wysbegeerte en de belangen van de maatschappy,
wordt--heel onwillekeurig voorzeker, maar nogal duidelyk--erkend door de
Wet. Zy verbiedt den rechter uitdrukkelyk: _recht te weigeren_, dat is:
géén uitspraak te doen in de geschillen die aan z'n oordeel worden
onderworpen. Hy _moet_ beslissen tusschen ja en neen, tusschen
aanklacht en verdediging, tusschen zwart en wit, plus en minus, zyn en
niet-zyn. Hy mag niet twyfelen, mag z'n oordeel niet opschorten, mag
niet bescheiden wezen--'t geen hier in veel gevallen zeggen wil: niet
_eerlyk_--hy is eens-vooral veroordeeld tot _weten_. Op wysgeerig
terrein zou deze verplichting 'n ware zotterny wezen, wanneer niet op
even wysgeerige gronden kon worden aangenomen dat we behoefte hebben
aan zeker soort van dwaling. De natuurkundige dien men vragen zou,
_waarom_ alle stof streeft naar vereeniging, mag betuigen dat hy 't
niet weet, maar 'n _Rechter_ is verplicht zich te houden voor alwetend
en onfeilbaar, of ... zich aantestellen _alsof_ hy zich daarvoor
hield. Waar-i soms inkompetentie aanvoert, mag en moet ze gegrond
wezen op een-of-ander wetsartikel dat z'n jurisdiktie bepaalt, nooit
op z'n onwetendheid in 't algemeen, of z'n gebrekkige kennis der
byzondere zaak die aan z'n oordeel onderworpen werd. Veel minder nog
op z'n zedelyke onvolkomendheid die hem zou kunnen verlokken tot
toegeven in partydige liefde of haat. Het is dan ook om redenen van
dezen aard dat algemeene wysbegeerte, d.i. '_t streven naar waarheid_,
zoo dikwyls lynrecht tegenover de eischen van een «vak» staat. Maar 't
ideaal van volkomendheid dat we moeten trachten te bereiken, noopt ons
dit verschil in opvatting zooveel mogelyk te verevenen. Het is daarom
onze plicht geen certifikaten van bevoegdheid uittereiken aan _valsche_
specialiteiten, en vooral niemand tot specialiteit uitteroepen, die zeer
in 't byzonder ònbevoegd is. Dat 'n _Rechter_ in wiens uitspraak we
genoodzaakt zyn te berusten, niet altyd _rechtspreekt_, is nu eenmaal
de verdrietige waarheid, maar onzinnig zou 't wezen, daarom by-voorkeur
den zoodanige tot rechter te benoemen, van wien niets of weinig anders
ware te wachten dan ònrecht. Onder billardspelers bestaat de gewoonte,
by verschil van meening over 't aantal behaalde punten, zich te
onderwerpen aan de uitspraak van den markeur «_die 't weten moet_.»
Onze eerbied voor 'n rechterlyke uitspraak heeft geen steviger
grondslag dan die «_voor bevoegd houden_» van 'n droomerig jongetje.
Toch verbeeld ik me dat 'n wakkere, oplettende--en vooral 'n
_intègre_!--markeur te verkiezen is boven 'n slaapkop of 'n bedrieger.
Wil men deze vergelyking omtrent de kracht en de strekking van
konventioneele bevoegdheid verder uitstrekken of hooger opvoeren, dan
wys ik op 't _zeer rationeele_ katholieke leerstuk der pauselyke
onfeilbaarheid, 'n dogma dat gewoonlyk verkeerd wordt voorgesteld door
protestanten en protesteerende katholieken, twee soorten van
dissidenten die middel vonden om de ongerymdheid van de geloovery
optevoeren tot hoogere machtsverheffing. De tegenwerpingen: «hoe kan
een aan allerlei _menselyke_ onvolkomenheden onderworpen _mens_
onfeilbaar wezen?» en: «wat al pausen die dwaasheden beginnen, of
zelfs misdaden!» houden geen steek. Het is voor den geloovigen
katholiek die de eenheid der kerk bewaard wil zien--en juist _dit_ is
de eisch van 't katholicismus--de vraag niet, of zekere persoon dien
men paus maakte, dwalen kan, maar: of men niet tot handhaving van dien
eigenaardigen eisch der kerk, behoefte heeft aan ... 'n markeur, wiens
_konventioneel_ gezag den vrede onder de spelers bewaart? De
protestantsche wyzigheden op dit punt, komen vry bespottelyk voor in
lieden die eerbied hebben voor allerlei apokriefe dokumenten, voor de
wartaal van dezen of genen profeet of apostel, en die zich deemoedig
buigen onder de uitspraken van CALVINUS, van LUTHER, van den
_Heidelberger_, van de _Dorische Synode_. «_Wy_ niet roepen hier de
modernen, _wy_ erkennen slechts als waarheid wat wyzelf onderzochten
en inderdaad voor waar erkennen.» Deze betuiging zou 'n gelukwensch
waard zyn, wanneer ze in-allen-opzichte met de werkelykheid
overeenkwam, en als ze niet geuit werd door mensen die toch in 't
maatschappelijk leven telkens zeer katholiekelyk hun meening
onderwerpen aan de opinie van deze of gene specialiteit, zonder nog
daarby zich te kunnen beroepen op traditie, op piëteit, op behoefte
aan eenheid en tucht, of wat dies meer zy.
De eerste modellen van opgedrongen bevoegdheid waarmee wy in 't leven
te doen krygen, zyn natuurlyk de ouders. Zy zyn 't die de
kinderboekjes koopen en de onderwyzers kiezen, en worden waarschynlyk
dáárom in sommige opvoedkundige werken zoo walgelyk gevleid. De lezer
staat verbaasd over al de wysheid en al de deugd van Vader en Moeder,
die 'n kind volgens die werkjes in z'n binnenkamer te aanschouwen
krygt, en behoorde verwonderd te zyn daarvan zoo weinig waartenemen in
de maatschappy. Papa en Mama stelen niet, vloeken niet, liegen niet,
twisten niet, lasteren niet en gooien geen glazen in. Of ze de
specialiteit van onmenselyke bravigheid zóó ver dryven dat ze niet
eten en drinken ook, is me nooit gebleken, maar me dunkt het hoort er
zoo by. En ... de kunde! Papa weet alles. Hy is de «bevoegde» persoon
om alle geheimenissen optelossen, alle duisterheden te verklaren.
Niets weet-i niet, precies 'n rechter! Maar, lieve mensen, ziet eens
om u heen, en let eens op al de vaders die in hun binnenkamer benoemd
werden tot specialiteiten in volkomenheid! Het kind--dat _niet_ om
zich heen ziet, en dit dan ook nog niet kàn--schikt zich, en vervalt
van de eene specialiteit in de ander. Want weldra neemt de onderwyzer
z'n niet zeer bescheiden plaats op den troon der volmaaktheid in.
Daarop volgt de dominee, de «bevoegde» persoon alweer om te vertellen
wie, wat en hoe God is. Hy weet dit precies, want ... hy is
_specialiteit_ in onbegrypelyke dingen. 't Is z'n «vak.»
Aldus voorbereid om genoegen te nemen met het leunen op onvaste
steunsels, treedt de jonge mens de wereld in, en zou 'n Herkules van
zelfstandigheid moeten wezen om vertrouwen te weigeren aan de tallooze
voorgangers die hem als «bevoegd» worden aangewezen. Bovendien, wat
zou hem tot wantrouwen opwekken? De verkeerde begrippen die hy ontmoet
in de Maatschappy, werden ook gedoceerd door de speciaal-bevoegden die
deze Maatschappy aan 't hoofd van haar akademien plaatste. De akademien
bevestigden wat er onderwezen werd op de school. En die school was
redelyk homogeen met de kinderkamer. Zeker, zeker, de specialiteiten in
«bevoegdheid» vormen 'n keten die van 't allerlaagste tot het hoogere,
hooge en allerhoogste loopt. Bakers, geneesheeren en professors zyn 't
volmaakt eens in hun afschuw van de luchtbeweging die ze brandmerken met
den vreeselyken naam van «tocht.» De staatsdienaars in hun redevoeringen,
en zelfs de Vorsten op hun troon, stellen zich even kundig aan, even
edelmoedig, even rechtvaardig en even zedelyk als de heeren Eerhart en
Goedman uit de kinderboekjes. Wie aan de praatjes van al die vorsten,
bakers, staatsdienaren en dokters geen geloof slaat, is 'n ketter. Maar
de jongeling die zoo-even de maatschappy intrad, denkt niet aan de
mogelykheid van verzet, ternauwernood aan oorbaarheid van twyfel.
Gebiologeerd tot stompzinnig berusten, raakte hy zoo gewoon aan 't
meegaan met anderen, dat-i z'n eigen denkvermogen liet braak liggen.
De stad zyner inwoning komt voor rekening van Burgemeester en
Wethouders, die wel verstand zullen hebben van gemeentebelangen, want
... ze zyn de bevoegd-verklaarde personen. De Landsregeering? Wèl,
daar is de Koning voor ... 'n specialiteit van geboorte. Daar zyn de
Ministers voor ... specialiteiten van 't goddelyk _parvenir_. Daar is
de volksvertegenwoordiging voor, specialiteit van ... ik weet niet
wat, maar «bevoegd» is ze, o gewis! Want de Wet verzekert het ons, en
die Wet werd gemaakt door specialiteiten van gelyke bevoegdheid als de
bevoegd verklaarde vergadering-zelf. Wie dáárna nog twyfelt!
Er blykt alzoo dat wy in dat alles--en in 't laatst genoemde zeker 't
minst niet!--te doen hebben met een der fiktien waaraan onze Maatschappy
zoo ryk is. Reeds in den aanvang myner IDEEN wees ik op de eigenlyke
strekking van 't vertegenwoordigend Regeeringsstelsel. Het tellen van
stemmen--iets als 'n zonderlinge poging om intelligentie, kunde, goede
trouw, vaderlandsliefde, e.d. te onderwerpen aan den eersten hoofdregel
der rekenkunde--zou eigenlyk kunnen beteekenen: «àls we aan 't vechten
gingen, zouden _wy_ winnen, want we hebben de meerderheid op onze hand.
Laat ons 't vechten voor gebeurd houden, en aannemen dat wy geslagen
hebben. Dit wint vermoeienis, tyd, geld en bloed uit.» Zeker! Maar ...
dan blyft toch altyd de eisch: _dat men goed telt_, niet waar? En dit
doen we met onze konventioneele kiesdistrikjes alweer _niet_! De fiktie
over «bevoegdheid» nu eenmaal niet kunnende missen, behooren wy _in_ die
fiktie zoo logisch mogelyk te-werk te gaan. Dat we dit _niet_ doen, meen
ik in m'n IDEEN 119, 120, 121, en 133, voldingend bewezen te hebben. Of
zou 't er--na eenmaal 'n onjuistheid te hebben aangenomen als punt van
uitgang,--niet op aankomen hoe men daarop voortbouwt? 't Is wel mogelyk.
Maar dan konden wy onze kiezery vereenvoudigen of, beter nog, geheel
achterwege laten, en de beslissing over «bevoegdheid» tot Lands-en
Gemeentbestuur overlaten aan 't lot.[7] Dit zou ook hierom misschien
de voorkeur verdienen, omdat we dan met gelyke kans op goeden uitslag
--waarschynlyk zelfs met grooter kans--tyd en inspanning konden sparen,
om nu niet te spreken, van den wrevel, van de zwartmakerij, van al 't
_onzedelyke_ dat 'n onvermydelyk gevolg is van onze tegenwoordige
kiesmethode. Het heeft er veel van, of de Wetgever bevreesd was dat
het Volk hooger zou staan dan z'n gemachtigden, en middel zocht om by
't verlagen van 't peil der Kamer, tevens de burgery te demoralizeeren.
En nog beweren sommigen dat de fabrikeurs der achtenveertigste grondwet
hun doel niet zouden bereikt hebben! _Allons donc_!
* * * * *
Men zou kunnen aannemen dat er voornamelyk drie manieren zyn, waarop
'n certificaat van _bevoegdheid_--dat is 'n aanstelling tot
_specialiteit_--wordt uitgereikt:
1. _Door de spontane publieke opinie, mits zich uitdrukkelyk in een
niet al te onbelangryk feit openbarende, daar 't anders twyfelachtig
blyft wat eigenlyk de opinie van zoo'n publiek is_?
2. _Door 'n officieel gereglementeerd_ deel _van de publieke opinie,
zooals byv. geschiedt naar aanleiding onzer Kieswet_.
3. De par le Roi, _d.i. door den luim van 'n Minister die z'n eigen
gezag te danken heeft aan 'n fiktie omtrent_ «_bevoegdheid_.»
De vraag doet zich op, welke van deze drie manieren 't meest
vertrouwen verdient, dat is 't minste wantrouwen. Ik weet 't
waarlyk niet.
De kompetentie van 't _algemeen_, van «Men» werd nogal dikwyls
te-schande gemaakt. Wie den loop der «publieke opinie» in de
Geschiedenis nagaat, zou byna op 't denkbeeld komen dat ze _per se_
onjuist is. Maar ook dit is 't geval niet, want by de aanhoudende eb
en vloed der meeningen, bestaat altyd zekere _kans_ dat «Men» somtyds
juist oordeelt, al blyft het gewaagd dat monster daarvoor grooter eer
toetekennen dan de kansrekening meebrengt. En ... die kans is zeer
nadeelig, want het aantal en de kracht der invloeden die de publieke
meening 'n verkeerden weg opstuwen, is zeer groot. Onwetendheid en
vooroordeel spelen daarby 'n groote rol. Eens zeide iemand die door 't
publiek van _zyn_ tyd voor _niet_-bevoegd verklaard werd om meetespreken
--een vermeende onbevoegdheid die zoo ver ging, dat «Men» hem op
wreedaardige wys 't zwygen oplegde--JEZUS dan heeft gezegd: «_niemand
geldt voor profeet in z'n vaderland_.» Deze uitspraak is nietvereerend
voor de vaderlanden, en te minder omdat er rechtstreeks uit volgt dat
zy die in hun vaderland wél geacht, en dus aan 't hoofd der zaken
geplaatst worden, geen profeten zyn. Wie dit goed bedenkt en konscientie
heeft, zou er tegen opzien de hand te reiken aan een met algemeene
stemmen verkozen Gemeenteraadslid, en zeker den moed niet hebben om
'n Kieswet te maken.
Toch hebben oppervlakkige denkers dien moed gehad! Om te weten te
komen wie «bevoegd» zyn om 't Volk voortegaan, sloegen zy den weg in,
die rechtstreeks op verregaande ònbevoegdheid uitloopt. Als ware het
om de kwaal zooveel mogelyk te verergeren, heeft men 't aantal verkeerd
oordeelende vaderlanden in kiesdistrikten gesplitst, en alzoo de fouten
die zoo'n Vaderland aankleven, zooveel mogelyk vermenigvuldigd. Die
fouten immers zyn: onkunde, brood-roem-en opinienyd, in één woord:
_Klein-städterei_. Het ligt in de rede dat de «Vaderlanden» hun
kandidaat-profeten van te naby zien, en dat dit gebrek te grooter wordt
naarmate men de grenzen van zoo'n vaderland inkrimpt, gelyk by ons
Distriktenstelseltje dan ook inderdaad het geval is.
* * * * *
Ik gis dat deze laatste opmerking sommigen zal voorkomen als 'n
parafraze van 't bekende spreekwoord over groote mannen en
kamerdienaars, en dit noopt me tot de uitdrukkelyke verklaring dat ik
hier geheel iets anders bedoel. Om dit verschil van meening duidelyk
te maken, moet ik me nu wel even met dien vervelenden deun bezighouden.
Na den weerslag dien ik jaren geleden reeds daarop gaf en dien ik voor
afdoende hield, (IDEE 689) kom ik daarop niet voor m'n genoegen terug.
Maar 't moet wel, omdat me telkens blykt dat er nog altyd 'n gansche
bende kamerdienaars heel wanhopig loopt te zoeken naar 'n groot man.
Eilieve, als die verweesde lakeien-_zelf_ eens die funktie op zich
namen? 't Is waar dat ze dan zouden moeten beginnen met 'n eind te
maken aan hun knechts-praatjes. De gaping die daaruit te voorzien was
op de programmen van _Letterkundige Kongressen_, moest dan maar in 's
hemelsnaam worden aangevuld met iets degelyks.
_Voyons_! De grootemannigheid schynt ... 'n hoedanigheid te wezen. We
slaan de definitie over, en nemen gemakshalve aan, dat de jammerende
knechts 't daarover onderling eens zyn. Ook dat _ik_ 't met hen eens
ben ... wat veel gehoopt is, want: 1. Ik weet niet wat men onder 't
woord «groot man» verstaat. 2. Als ik 't wist, zou ik zeker moeite
hebben m'n opinie duidelyk te maken aan 't volkje dat gewoon is in 't
kleine te wroeten. 3.... maar genoeg! We zullen ons aanstellen, alsof
ik, wy, zy, allemaal verstand hadden--en 't zelfde verstand--van
grootemannigheid. Deze hoedanigheid dan moet het eigendom, het
kenschetsende, de eigenaardigheid wezen van 'n _mens_, niet waar? Men
kan dus zeggen: «A is 'n groot man» even als men verzekeren kan dat B
blond is. Van welke kracht nu zou de tegenwerping wezen: niemand is
blond voor z'n keukenmeid? Beteekent dit, dat de blondheid van B in
twyfel getrokken of ontkend wordt? Me dunkt dat deze twyfel of
ontkenning zich anders moest openbaren. Het aanduiden immers van 'n
byzondere personensoort die B's blondheid _niet_ waarneemt of erkent,
schynt de meening in zich te sluiten dat B wèl blond is voor alle
anderen. Wat is hier de bedoeling van 't woordje: _voor_? Men _is_
iets, of men is 't _niet_. Wil 't hier zeggen: «_in de oogen van_?»
Maar ... de schuld kan aan die oogen liggen, en 't spreekwoord moet
dan veranderd worden in: «keukenmeiden kunnen geen _blond_ zien.» Arme
keukenmeiden! Of zou de wysheid der volkeren bedoeld hebben _dat er
geen blonde menschen zyn_? Waartoe dan die keukenmeid er bygehaald?
Men zou toch niet in 't hoofd krygen te zeggen: «voor _die, die_ of
_die_ bestaat er geen cirkelkwadratuur, geen _perpetuum mobile_» alsof
die dingen er wèl waren voor 'n ander.
Een welwillende huisgenoot die me over den schouder ziet, blaast my in
't oor dat ik hier moet afstappen van de _letterlyke_ beteekenis, om
overtegaan op den vermoedelyken _zin_ van 't spreekwoord. Goed! Die
zin zal wel wezen dat zoo velen--of allen?--die voor groot doorgaan,
van naby bezien ...
Het doet me leed, hier 't woordje «van naby» te moeten gebruiken,
omdat juist in de verondersteld-onjuiste opvatting dáárvan, de oorzaak
ligt die me zoo-even deed verklaren dat ik in myn redeneering over de
fout van _te naby_ zien, geenszins het oog had op dat armzalige
keukenmeiden-spreekwoord. Ik zal dus wel genoodzaakt wezen daarop
terugtekomen, en neem voorloopig dat «van naby zien» in den gewonen
zin.
«Velen--of allen?--die _in de verte_ groot schynen, blyken _van naby
gezien_ niet groot te wezen?»
Is _dit_ de beteekenis van 't spreekwoord? Dan begryp ik 't alweer
niet. Met dat «schynen» immers hebben we niets te maken. «In de verte
zien» zou dan, beter uitgedrukt, beteekenen: _verkeerd zien_. En: «van
naby beschouwd» had de kracht van: _goed_ beschouwd. De heele zin kwam
dan hierop neer, dat 'n zaak, _terdege_ bekeken, zich anders voordoet
dan _verkeerd_ gezien. Het is voor de wysheid der volkeren te hopen
dat er in dat spreekwoord 'n eenigszins dieper bedoeling ligge. Om met
alle welwillendheid die bedoeling optesporen, doen we nu ook van 't
ontleden der overdrachtelyke beteekenis afstand, en brengen de zaak
over in het stellige, in 't konkrete. De zin van 't spreekwoord zou
kunnen zyn:
«Wie in 't publiek menslievendheid predikt, is _van naby gezien_--d.i.
alweer: _goed_ beschouwd--'n barbaar.»
Dat «prediken» hoort er niet by. De vraag is niet wat iemand preekt,
spreekt of verkondigt--tenzy in de gevallen waar 't woord de waarde
van 'n _daad_ heeft--we moeten weten wat de man _is_, die men
onderwerpt aan de vuurproef der beschouwing _van naby_. Voor-zoo-ver
alweer dat «van naby» beteekent: _terdege, nauwkeurig_, zouden we hier
alzoo de volkerenwysheid betrapt hebben op 'n orakelspreuk van de
soort als: _wie zoo is, is anders_. Q. A.
Om onze welwillendheid ten aanzien van 't kreupele praatje ten top te
voeren, willen we nòg 'n poging wagen om het te verheffen tot iets
begrypelyks. Laat ons aannemen dat wy in de toepassing mogen gebruik
maken van mitigeerende bywoordjes. _Het gebeurt wel eens_ dat iemand
die ... enz. «_Somtyds_ is de man die zich in 't publiek voordoet als
... enz. _Er zyn voorbeelden_ van moralisten, wier zeden ... enz.
Alweer klaag ik hier over gebrek aan diepte. Men zal erkennen, hoop
ik, dat al die praatjes neerkomen op de _palisse_-waarheid dat sommige
zaken en personen wel eens anders zyn dan ze schynen. 't Was
waarachtig wel de moeite waard, aan dit fysiologisch verschynsel 'n
spreekwoord te wyden! En toch, dat spreekwoord heeft 'n _zin_, 'n
_reden van bestaan_. Waarlyk 't is niet zonder oorzaak--niet zonder
_bekende_ oorzaak ook--dat het leeft, groeit, bloeit, van aanhangers
overvloeit, en vruchten draagt. Vruchten en redevoeringen! Die
oorzaak, lieve lezer--we willen hopen dat geen kongreslid zich de zaak
te veel aantrekke--die oorzaak is ... dat er te veel kamerdienaars in
de wereld zyn ... ziedaar! Hun treurigheid over gebrek aan groote
mannen, is gegrond, waarachtig! Men hoeft nu juist geen jakhals te
wezen om meetehuilen als men die interessante diertjes hoort janken en
redevoeren over de schaarste van leeuwen.
Wie _goed_ is, _is_ goed, onverschillig op welken afstand men hem
beziet. Want z'n eigenaardigheid ligt in hemzelf, en hangt niet af van
't standpunt des waarnemers. De vraag of men van 'n _uitstekend_
persoon eischen kan dat-i ook in 't dagelyks leven hoog sta, is
kinderachtig. Met of zonder permissie van den jakhals, is de leeuw 'n
leeuw. Met of zonder eischen of vergunningen van dien aard, is 'n
appel 'n appel, 'n boom 'n boom, en 'n «groot man»--wat dan ook de
beteekenis van dit woord moge zyn--'n groot man. Het is hem geheel
onverschillig of dit door z'n kamerdienaar gevorderd of erkend wordt.
Hy zou niet anders kunnen zyn dan hy _is_, d.w.z. _uitstekend_. En dit
zou zoo blyven, al stond men hem in kongresverhandelingen genadiglyk
toe, in z'n binnenkamertje kleiner te wezen dan op straat. Zoo'n
vergunning teekent overigens de aspiratien van 'n knecht, die z'n
voorzorgen neemt tegen den tyd dat men ook hem eens--by groote
vergissing dan--voor 'n heer zal aanzien.
Wie _goed_ is, _is_ goed, binnen'shuis en buiten'shuis. Hy is goed
voor z'n medeburgers, voor z'n echtgenoot, voor z'n kinderen, voor z'n
vrienden, voor z'n dienstboden. Wie er anders over denkt, mag zich ook
wel gaan verbeelden dat 'n goudstuk in 't donker zich amuzeert met in
'n cent te veranderen. Feilen, fouten, vergissingen, dwalingen ... wie
heeft ze niet? Maar de bewering dat 'n «groot man» in z'n byzonder
leven op-eenmaal zou inkrimpen tot iets kleins ... dat z'n adel by
voorkomende gelegenheid eventjes zou overgaan in gemeenheid ... zie,
dit is 'n uitvindseltje van den zwerm niet-groote mannen die middel
zoeken om _hun_ kleinheid en gemeenheid te doen voorkomen als adel. Ze
meenen zich tot Chimborassa's te maken door 't uitkramen van de
gissing dat er zeker wel hier of daar 'n spleetje zal wezen in den
Montblanc. Hun praatjes, al of niet steunende op 'n zinneloos
spreekwoord, zyn oneerlyk, en moeten hoofdzakelyk strekken om den tol
van hulde uittewinnen, dien ze hun meerdere schuldig zyn. Wie wat wil
afdingen op den roem van COLUMBUS, moet bewyzen dat hy Amerika niet
ontdekte. Niet hopen, wenschen of veronderstellen, niet verzinnen of
insinueeren, niet _lasteren_ vooral, dat de knecht van dien «grooten
man» zeker wel iets kwaads van hem zal geweten hebben. Naar de keuken
met zulk gewawel!
* * * * *
Tot m'n groot genoegen neem ik nu afscheid van dat spreekwoord en die
huilende kamerdienaars. De zin waarin ik vóór die uitweiding 't
woordjen _al te naby_ gebruikte, was ànders. Ik bedoelde de _optische_
fout die 't gevolg is van te naby zien. Even als er tot het juist
beoordeelen van schilderstukken, zeker punt is waar de toeschouwer
zich plaatsen moet, zoo ook behoort de _mens_ te worden waargenomen op
zekeren afstand, klein of groot naarmate van de breedte der trekken
waarmee de Natuur z'n ziel geteekend heeft. Wie dezen regel uit het
oog verliest, zou gevaar loopen een Rembrand grof te vinden en
miniatuurtjes in 't geheel niet te zien. Maar de hoedanigheden van 'n
_mens_ zyn ingewikkelder dan van 'n schilderstuk, en daarom is de
bepaling van 't juiste standpunt waarop de beoordeelaar zich te
plaatsen heeft, zooveel moeielyker. Bovendien ... die beoordeelaar is
soms, dikwyls, _altyd_ misschien, eenigszins _mededinger_. Z'n _eigen
fouten_, en niet altyd die van 't beschouwd voorwerp, staan dikwyls
zyn oordeel in den weg.
Met die fouten bedoel ik nu niet den voor 't oogenblik afgehandelden
nyd, al blyft het waar dat die pest 'n hoofdrol speelt in de
antichambre van de wereld. Neen, met den besten wil en zonder
boosaardig opzet, is de meerderheid--die uit den aard der zaak _niet_
uit «groote mannen» bestaat--tot onjuist oordeel gedwongen, omdat zy
'n verkeerden maatstaf aanlegt. De teleurstelling by het van _te_ naby
zien der personen die voor uitstekend doorgaan, behoeft volstrekt niet
gegrond te wezen op hun verkeerdheden. Ze is vaak, of kàn zyn, 'n
gevolg hunner afwyking van 't ideaal dat de beschouwer zich zeer
willekeurig van uitstekendheid geliefde te vormen, 'n ideaal dat--vreemd
genoeg voor den allergewoonsten bron waaruit het voortvloeit--steeds
zondigt door opgeschroefde òngewoonheid. A verneemt, en gelooft
voorloopig, dat X 'n «groot man» is. A, géén «groot man» waarschynlyk,
eet 'n broodje met z'n mond. Hy krygt X te zien van naby, van _te_ naby,
ontdekt dat X even als hyzelf, z'n mond gebruikt tot het orberen van 'n
broodje ... weg is de illuzie! De «groote man» had, om op de hoogte van
A's kinderachtige voorstelling te blyven, met z'n neus moeten eten, of
geen broodje moeten eten, of in 't geheel niet eten ... weet ik, 't! De
hier bedoelde fout in 't schatten van uitstekende mensen, wordt vry
algemeen erkend, zoodra zich die uitstekendheid slechts in
maatschappelyken rang openbaart, en dan weet men ze zelfs te gebruiken
tot onderhoud of versterking van tucht. Keizers, Koningen, Bevelhebbers
houden zich op 'n afstand. Zy vertoonen zich niet _en robe de chambre_,
geenszins altyd omdat ze fouten te bedekken hebben, maar omdat veel
ondergeschikten te laag staan om te waardeeren wat natuurlyk en eenvoudig
is. De nogal verdachte dood van den laatsten CONDÉ--wiens nalatenschap in
de familie kwam van LOUIS PHILIPPE--had op de stemming van 't groot en
klein gemeen, 'n minder nadeeligen invloed dan de burgerlyke paraplui
waarmee die Koning zich vertoonde in de straten van Parys. De _épiciers_
en _prud'hommes,_ de Kappelluî, vinden 't vreemd en derogeerend, dat
iemand die géén _épicier_ of _prud'homme_ is, géén Kappelman, in iets op
hèn gelijkt, en ze wreken zich over hun botheid door den zoodanige alle
uitstekendheid te ontzeggen. Wie alzoo door de meerderheid wilde aangezien
worden voor 'n «groot man» zou zich op 't voorbeeld van allerlei goden,
moeten hullen in 'n wolk van geheimzinnigheid. Hy behoeft niet te vliegen,
mits men maar niet _ziet_ dat-i loopt. Hy behoeft geen wonderen te doen,
mits slechts z'n vader niet bekend zy als timmerman te Nazareth. Neen ...
hy moet geen vader gehad hebben. Dat is onmogelyk, dat is onmenselyk, dat
kan voor «groot» doorgaan, dat is het ware! Arme JEZUS, hoe kondt gy u
voorstellen de mensen begeerig te maken naar uw «Koningryk der Hemelen»
gy dien men op aarde gezien had, koornaren plukkend met de hand ... _als
'n mens_? Gy die honger en dorst had ... _als 'n mens_? Gy die geschreid
hebt _ ... als 'n mens_? Neen, neen, 't spreekt vanzelf dat de menigte
die brevetten uitreikt van «bevoegdheid» u niet kon aanstellen tot
specialiteit in hoogere dingen! Men heeft u gegeeseld en gekruizigd ...
Goddank, dat al dat volkjen u nooit zag lachen! Als gy u zóó ver
vergeten hadt, lieve JEZUS, waarlyk men had u den verheffenden
marteldood op Golgotha niet gegund, en 't ware uw lot geworden
gelykenisjes te verzinnen om de kinderen van Schmoel te amuzeeren.