Nu, als de uitgever die hoofdstukken niet wil laten drukken ... my
wel! Ik heb den lezer in-staat gesteld ze zelf te schryven, en noodig
hem daartoe uit.
Maar eilieve, zou er in onze Tweede-Kamer inderdaad geen plaats zyn
voor al die kinderen der heeren VAN 'T EEN-OF-ANDER en myner fantazie?
Is dit waar?
Zeker! Duizend-en-één individuen kunnen niet geplaatst worden op
slechts zeventig orakel-drievoeten.[4]
Welk nut doet dan de enkele dien men daar wèl plaats geven kan?
Heeft de _specialiteit_ meer dan één stem?
Neen!
't Is toch jammer dat het balletje waarmee hy voteert, geen grein
zwaarder weegt dan 't kogeltje van z'n buurman die «zich niet zoo heel
in 't byzonder heeft toegelegd» op de zaak die aan de orde is. De
specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan
slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken
invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestien van
industrie, handel of landbouw. _Navita de_ tauris, _de_ ventis _narrat
arator_. De Latynsche spreukspreker was in de war, zooals men ziet, en
't was hoog tyd hem te korrigeeren. Gelyk we doen by dezen.
Zeventig uitverkorenen zullen 't land gelukkig maken. Daartoe is 't
wèl behandelen van elke voorkomende aangelegenheid noodig. Die
aangelegenheid behoort _altyd_ tot zeker vak, tot zeker onderdeel van
menselyke kennis of kunde. In de vergadering bevindt zich 'n individu
die in zoodanig vak gediletteerd heeft. _Hy_ moet het weten. Maar ...
welk nut trekt dan 't vaderland van de andere negen-en-zestig? Zyn ze
niet, wel beschouwd, nogal overtollig of zelfs schadelyk? Is 't niet
te vreezen dat ze ònspecialiteitig mee-narreerende over winden en
koeien--mee-_stemmende_ wat erger is!--den dilettant-specialist zullen
óvernarreeren, óverstemmen?
Komaan, ik wil goedig zyn, en al de valsche specialiteiten die m'n
uitgever zoo boosaardig supprimeerde, verheffen tot wáre specialiteiten,
tot inderdaad kundige, in hun speciaal vak door-en-door bedreven personen
... dan zelfs, en dan _juist_, vraag ik of zy in de volksvertegen-
woordiging _on their right places_ zyn?
Ik geloof het niet.
Een goed militair zeeman die tevens de _bosse_ heeft van bevelvoeren
en organizeeren, behoort als _right man_ aan 't hoofd van de vloot, en
alléén te staan. Men màg zoo'n schat niet bederven, door hem
amalgameerend wegtestoppen onder zeventig. Tegen zoo'n _alliage_ is 't
edelste goud niet bestand.
De Tweede-Kamer is immers geen kudde wyfjesschapen, waarvan men 't ras
verbeteren kan, door 't aankoopen van 'n Thibetbok of Merino?
En zoo'n ingevoerde hamel mag nog 'n flinken bel aan den hals dragen,
terwyl de Kammerras-verbeteraar by elke poging tot uitvoering van z'n
speciaal mandaat, heel beleefd verschooning en permissie moet vragen
aan 't geacht schaap uit een of ander kiesdistrikt, dat hy moeder wil
maken van wat kunde.
Die laatste zinsnede is minder scherp dan men meent. Het gebeurt meer
dat men den naam dien ik geef aan 'n bestaande zaak, aanstootelyk
vindt, terwyl ik beweer dat de aanstoot behoorde gegeven te zyn door
de zaak-zelf, die vaak ruwer verwyt meebrengt dan myn woorden. De
niet-specialiteiten zien voorby dat zyzelf begonnen zich tot nullen te
maken door waarde te hechten aan de meeningen der onnoozele FRITSJEN.
En ook wanneer de speciale kennis van 'n lid inderdaad boven zoo'n
armzalig dilettantisme verheven is, volgen er uit de verkeerde
toepassing van 't _right place_-stelsel, allerlei ongerymdheden. Het
drukken op de byzondere bevoegdheid van den één immers, sluit de
betrekkelyke--soms volsterkte--onbevoegdheid der anderen in zich. De
splitsing der intellektueele waardigheid van 'n vergadering, in
zooveel onderdeelen als er speciale vakken in die vergadering
vertegenwoordigd worden, brengt hare waarde terug tot de opgetelde
cyfers der individueele intelligentien die men tot 'n _som_ vereenigen
wilde, een poging altoos, waartegen de ongelyksoortigheid der deelen
zich logisch--en dus triumfantelyk--verzet.
Gegeven: 'n schaakspeler, 'n kannibaal, 'n schaatsryder en 'n
hansworst, die zich vereenigen om _viribus unitis_ iets beters te
leveren, dan aan elk hunner in 't byzonder mogelyk was. Meent men dat
die Tweede-Kamer van vier leden, beter dan de schaakspecialiteit
_alleen_, 'n nieuwe _gambit_-kombinatie zal tegenspelen? Dat ze meer
personen zal verslinden dan het tweede lid orberen zou wanneer-i zich
in eenzaamheid aan z'n vak van menseneten kon toewyden? Dat die leden
't met hun vieren zouden winnen van nummer drie, in 'n kunstig
beentjen-over? Dat ze ons hartelyker zouden doen lachen dan de
laatste, overgelaten aan z'n invidueele _vis comica_?
Ik vergis me. De komieke specialiteit moet te-kort-schieten by den
kollektieven indruk dien-i maken zou _cum sociis_!
En meer ongerymdheden! A is bekwaam in zeker vak, en erlangt daarom en
als zóódanig 'n plaats in de Volksvertegenwoordiging. Maar, ook vele
anderen zyn in dat vak bekwaam, en hebben dezelfde aanspraken al hy.
Sommigen zelfs staan als _specialiteit_ hooger aangeschreven in de
meening hunner kollegaas die hierover, _als zeer speciale specialiteiten_
immers, het best kunnen oordeelen. Waarom moeten nu al die anderen--z'n
erkende meerderen misschien--zwygen waar A spreekt? Waarom geldt hùn stem
niet, en wel de stem van A? Ligt er niet iets onbillyks in, één persoon
voor officieel-wys te verklaren, en zooveel anderen buiten-te-sluiten,
die met gelyk of grooter succes dan hy, het vak beoefenden waarin hem
door z'n verkiezing 't meesterdiploom by-uitnemendheid wordt uitgereikt?
We hebben ... oorlog--schrik niet, lezer, ik fantazeer--we hebben
oorlog met Engeland. De oorzaak ligt in de haringvisschery. Waarom nu
één haring-specialiteit in de Kamer? Heel Vlaardingen moet er in. Al
wat haring vangt, kaakt, zout, eet, koopt, verkoopt en kuipt.
De scholen--schrik weer niet, lezer, ik ga voort met fantazeeren[5]--de
scholen deugen niet. Waarom nu één schoolman in de volksvertegenwoordiging?
Is er waarlyk behoefte aan speciale voorlichters _op die plaats_, dan
hoe-meer voorlichting, hoe-meer specialiteit, hoe-beter. Roep dan elken
professor binnen, elken magister, elken geleerde, elken _msjeu_, elken
sekondant, elken schooljongen zelfs ...
Meent men dat het de moeite niet loonen zou, _aan kinderen_ te vragen
wat er aan 't onderwys ontbreekt?
Men bemerkt dat de renommee van 't fabriekmerk der brave Hollandsche
boter aan 't dalen is. Alweer fantazie, schrik dus nog niet. De
beschreven vaders voelen 'n leegte. Ze betrappen zich op gebrek aan
verstand van boter. Het bedreigd voorwerp, schuldig dan of miskend,
moet in z'n rang hersteld, _ne quid detrimenti_ ... enz. Spoedig 'n
boterman! Daar is-i. X heeft verstand van de zaak. Zeer wel. Maar ...
al de anderen die «in boter doen?» Al de anderen die 't in de
vervalsching van dat artikel nog verder brachten dan hy? Waarom niet
ook hùn 'n kussen aangeboden? Met 'n plaatsje er by, om er op te
zitten, tenzy ze--wat ik niet ongepast vinden zou--daartoe hun
botertonnetjes meebrengen, de dingen immers waaraan ze de aanspraak op
die kussens te danken hebben.
Indië gaat verloren--er is geen woord van waar, schrik dus nog altyd
niet, ik stel maar iets[6]--Indië is in de war ... vry-arbeid ...
kultuurstelsel ... algemeene ontevredenheid ... ministerieele krises
zonder eind ... aardbevingen ... overstroomingen ... echt-liberale
meerderheid ... allerlei ongelukken. Alzoo _Specialiteiten voor_!
Daar zyn ze. A kan _kassi api_ zeggen. Hy is dus 'n halve Maleier, en
_the right man_. Maar ... B heeft het gebracht tot 'n Soendahsch
_tjokal sonoh_, en C tot 'n ongestameld Javaansch _djalook gni_.
Is 't nu niet hard voor die twee laatste letters, dat ze A moeten zien
plaats nemen in den tempel, terwyl zy worden buitengesloten, zy en 't
heele alfabet van de velen die 't nòg verder brachten in speciaal-kennis
van Indie? Moest niet eigenlyk ook de kat worden binnengeroepen van de
naaister der juffrouw wier grootmama's buurman eens zoo specialiteitig
droomde van iemand die op 'n printjen 't portret had gezien van 'n
doodgeboren wicht dat er misschien eenmaal aan gedacht zou hebben hoe
sommigen naar Indie kunnen gaan ... als 't geleefd had?
Dat ik in die duizend gesmoorde hoofdstukken me vergiste in de
lokaal-kapaciteit van de Kamer, kan waar zyn. Maar 't blyft even waar
dat dit jammer moet worden gevonden door ieder die meent dat zoo'n
vergadering, om aan hare roeping te voldoen, behoefte heeft aan
_Specialiteiten_.
En ... nog meer ongerymdheid, nog meer schade, nog meer leugen!
Wie in haringzaken de behoefte aan 'n specialiteit staande-houdt, en
niet genegen is heel Vlaardingen binnen te roepen, behoort uit de
Vlaardingers 'n keus te doen. Wie worden nu met deze keus belast?
Experts? Zaakkundigen? Geenszins. De specialiteit wordt uitgekozen
door _niet_-specialiteiten, de bevoegdheid wordt beoordeeld door
_niet_-bevoegden, door _kiezers_.
Zy die zich in de volksvertegenwoordiging doen voorlichten door
vakmannen, vergeten gewoonlyk dat het niet altyd de _sommiteiten_ in
zoodanig vak zyn, die door _leeken_ worden waardig gekeurd de
algemeene zaak voortestaan. En, dat bovendien juist zy die 'n vak met
hart en ziel beoefenen, en 't daarin brachten tot iets uitstekends,
den minsten lust voelen hun persoonlykheid, die 'n zeer _speciale_
waarde heeft in gemeenschap van goederen uittehuwen aan 'n
vergadering, welke gemiddelder waarde _altyd_ beneden die van 'n
middelmatig individu staat. Dit laatste meen ik in m'n IDEE 9
overtuigend te hebben aangetoond.
Dat nu zoodanig _uitstekend_ individu ook wat plicht en roeping
aangaat, zich niet zoo onwaardig mag laten gebruiken, valt _my_ in het
oog. Maar aan sommige anderen schynt deze waarheid niet zoo duidelyk,
en daarom zal ik trachten haar optehelderen door de veronderstelde
uitstekendheid by benadering te schatten in geldswaarde of
maatschappelyke pozitie. Stellen wy dat er wryving van gevoelen
bestaat over Geneeskundige-dienst. Hygiène, enz. en dat men alzoo in
de Kamer ernstige debatten over die onderwerpen te-gemoet ziet. By
vakaturen wordt gewezen op de «juist thans zoo diep gevoelde behoefte
aan 'n specialiteit.» De kiezers zien dit in. Er is'n geneesheer
noodig. Geen heil buiten de medicynen alzoo. Een koninkryk voor
'n dokter!
_Welken_ dokter moet men nu kiezen?
Den bekwaamsten, denk ik.
Wie beoordeelt die bekwaamheid?
Iedereen! Maar ... niet iedereen kan dit beoordeelen met grond.
Men gaat te-werk naar den _roep_ die er van 'n geneesheer uitgaat, Wie
veel praktyk heeft, is bekwaam. De geneesheer zonder praktyk, is niet
bekwaam. Dat dit kriterium hoogst-onzuiver is, doet niet ter-zake. Men
heeft geen ander. En bovendien, 't mag niet gewraakt worden in
kiezerszaken, daar zoodanige zeer inkorrekte waardeering berust op 't
zelfde beginsel waarmee de heele kiezery staat of valt, op:
_meerderheid van stemmen_.
De te kiezen specialiteit behoort dus iemand _van naam_ te zyn, niet
waar? Een dokter die _door velen voor bekwaam gehouden wordt_?
Vraag eens aan geneesheeren die tot deze kategorie behooren, of zy hun
ryke praktyk gelieven optegeven voor de nogal twyfelachtige eer van 't
lidmaatschap der Tweede-Kamer? En ook zonder te spreken van 't geldelyk
verlies, het zou al zeer weinig getuigen van liefde voor de wetenschap,
indien zy zich op die wyze door 'n kiezersgril lieten aftrekken van 'n
beroep dat den welgezinden onder hen, _roeping_ is.
De zeer voorname geneesheer bedankt alzoo. De iets minder voorname
--tweepaardig nog altyd!--bedankt ook. De karbriolet bedankt. De chais
bedankt. Ach, de goeie lieve arme Tweede-Kamer moet zich behelpen met
deze of gene godheid van lagere orde en te-voet, die haar gebruikt om
zoo mogelyk langs chais, karbriolet en koets opteklimmen tot wat renommee
en praktyk. «M'n zieken zyn wat schaars, zoo redeneert de half-
verongelukte, doch als ik 'n deftig M.P. achter m'n naam zet, zullen de
patienten wel komen opdagen.» Daar ziet men dan 't specialiteiten-beginsel
op z'n kop staan. Niet de geneesheer als zoodanig nuttig in de Kamer,
maar 't kamerlid zit als volksvertegenwoordigende specialiteit voor 't
ziekbed. Hy licht z'n zeventig kollegaas niet voor met geneeskundige
kennis, maar voelt met ambtelyker deftigheid dan vroeger, den pols zyner
zieken. Z'n redevoeringen imponeeren de geachte leden niet, al rieken ze
naar de school--en dit _moet_, want met dat doel is-i daar--maar wel maakt
hy op z'n patienten hoogmogender indruk dan in de dagen van z'n
kamerloosheid. In 't Parlement daalde hy, zonder baat voor iemand, van
eenheid af tot 'n zeventigste deel. Met zeventigvoudige waardigheid
daarentegen wreekt hy zich op z'n andere lyders ... die ook niet
genezen, al zyn ze 'r nóg zoo groots op één dokter te hebben met het
vaderland.
Laat ons aannemen dat de voor bekwaam gehoudene inderdaad in kennis
zoo hoog staat als z'n inkomen schynt aantewyzen, en tevens dat-i
vervuld is van liefde voor de algemeene zaak, zóó zelfs dat hy
des-noods bereid wezen zou van die hoogere inkomsten afstand te doen,
om tennutte des Volks bezig te zyn. Hoe behoort in zoodanig geval deze
specialiteit te redeneeren?
«Er is in onze Volksvertegenwoordiging debat op-handen over Hygiéne,
Geneeskundige-dienst, Akademisch onderwys in de fakulteit der
medicynen, enz. enz. Ik heb my op die zaken toegelegd, en vermeen
--liever: _en ben overtuigd_--in-staat te wezen over dat alles
inlichtingen te geven die van nut kunnen zyn voor de beraadslagingen.
Men biedt my 'n plaats in de Kamer aan. Is 't nu, _in het belang der
zaak_, m'n plicht die betrekking aantenemen? Wordt de door my
verkregen kennis het voordeeligst aangewend _in_ of _buiten_ die
kamer? Dàt is de vraag?
Ik beweer dat de _bekwame_ specialist, na zich deze vraag ernstig te
hebben voorgelegd, geen annihileerd lidmaatschap aannemen màg. Hy màg
'n kennis niet versplinteren. Hy màg het deel der wetenschap, waarover
hy te beschikken heeft, niet onderwerpen aan reglementen van orde, aan
konventioneele parlements-usantien, aan wanbegrippen over party-plicht.
Hy màg de religie van z'n vak niet blootstellen aan de schande van 'n
stryd met onkundigen, waaronder er zyn die op toevallig ambtgenootschap
het recht gronden van onbeschaamdheid. Hy màg dit niet, en ... 't
geschiedt ook niet! Want ... wie inderdaad als specialiteit bekwaam is,
_bedankt_. Hy komt, na de vragen die hy zich--altyd in 't belang der zaak
--voorlegde, tot de slotsom dat-i z'n talenten, z'n kennis en z'n
bekwaamheid het voordeeligst aanwendt door het _individueel_ verkondigen
van wat hy ter-zake dienstig oordeelt. Hy biedt de vruchten van z'n
arbeid aan volk en vertegenwoordiging _beide_, en wacht ...
Wyst men daarop z'n slotsommen af? Mislukt hem 't gepoogd overplanten
zyner denkbeelden? Welnu, dan juist blijkt hem dat hy zichzelf, z'n
arbeid, en z'n «Publiek»--in en buiten de Kamer--goed beoordeeld
heeft. De specialist die, ongestoord arbeidende met al de kracht eener
alleenstaande individualiteit, geen bres beukte in den dikken muur van
algemeene onkunde, zou waarlyk dien muur niet hebben omgeworpen,
indien hy de kracht van z'n geest had verwaterd door oplossing in een
onevenredig-groot aantal deelen ... ànderen geest.
Dit laatste beeld is weer onjuist, en te flauw voor de zaak die ik
daarmee wil kenschetsen. De invloed namelyk van den specialist wordt
niet alleen _verzwakt_ en _verlamd_ door z'n opgaan in een groot
heterogeen geheel, maar die invloed wordt door tegenwerking
_vernietigd_, of althans dit kàn 't geval zyn. De mogelykheid bestaat
dat 'n nuttige waarheid die kans had op bevruchtend doordringen, voor
langen tyd verloren gaat, òf omdat zy 'n lid der Volksvertegenwoordiging
tot ontdekker had, òf omdat ze in die Vertegenwoordiging werd verkondigd.
En hierop doelde ik eenige bladzyden geleden, toen ik klaagde: nog meer
schade, nog meer _leugen_! Dat immers het smoren van waarheid, leugen in
de hand werkt, zal wel betoog behoeven.
Ik verdedig van 't nu volgend voorbeeld alleen de strekking, en geenszins
de zeer willekeurig gekozen stelling.
Een geneesheer, _inderdaad_ sommiteit in de wetenschap, heeft zich
laten verschalken. Hy verlaat zieken en studeercel, en neemt zitting
in de Kamer. Na moeilijke inspanning en veel _speciale_ studie, is hy
in het bezit geraakt van een of meer der volgende--door my slechts
voor 'n oogenblik als zoodanig aangenomen--waarheden:
dat de volksvoeding slecht is,
dat de kazerneering van de militairen veel te wenschen overlaat,
dat de hospitalen niet deugen,
dat de vaccine nadeelig werkt op de gezondheid,
dat er fouten zyn in de wettelyke regeling der prostitutie, of wel
dat de heele wettelyke regeling op dat stuk 'n fout is, enz. enz.
Hy was op 't punt de rezultaten zyner wetenschap en ervaring
neerteleggen in 'n uitgebreid werk. Daar komt men hem storen met z'n
verkiezing. Nu behoorde hy te antwoorden: «lieve mensen, ik heb
waarlyk geen tyd voor zulke dingen, voorziet u elders!» Maar we
stelden reeds dat het verschalken ditmaal gelukt. Zelfs de goede
HOMERUS slaapt nu-en-dan. Onze voorlichter laat zich dus de «keuze
zyner medeburgers--waaronder geen enkele is, dien hy 't geringste
stemrecht zou toekennen in _zyn_ onderzoekingen!--welgevallen.»
Verkeerd redeneerende, hoopt hy z'n verkregen kennis aantewenden in
dien nieuwen werkkring.
Maar ... die werkkring omvat ook andere zaken dan waarmee hy zich zoo
religieus bezighield. Men tracht hem te werven voor--of tegen
--tariefsherziening, vry-arbeid, kadaster-revisie, schoolwet,
afschaffing tienden, pantser-fregatten, linie-verdediging, kieswet-
verandering, enz. enz. Onze arme geleerde voelt dat hy in 'n maalstroom
geraakt is, waarby hy de vruchten zyner korrekt-wetenschappelyke
nasporingen niet plaatsen kan. Z'n nieuwe omgeving waardeert z'n
vorigen arbeid niet. Het is haar niet om waarheid te doen, maar om 'n
_stem_.
Dit is hem wel 'n groote teleurstelling, maar ... och, onze naïve
onderzoeker beleefde niet geheel ongeschonden de laatste twintig,
dertig jaren. De modewoorden, «behoud, liberalisme, reaktie,
verblinding der tegenparty--die 't altyd glad mis heeft--ministerieele
krizis, periodieke òndergangen van 't vaderland» enz. drongen tot z'n
studeervertrek door. Wel stuitten hem vroeger, als ruwe vloeken den
vrome, al die vage uitdrukkingen, hem die de godsdienst van 't
_exakte_ bekleed, maar men is nooit straffeloos 'n kind van z'n tyd.
Hy wyst al die Kamerpraatjes niet af met de minachting die ze
verdienen, en die dan ook werkelyk gevoeld wordt door den zeer enkele
die trouw bleef of aan gezond verstand, òf aan de vak-religie waardoor
by sommigen zoo eigenaardig de rol van 't geweten vervuld wordt. Maar
dit zyn uitzonderingen.
In-weerwil van dat alles herinnerde hy zich iets op 't gemoed te
hebben. «De volksvoeding, m'nheeren ...
Wie luistert naar zóó iets! De kwestie _aan de orde_ is, de dikke
yzeren platen waarmee men waarschynlyk onze schepen onbruikbaar maakt,
en zéker de marine bederft, uit Engeland of uit Frankryk moet ontboden
worden? Dat 's wat anders dan eiwit en proteïne!
Zeer wel. De arme man tracht met geduld en berusting die pantserplaten
te doorboren, en zwygt. Neen, erger, hy stemt mee met de _clique_
waartoe hy zich verbeeldt te behooren, omdat ze hem 't uitzicht opende
ook eens naar hèm te luisteren. Maar ... eerst die pantser-historie
_Passez nous le rhubarbe, nous vous passerons le séné_!
«De kazerneering der troepen ...
Lieve hemel, hoort hy dan niet dat we bezig zyn met Eeredienst? De
vraag «aan de orde» is, of goddelyke dingen, voortaan te zwak om
alleen te staan, by finantien of binnenlandsche zaken moeten worden
ingedeeld? De Israelieten beweren, de Katholieken gelooven, de
Protestanten protesteeren ...
In 's hemelsnaam! De huisvesting der troepen moet wachten tot de _res
divinae_ gekazerneerd zyn.
«Maar de hospitalen dan ...
Hospitalen hier, hospitalen daar ... de heeren zyn bezig met 'n
Noorzeekanaal. Dàt is «aan de orde». Hospitalen by 'n volgende
gelegenheid.
En onze patiënt--helaas, vroeger was-i zelf geneesheer! moet z'n
lydende hospitalen laten wachten.
«Wat de koepokstof aangaat, myne heeren ...
Er wordt vandaag niet ingeënt. De Kamer is bezig met de posteryen.
«Aan de orde» is de vraag hoe 't stelen van brieven kan voorkomen
worden?
De tegenstander der vaccine--hy is dus vooral tegenstander van
_gedwongen_ vaccinatie--schikt zich alweer. Hy stelt z'n verlossing
uit, en rekommandeert zich voor wat _gelegentliche_ aandacht op de
zaken die _hy_ behandelen wil, door zich gedwee te laten inënten
met postery.
«Wat de prostitutie aangaat ...
Sjt! Over zulke dingen wordt hier niet gesproken. _On se respecte_!
Daar zit nu de man met z'n kennis, met al z'n geleerdheid, met al z'n
_specialiteit_! Hy betreurt den tyd toen-i alléén was met z'n streven
naar waarheid, en geen andere beletselen kende, dan die uit den aard
der behandelde zaak voortvloeiden.
Maar ... eindelyk toch komt het tydstip waarop hy zoo-lang wachtte. Na
't doorloopen van allerlei kursus in zaken die hem vreemd waren, en
waarin-i zoo goed mogelyk zich richtte naar 't voorbeeld van wien _hy_
aanzag voor specialiteiten in hùn vak--de onnoozele! roept men hem op
tot verkondiging ...
Hy is gereed. «De huisvesting der troepen alzoo ...
Alweer mis! Heeft men ooit dommer onbruikbaarder schepsel gezien dan
zoo'n geleerde! Daar zou hy waarlyk den minister die gesteund moet
worden, 'n brandhout voor de voeten gooien, of: den minister die
vallen moet, steunen!
Zoo wordt alles gesmoord, vernietigd. Waarheid, vrucht van gemoedelyk
onderzoek, religie der wetenschap, hospitalen, volksvoeding, vaccine,
prostitutie ... neen, nu zeg ik 'n woord te veel, één woord.
* * * * *
De zaken kunnen zich evenwel anders toedragen. _Variis modis male
fit_. Stellen wy eens dat de thesis die onze specialiteit te bepleiten
heeft, ten-laatste wèl «aan de orde» komt, en dat het geoorloofd is
haar te behandelen. Hy spreekt. Men luistert naar hem. Men geeft hem
de eer die hem als _bevoegde_ toekomt.
_Wie_ geeft hem die eer? _Wie_ luistert?
De Kamer?
Geenszins. Slechts 't gedeelte der Kamer dat de verkondigde nieuwe
leer kan gebruiken in 't program van den kinderachtigen partystryd.
De waarheid wordt niet ingehaald om haarzelfs-wil, maar om haar
opportuniteit als oorlogswapen. De _bekwame_ specialist bedroeft zich
over 't misbruik dat hy ziet maken van z'n arbeid, en gevoelt dat elke
_leugen_, wanneer ze maar gelyke partydienst doen kan als de door hem
gevonden _waarheid_, even welkom als deze zou geweest zyn.
Doch, meent men, z'n mededeelingen zyn nu eenmaal aangehoord ... ze
zullen doordringen?
O zeker. Het staat in de macht van geen Parlement ter-wereld, de
waarheid _op-den-duur_ te smoren. Maar ik blyf beweren dat de
verkondiging op _die plaats_ haar 't licht doen zien in zeer nadeelige
konditien. De onvervalschte verspreiding wordt tegengewerkt en
vertraagd door de lokaaltint van pseudo-staatkunde _tendance_ die
onafscheidelyk is van elke parlementaire handeling.
Het doet er voor den eisch van m'n betoog volstrekt niet toe, of de
wetenschappelyke meening van onzen _bekwamen_ specialist samenvalt met
de belangen der meerderheid, of met die van 't ander deel der
vergadering. De hulde dergenen in wier kader z'n opinien passen, heeft
minder waarde dan wanneer z'n ontdekkingen waren gepubliceerd zonder
politieken bysmaak. En ... de tegenwerking der andere party is hevig.
Dit nu op-zichzelf ware geen schade. Maar die hevigheid openbaart zich
ten-koste van de waarheid. En dit schaadt wel!
--Hoe, gebreken in volksvoeding, in kazerneering, in prostitutie?
Onder den minister dien _wy_ steunen? Dat mag niet waar zyn!
--'t Is inderdaad hard, maar ... wie zal hem tegenspreken? Hy is 'n
alom voor bevoegd gehouden ... _specialiteit_!
--Zooveel te beter! Ook wy weten met zulke dingen te goochelen. En is
'n vakature voor 't distrikt X, Y, Z. Aan specialiteiten is ook aan
ònzen kant geen gebrek ...
Waarlyk, weinig tyds na z'n optreden ondervindt onze Goliath dat men
hier-of-daar 'n Davidje wist optesporen--liefst 'n zeer kleintje--die
juist niet altyd behoeft te overwinnen, als hy maar goed genoeg
slingert om zeker soort van kampvechters te doen meenen, of gelegenheid
te geven tot het voorwenden van de meening, dat hy den reus vlak voor
z'n kop heeft getroffen.
Hoe dikker de laag van onbeduidendheid, die men doorboren moest om de
nieuwe specialiteit aan 't licht te brengen, hoe onvoordeeliger de
toestand wordt van den uit z'n kring gerukten apostel. Hy gevoelt dat
men hem verlaagd heeft tot vechthaan, en dat hy zich _en spectacle_
geeft. De leeken staan er by met de handen in den zak, en wedden. Ze
voelen niets van de pyn des meesters, die diep gewond wordt, niet door
de slagen die hem de leerling toebrengt--ze treffen niet!--maar door
't vernederend besef dat-i zich heeft laten verlokken tot derogeerenden
stryd. Hy moet het aanzien dat onbevoegden z'n tegenstander den palm
der overwinning toekennen, of--niet minder bitter!--ondervinden dat
even onbevoegden wel willen erkennen dat hy dien tegenstander verslagen
heeft, en mag eindelyk nog van geluk spreken, indien de parlementaire
konvenientie van 't oogenblik hem den byval verzekert van de meerderheid.
Maar ... ook dit zelfs kan wel eens veranderen na de herkiezingen in Juni!
De specialiteit der 3e, 7e 1001e klasse integendeel, wint altyd, ook
al werd-i _moralement parlant_ platgebeukt weggedragen van 't slagveld.
Hy die, _buiten_ de Kamer, _volgens de schatting der vakgenooten_,
onwaardig zou geweest zyn de schoenriemen des meesters te ontbinden,
geniet nu reeds door den stryd-zelf--hoe ook de uitslag zy--grooter eer
dan in gewone omstandigheden het loon eener overwinning wezen zou. Hy
hyscht z'n onbeduidenheid aan de hoogte van z'n tegenstander op, die op
zyn beurt hem niet mag terugzenden naar de school, omdat hy ditmaal niet
te doen heeft met de nietige persoonlykheid van den adept--van den
dilettant misschien--maar met die andere nietigheid welke men in de
dieventaal der parlementen gewoon is: 't «geacht lid» uit ...
een-of-ander, te noemen.
Bezit nu 't _ad hoc_ binnengeroepen vechtkuiken de gaaf van
«mooipraten» of al ware het zelfs van «goed-spreken» dan is de zaak
nog erger. En: _dit is meestal 't geval_, omdat het uit den aard der
zaak voortvloeit. By 't opsporen immers van iemand die de gevreesde
_bekwame_ specialiteit moet neutralizeeren, is _welsprekendheid_--zoo
noemen ze dat, en ik zal hierop terugkomen--'n eerste vereischte. Hoe
hooger Goliath uitsteekt, hoe meer steentjes onze David-Demosthenes
moest kunnen bergen in z'n mond. Hoe minder wetenschap, hoe meer
redevoering. Hoe minder kennis, hoe meer misbruik van taal. Hoe minder
innerlyke waarde, hoe meer _cant_.
Ligt het nu niet in de rede, dat onze andere specialiteit, hy dien we
voorstelden als _inderdaad uitstekend_, berouw voelt dat hy zich en
z'n waarheidsreligie blootstelde aan zulke vernederingen? Moet hy niet
telkens neiging voelen den stryd te ontwyken, als zyner onwaardig?
Begrypt men niet, dat hy slechts met moeite zich weerhoudt van het
uiten der klacht: «gy, geachte leden die m'n woorden toejuicht of
afkeurt, ik wenschte dat ge leerdet wat toejuiching of afkeuring waard
is. Voor u allen is plaats op andere banken dan van deze Kamer ... ik
wacht u by m'n lessen. Wat u betreft, geacht lid uit Snaterburg, die
me zoo heel in 't byzonder tegenkakelt, om by die lessen te worden
toegelaten, stel ik u voor, een-en-ander afteleeren. En hiermee heb ik
de eer de heeren te groeten.»
Wel zeker! Hy gaat naar huis, en zoekt 'n ander veld ter bezajing. Als
oprecht waarheidzoeker is hem lof en tegenspraak beide welkom. Maar 't
moet de waardige lof zyn die aanmoedigt en kracht geeft tot voortgaan,
niet de onbekookte «mooivindery» van bevooroordeelden. De tegenspraak
die hy gaarne uitlokt als onmisbaren graadmeter van z'n oordeel,
behoort te leiden tot ontwikkeling. Hy voelt zich en z'n zaak te goed
voor 'n redeloos gekibbel, dat hem afmat, den indruk zyner redeneeringen
uitwischt, en den stand der behandelde zaken verwart. Dit alles moge
nu-en-dan voldoen aan de eischen eener zoogenaamd-staatkundige party,
't past gewis niet in 't program van den waarheidzoeker.
Ik laat nu daar, in hoeverre dit alles anders wezen zou, indien ...
onze parlementen anders waren. Dit behoort niet volstrekt tot m'n
tegenwoordig onderwerp, al zy 't dan dat de wanbegrippen over 't nut
van specialiteiten het hunne bydragen tot het laag gehalte onze
Volksvertegenwoordiging. Daartoe evenwel werken ook oorzaken mee, die
tot 'n heel andere kategorie van dwaling behooren, dan waartegen ik in
dit geschrift te-velde trek, en die ik dus nu voorbyga.
Men zou me kunnen tegenwerpen dat de bekwame specialist niet juist
_altyd_ 'n onwaardigen tegenstander behoeft te hebben, en vragen of er
dan ook geen nut te trekken is uit 'n debat tusschen _ebenbürtigen_?
Elders, ja. Maar in de Kamer niet. De pseudo-politieke atmosfeer
bederft al wat haar inademt. De man van wetenschap gevoelt dit, en
tracht zich aan dien invloed te onttrekken. Zoodra hy in z'n
tegenstander een hem waardigen kampvechter erkent, zal hy hem liever
uitnoodigen tot het kiezen van 'n geschikt terrein, dan hem en
zichzelf ten schouwspel te geven aan 'n publiek dat het bywonen van
den stryd niet waard is. Deze ridderlyke afkeer van dorperheid wordt
nog ondragelyker, zoodra de kampioenen het besef opdoen dat hun plebs
niet alleen onbevoegd is tot het beoordeelen van de kracht of
juistheid der toegebrachte slagen, maar dat het er op aast hun beider
eruditie te gebruiken als oorlogsmiddel in 'n stryd waarmee de
wetenschap niets gemeens heeft. De vernedering is dan voor beiden
onduldbaar, waaruit dus vanzelf volgt dat wy op zoodanig schouwspel
zelden--ik durf zeggen: nooit--onthaald worden. En hiermee wordt alzoo
de stelling bewezen dat de inderdaad bekwame specialiteit het
lidmaatschap in de kamer niet dan onbedacht aanneemt, en in dat geval
slechts voor zeer korten tyd behoudt.
De schaarste van uitzonderingen op dezen regel gedoogt niet dat het
aanwezen van _twee_ uitstekende specialiteiten in één vak, frekwent
kan zyn op de banken der Volksvertegenwoordiging. Doch al ware dit
anders, dan nog en dan alweer zou 't getuigen _tegen_ de toepasbaarheid
van 't specialiteiten-stelsel, dewyl in zoodanig geval andere speciaal-
vakken te schraal zouden bezet wezen.
Aannemende immers dat, byv. de marine door twee specialiteiten werd
vertegenwoordigd--hooger aantal zou de onevenredigheid nog doen
stygen--dan volgt hieruit dat veel andere vakken van kennis en
wetenschap onvoldoende of in 't geheel niet gereprezenteerd worden, en
wel om dezelfde reden die m'n uitgever bewoog die duizend vervelende
hoofdstukken te schrappen.
Twee zulke marine-specialiteiten zullen gewoonlyk bestaan uit twee ...
FRITSJENS. Zelden uit één admiraal van de soort als die ik liever aan
het hoofd van de vloot zag, met één FRITSJE tegenover hem. En nooit
uit _twee_ admiralen van dat gehalte. Mocht dit laatste _par
impossible_ 't geval eenmaal wezen, dan kan men verzekerd zyn dat de
een met monitors dweept, en dat de ander, op 't voorbeeld van den
Amerikaan FERRAGUT, zich schamen zou _to fight on the bottom of a
teakettle_. In één zaak evenwel zullen die heeren 't ééns zyn, in
tegenzin elkaar te enteren voor 't plezier van zes dozyn landkrabben
die geen marlpriem kunnen onderscheiden van 'n borduurnaald.
Doch, zullen sommigen meenen, het nut der debatten tusschen
specialiteiten in de kamer gaat misschien niet geheel te-loor. Ze
worden ook _buiten_ de Kamer gehoord ...
Niet zoo goed als wanneer ze buiten die Kamer gevoerd waren, in welk
geval de onderwerpen grondig, monografisch, en van politieke «smetten
vry» konden behandeld worden. Deze drie epitheta namelyk duiden de
tegenstelling aan, van de belemmeringen _in_ de Kamer, die ik trachtte
te schetsen.
Wie overigens, ter verdediging van het nut der specialiteiten in 'n
parlement, zich beroept op de mogelykheid dat _niet alles_ verloren
gaat wat ze daar ten-beste geven, heeft toegestemd wat ik bewyzen
wilde.
Ik mag dit kapittel niet sluiten zonder de opmerking dat de
gegrondheid myner overtuiging op dit stuk, gestaafd wordt door de
Geschiedenis. Nooit dan in de tyden van voorbygaande beroering, waren
_zeer_ uitstekende mensen--dusgenaamde «groote mannen»--leden eener
politieke vergadering. In dit feit ligt de resumtie der oorzaken
waarom ook _gewoon_-uitstekende mensen--vak-specialiteiten--niet op
hun plaats zyn in 'n volksvertegenwoordiging. Zoodanig kollegie geeft
aanhoudend blijk, niet zoozeer te beantwoorden aan de roeping om
kapaciteiten aantewerven--wat dan toch, oppervlakkig beschouwd, de
eisch wezen zou--dan wel om te voorzien in de behoefte aan 'n terrein
waarop middelmatigheden voor kapaciteiten kunnen doorgaan. Wie veel
bezit, associeert zich niet. En wie inderdaad iets is ...
--Niet waar, 'n mens moet _iets_ zyn, roept men ons uit den hemel toe
...
We herkennen de stem des zaligen Barons VAN EEN-OF-ANDER. En we geven
hem volkomen gelyk. Een mens moet _iets_ zyn. Zeker, zeker, men moet
_iets_ zyn! Maar juist daarom komt het me voor, dat iemand die
inderdaad _uit zichzelf_ iets is, zich geen moeite hoeft te geven
schynbaar iets te _worden_, door 't opgaan in anderen die op hun beurt
zich slechts vereenigden om niet, ieder alleen staande, volstrekt
niemendal te wezen.