MVIII.

Ik heb in een der vorige hoofdstukken betoogd dat specialiteiten geen

nut stichten in de Volksvertegenwoordiging, en dat alzoo het aanpryzen

en kiezen der zoodanigen nadeelig werkt. Doch ook meer rechtstreeks

dan door niet nuttig te zyn alleen, wordt het gehalte eener Vergadering

door dat verderfelyk specialismus verlaagd. Specialiteiten, ten-arbeid

gesteld buiten hun bepaalden werkkring, veroorzaken pozitief kwaad.

De man die zich uitsluitend toelegt op één vak, is van het gewicht

daarvan doordrongen, en wordt beheerscht door de neiging dat gewicht

te overschatten. Een specialiteit is uit den aard der zaak pedant of

erger. De zeeman minacht den onnoozele die niet weet dat men «aan» dek

zegt, in-plaats van «op» dek. De industrieel staat verbaasd over de

hoofdigheid van den militair, die in 't belang van 'n zoogenaamd

defensie-stelsel, andere inzichten dan de zynen voorstaat omtrent de

richting van 'n spoorweg. De geleerde ergert zich aan den financier

wiens bekrompenheid zekere uitgaaf voor 'n wetenschappelyk doel, wil

schrappen van de begrooting. De grondeigenaar--specialiteit van

ryk-zyn, ryk-blyven en ryker-worden--klaagt over 't Jacobinisme van

den staathuishoudkundige die op herziening van 't kadaster aandringt.

De fabrikant roept wraak over de voorstanders van lage tarieven.

Enz. enz.

Wordt het algemeen belang door dien nayver gebaat? Dit is onmogelyk.

We hebben in zulke Vergadering niet meer te doen met de veronderstelde

som van opgetelde intelligentien, het Volk moet zich behelpen met de

verschillen die er overblyven na wederzydsche neutralizatie van kracht,

en ook de waarde van deze restantjes wordt op hare beurt door

ongelyksoortigheid en divergentie vernietigd.

* * * * *

Het is ten-onrechte dat men de onderscheiden takken van wetenschap in

twee hoofdsoorten verdeelt, waarvan de eene den naam _exakte

wetenschap_ draagt, in-tegenstelling naar 't schynt van de andere

welker benaming nog moet worden uitgevonden. Men durft niet zeggen;

_inexakt_ en deze schroom is te pryzen. Want _inexakte_ wetenschappen

zyn er niet. Alleen ons _weten_ is inexakt, doch het ideaal der

wetenschap laat geen onjuistheid, geen transaktie met omstandigheden,

geen fiktie, en dus geen parlements-waarheid, toe. Een maatregel

omtrent Volksbelangen is evenzeer òf goed òf niet goed, als 't produkt

van twee cyfers al dan niet zeker getal uitmaken. De aan laatstbedoelde

slotsom toegekende nauwkeurigheid, heeft slechts 'n uitsluitende

beteekenis in-zooverre wy daarmee de wyze aantoonen waarop we tot ons

rezultaat geraakt zyn. Elk ander feit, _op-zichzelf beschouwd_, is even

exakt. Het _Zyn_ liegt niet, onverschillig of wy ons in-staat voelen de

bekende eigenschappen daarvan nauwkeurig te schryven, dan of ze ons

vermogen van voorstelling en uitdrukking te-boven gaan. Tegenzin in de

moeite om ingewikkelder zaken tot klaarheid te brengen, noopte ten-

alle-tyde den mens tot het byeenroepen van medewerkers, 'n fout waarvan

hy zich niet schuldig maakt zoolang het de oplossing geldt van

_eenvoudige_ vraagstukken. Het doet nu niet ter-zake of deze

eenvoudigheid bestaat in 't gering aantal faktoren, in de vanzelf-

sprekende geleidelykheid waarmee de syllogismen elkaar opvolgen, of in

de stiptheid der terminologie die ons by zoodanige oplossing ten-dienste

staat. In de beide laatste gevallen sluit uitgebreidheid geen eenvoud uit.

Vraagstukken nu over maatschappelyke belangen zyn, uit den aard der zaak,

in zekeren zin _niet_ eenvoudig. De slotsom moet worden getrokken uit 'n

zeer groot aantal faktoren die niet altyd met elkander in 'n verband

staan dat terstond in 't oog valt, en welker terminologie gewoonlyk zeer

vaag is. Welke dolzinnigheid beweegt nu den mens, ter bereiking van 'n

moeilyk doel 'n weg met hindernissen te kiezen, en slechts dan de voorkeur

te geven aan gemakkelyker methode, indien er 'n punt moet bereikt worden,

waarheen de toegang niet kan worden versperd?

Geen vakman, hoe ook beheerscht door pedanterie, eigenbelang of

opgedrongen partygenootschap, heeft het in z'n macht den mathematikus

te belemmeren in 't stipt volgen van z'n logischen gedachtenloop. Toch

kiest de wiskundige, tot het oplossen van 'n probleem, de eenzaamheid.

Kollaboratie komt hem bespottelyk voor, al zy hy dan overtuigd dat

niemand in staat is hem te doen wankelen in 't vertrouwen op

wiskunstige zekerheid.

Tot het onderzoeken evenwel van die andere problemen, omgeeft men zich

met 'n tal van elementen die 't nasporen van waarheid vierkant in den

weg staan. Ik meen in IDEE 334 de hoofdoorzaken dezer blykbare

ongerymdheid te hebben aangewezen, doch al moeten wy ons in het

onvermydelyke schikken, het blyft toch plicht de afwijking van waarheid,

die uit dezen dwang voortvloeit, niet noodeloos te vergrooten. En dit

doen wy, door aan _specialiteiten_ plaats te geven in onze Volks-

vertegenwoordiging.

Ik zeide: in _schynbare_ afwyking. Werkelyke afwyking van 'n

wiskunstige waarheid is onmogelyk. Kan de wiskunde het helpen, dat we

gewoon zyn ons nog onjuister uittedrukken dan de gebrekkige taal

toelaat? Het geheel zal gelyk zyn aan de som der deelen, _indien die

deelen op de tot bereiking van dit doel noodige wyze worden

samengevoegd_. Misschien zou de stiptheid nog nadere omschrijving

vorderen, doch ik hoop begrepen te worden door ieder die weigeren zou

'n handvol gebroken glas voor 'n vensterruit, of 'n hoop bouwmaterialen

voor 'n behoorlyke woning aantenemen (IDEEN 2, 4). De _cohaesie_ der

deelen, en wel 'n bepaalde _cohaesie_, is noodig tot het vormen van 't

gewenscht of bedoeld geheel.

Wat wordt er van dezen eisch, indien de deelen instee van elkaar

aantehangen en te kompleteeren, elkander tegenwerken, in den weg

staan, vernietigen?

Reeds in den aanvang myner IDEEN betuigde ik gestemd te zyn tegen

parlementaire regeeringsvormen (IDEE 2) doch tevens dat ik voorloopig

niets beters wist in de plaats te stellen. Zoolang lafhartigheid en

wantrouwen 'n hoofdrol spelen in de geschiedenis der mensheid, zal de

routine-staatsman zich onwysgeerig tevreden stellen met dergelyke

pogingen om by mangel aan waarheid, iets te geven waaruit soms 'n

berusting wordt geboren die op rust gelykt (IDEE 7).

Soms. Misschien moest ik zeggen: zelden. Sporadische revolutien en

epidemische ontevredenheid--beiden vooral niet minder frekwent onder

konstitutioneele regeeringsvormen dan in werkelyke monarchien--bewyzen

de ondoelmatigheid van 't vertegenwoordigd stelsel. Zy die dit stelsel

voorstaan, gaan uit van 'n stelling die niet alleen hùn onaantastbaar

voorkomt, maar die evenzeer door de tegenstanders wordt geëerbiedigd:

_een volk heeft het recht zichzelf te regeeren_.

Maar, eilieve, de monarchalen zeggen niet anders. Of althans, waar ze

iets anders beweerden, zouden ze slechts blyk te geven hun eigen

katechismus niet te kennen. Wel zeker, 't Volk regeert zichzelf! De

vraag is maar of het deze macht en dezen plicht delegeert op één

persoon, op duumviren, op driemannen, op tetrarchen, op decemviri, op

zeventig, op drie-vierhonderd, of op meer? En tevens op welke wys de

tot het uitvoeren van den regeerplicht te kiezen personen worden

aangewezen? ALEXANDER maakte zich, naar 't fabeltje luidt, op z'n

sterfbed wat al te gemakkelyk van de zaak af, door op de vraag wie hem

opvolgen zou, heel naïf te antwoorden: de waardigste!

Dit zou gewis voor alle belangen het beste zyn, en wie zich tegen

zoo'n diepzinnige uitspraak verzet, verdient niet door den waardigste

geregeerd te worden.

Maar ... wie _is_ de waardigste? Dàt is de vraag. Ik stem voor _ik_.

Gy voor _gy_. Hy voor _hy_. Altemaal ikheden. De heele natie bestaat

op eenmaal uit waardigsten.

Dit eenmaal aangenomen, zou er moeten worden uitgemaakt, wie onder al

die waardigsten de állerwaardigste is? En daarop volgt weer 'n gelyke

stryd, waarin natuurlyk zelfkennis en bescheidenheid de gewone

treurige rol spelen.

Van stryden moe, is men bedacht op vergelyk. By-gebrek aan middelen om

uittemaken wie van al die allerwaardigsten de méést-allerwaardigste

is, wordt er voorgesteld dezen of genen _daarvoor te houden_. Wien?

Den sterksten arm. Den besten schutter. Den snelsten looper. Den

langsten. Een dwerg. Den diksten. Een skelet. Den ryksten. Een

bedelmonnik. Een man, den oudsten. Een vrouw, de schoonste. Een kind,

het onnoozelste, Een waarzegger. Een profeet. Een derwisj. Een fakir.

Iemand die raadsels oplost. Een ruiter wiens paard na 'n bepaald

oogenblik 't eerst hinnikt ...

Nieuwe stryd!

«_Myn_ fakir is haveloozer dan de uwe.»

«_Myn_ skelet rammelt uitstekend.»

«Zie _myn_ kandidaat eens, hy loopt de zon voorby.»

«Gekheid! Ik stel u hier iemand tot koning voor, die twee etmalen

achtereen redevoeren kan, zonder neussnuiten of kuchen ... hy spreekt

over al wat je wilt.»

«Alles verkeerd! We moeten 'n koning hebben die tooveren kan, dat is

't ware.»

«Ziehier 'n man die wèl is met God, en dus baasspeelt over de

elementen. Als we hem op den troon zetten, zal 't altyd mooi

weer zyn.»

Enz. Enz. Neen, nog niet: _enz_. Eerst volge hier de parabel over

koning KRATES in de _Minnebrieven_, waarnaar ik verwys.

Hoe nu ook de stryd eindigde, steeds blyft het waar dat het Volk-zelf

altyd beginnen moest met 'n daad van souvereiniteit, al bestond dan

ook deze handeling in 't _eens-vooral afstaan van gezag_. De

aanhangers van het _droit divin_ vergeten gewoonlyk dat het goddelyk

recht zich nooit zou gehandhaafd hebben zonder den eerbied der

_meerderheid_ voor dat recht, en de voorstanders van stemmen-tellen

zien voorby dat hun methode letterlyk dezelfde is als die waardoor het

_droit divin_ in de wereld werd gebracht. De stembriefjes uit SAMUELS

tyd zyn verloren gegaan, doch men mag aannemen dat hy ruggespraak had

gehouden met de kiezers van die dagen, toen hy in z'n tiende

hoofdstuk--en in 't zestiende nogeens!--den uitslag van 't plebisciet

verkondigde met olie. Wie dit betwyfelt, en meent dat SAMUEL 't Volk

ditmaal niet raadpleegde, moet aannemen dat hy dan _stilzwygend_ zich

bewust was depozitaris van den algemeenen wil te zyn, of althans dat-i

zich verzekerd hield de _meerderheid_ op z'n zy te hebben. En dit moet

hem dan by vorige gelegenheden gebleken zyn, daar 'n politikus van zyn

gehalte z'n staatsgreep niet ligtvaardig zou blootstellen aan

mislukking. Hoe men 't dus neemt, _altyd_ gaat het gezag van 't _Volk_

uit. Het verschil tusschen de beide hoofdrichtingen der begrippen over

Regeeringsvorm, doet denken aan 't onderscheid tusschen thee en koffi,

dat--naar thans beweerd wordt--grooter schynt dan 't inderdaad is,

daar die dranken volgens chemische onderzoekingen uit dezelfde

grondbestanddeelen zouden bestaan.

ALPHONSE KARR heeft 'n gelyksoortige waarheid aangeroerd in z'n

uitspraak: «hoe ge ook de zaak keert, wendt, draait, wyzigt, regelt,

vormt, of vervormt _il y a toujours un monsieur en habit noir qui

décide_.» Zóó is het! Men moet altyd terecht komen by 'n _individu_,

al zy 't dan dat de zoodanige met meer of min recht verondersteld

wordt optetreden in naam van _velen_. De natuur wil niets weten van

onze fiktien. Zonderling en inkonsekwent is 't echter dat juist de

voorstanders van den parlementairen regeeringsvorm, zy die 'n afschuw

voorwenden van alleenheersching, 'n allerzotst individualismus

voorstaan by 't aanpryzen van specialiteiten. Verkrachte logika wreekt

zich altyd sarkastisch door haren mishandelaar de ongerymdheid

voortehouden, waarop z'n vergryp tegen de rede uitloopt, en wy vinden

hiervan 'n aardig voorbeeld in de gevolgen der specialiteiten-manie.

A is 'n monarchische herder, en mishandelt z'n schapen. Dat komt van

die alleenheersching!

_L'Histoire nous apprend

Qu'en de tels accidents

L'on fit_ ...

_On fit_ ... Wat? Wel 'n revolutie! Alle schapen liepen tehoop en

maakten 'n grondwet.--Of 't in '48 geschiedde, weet ik niet, maar 't

jaar doet niet tot de zaak.--Volgens die grondwet dan, zouden alle

schapen verheven worden tot herders, en A gedegradeerd tot schaap.

Niet één _princeps_ of _voorste_ zou voortaan de kudde leiden, drenken

en scheren, maar _allen_ zouden _allen_ ...

Dat ging niet! Ieder wou voorgaan. Ieder wou 't eerst drinken, of

liever nog, alleen. Ieder had lust in scheren, maar niemand wou

geschoren worden. Bovendien, alles blaatte door elkaar, en de ooien

konden haar eigen lammeren niet verstaan. Men had de regeering van

dien eenling A allerdrukkendst gevonden, ondragelyk zelfs, maar bevond

zich niet veel beter onder de tirannie van allen over allen. Hier

volgt het vertegenwoordigd stelsel:

--Indien we eens niet allen tegelyk blaatten, riep 'n politieke

nieuwlichter, doch 't recht daartoe slechts toekenden aan ... zeventig?

--Reaktie! riep 'n opgewonden lam dat niet vry was van karbonarisme.

--Geenszins, antwoordde de eerwaardige hamel van wien 't voorstel was

uitgegaan, en die veel wol was kwytgeraakt onder 't regime der

panarchie. Ik verzeker u op m'n republikeinsche eer, dat het volstrekt

niet in m'n bedoeling ligt, terug te keeren tot de alleenheersching.

Eens-vooral, weg met A! Hy is ontherderd en blyft ontherderd!

--Weg met A! blaatte de kudde.

--Ik ben 't volkomen met u eens. Dit is dus eens-voor-al afgedaan.

Maar, geëerde schapen, indien wy eens ...

Zie verder het kiesreglement in alle beschaafde weiden. Het werd onder

't uiten van ontelbare _weg met A's_ en _leve de konstitutie's_

aangenomen. Men adverteerde, kuipte, hemelde op, maakte verdacht of

zwart, men prees en vergoodde, al naar de programmen der partyen dit

meebrachtten. By 't aanbevelen van kandidaten werd telkens deze of

gene byzondere hoedanigheid van 'n schaap onder de aandacht der

kiezers gebracht. Mooi blaten en veel wol waren de gewone gronden van

predilektie. Maar ach, de kudde prospereerde niet. Ieder was

ontevreden. _Houlette_ en hamelbel gingen gedurig over van den een op

den ander, en men begon weldra intezien dat niet elke verandering ...

--Terugkeeren tot A? Nooit!

--Nooit, nooit, nooit!

--Liever Turksch, dan ...

--Weg met A!

Zeker, dit blyft zoo! We houden vast aan 't vertegenwoordigend

stelsel. Maar we moeten anders _kiezen_. Ik stel voor geen schapen

aftevaardigen dan die byzonder geacht zyn in hun distrikt.

Akklamatie. Voorts:

--Weg met A!

--Zeker, weg met A! Maar we moesten ons doen vertegenwoordigen door

iemand die verstand heeft van scheren. Er zyn leden in ons parlement

die nooit 'n schaar in de poten hebben gehad. Dit is 'n groote fout,

waarde medeschapen. Sedert de dagen van dien vervloekten A ...

--Weg met A!

--Precies, weg met A! Sedert den tyd van dien tiran worden er veel

zaken niet behoorlyk behartigd, 't Eene schaap wordt in 't geheel niet

geschoren, en 't andere alle weken. Jazelfs worden er sommigen tegen

alle recht en rede ... gevild. Vanwaar komt dit geachte medeschapen?

Doodeenvoudig hiervan dat wy in onze Vertegenwoordiging gebrek hebben

aan ... deskundigen, aan schapen van 't vak. Op die wys voortgaande,

zouden we niets gewonnen hebben door het verdryven van den

geweldenaar ...

--Weg met A!

--Tot in alle eeuwigheid, weg met A! Om alzoo in ons parlement het

ware echte oude onvervalschte scheer-systeem gehandhaafd te zien, heb

ik de eer u 'n kandidaat voortestellen, die van 't scheren 'n bepaalde

studie heeft gemaakt. In de dagen der dwingelandy ...

--Weg met A1!

--Gewis. Onherroepelyk weg met den vervloekten A! Dit ben ik volkomen

met u eens ... doch laat ons voortgaan, de stembus wacht. Myn

kandidaat heeft overvloediglyk bewyzen gegeven dat hy scheren kan.

Bovendien is hy zeer geacht in z'n distrikt. Maar dit is nu byzaak.

Hoofdzaak is dat hy uw Vertegenwoordiging zal kunnen voorlichten by

elke epineuze scheerkwestie. Hy zal de wankelende overtuigingen

steunen, de verdwaalden terechtbrengen, de styfhoofdigen overreden, de

onwetenden onderrichten, den weerspannigen ontzag inboezemen ... alles

door 't prestige van z'n eigenaardige kunde. Wat allen te-zamen niet

weten, weet hy alleen. Wat der algemeene aandacht ontsnapte, is zyn

byzonder eigendom. Wat anderen duister is, ligt hem klaar voor oogen.

Kiezers, bedenkt het gewicht uwer stemming! Erkent dat onze weide

dringend behoefte heeft aan zulk 'n schaap in de Vertegenwoordiging.

Op dus, op! Allen ter stembus, en kiest, blatend uit onbeklemde

borsten: leve de konstitutie ...

--Weg met A!

--Voorzeker ... weg met A! Kiest als uit één bek, onder 't aanheffen

van weidelievende kreten, tot uwen parlementsbelhamel ...

_Wien_ denkt ge, lezers? Wèl, den ouden weggejaagden A., die de

voorpoort was uitgeworpen, maar in hoedanigheid van _Specialiteit_

weer wordt binnengesmokkeld door 'n achterdeurtje.

* * * * *

De geschiedenis der meeste dwalingen beweegt zich langs den omtrek van

'n cirkel. Op despotisme volgt ontevredenheid, verzet, omwenteling.

Uit dit alles ontstaan allerlei archien die--dikwyls vrij onjuist--den

naam van republiek dragen. Hoe ook de vorm zy die de alleenheersching

verving, ze wankelt gedurig tusschen dwingelandy en regeeringloosheid.

In 't eerste geval is de kring reeds terstond vry geleidelyk gesloten,

tenzy men groot onderscheid make tusschen de tirannie van 'n enkele,

van eenigen, of van velen. By anarchie werpt men zich in de armen van

'n persoonlykheid die zich byzonder heeft toegelegd op 't stichten van

orde, eener gezags-_specialiteit_ die al zeer spoedig _nolens volens_

--want niemand is tiran voor z'n genoegen--het voorbeeld volgt van den

despoot dien men wegjaagde.

Moet dit altyd zoo blyven? Wie weet! We trachten naar 't betere. Dit

_trachten_ is onze roeping, en juist daarom is het plicht de middelen

ter verbetering met oordeel te kiezen.

De proeven die sedert korten tyd op het vaste land van Europa, en in

Engeland sedert eeuwen, genomen werden, leverden gebrekkige rezultaten

op. Aannemende dat elk Volk het recht heeft over zichzelf te beschikken,

ryzen er ontelbare vragen, welker beantwoording zoo moeielyk is dat wy

door de erkenning van dat recht noch zeer weinig gevorderd zyn. Wat _is_

'n volk? Vormen de Skandinaviërs één Volk? Hebben de Friezen recht op

zelfbeschikking als alleenstaande natie? Behooren Schotten en Ieren by

Engelschen? Walen by Vlamingers? Vragen van deze soort kunnen er honderden

gedaan worden.

Al konden zulke kwestien behoorlyk--d.i. met terzydestelling van

diplomatieke fiktien die by den dag veranderen--worden opgelost, dan

staan we voor nieuwe moeielykheden. Het is zeer gemakkelyk een natie

toeteroepen: gy zyt uw eigen meesteres, beschik, beveel! Wie moet

antwoorden op dezen eisch? Wie is gerechtigd tot gebruik-maken van 't

geschonken of veroverd voorrecht? Hoe _uit_ zich de wil van de

kollektieve menigte die men «Volk» noemt? Of, erger nog, _heeft_ zoo'n

Volk wel 'n wil? Eén wil zeker niet, en dit komt met géén wil vrywel

overeen.

Daarna dwaalt men af op den kinderachtigen uitweg van 't stemmen-

tellen, en vervalt in 't zeer onwysgeerig aannemen van 'n

_veronderstelden_ Volkswil, dien men tegen beterweten aan _voorgeeft_

te kunnen opmaken uit stemmingen welker uitslag en beteekenis

beheerscht worden door 'n kiesreglement, dat in z'n geheel

willekeurige samenstelling geen andere logische oorzaak van bestaan

heeft, dan de zucht om zich met 'n Franschen slag aftehelpen van 'n

taak die men niet weet te vervullen.

De daaruit voortvloeiende zeer onnauwkeurige--ja, _per se_ valsche!

--manifestatie van den volkswil leidt tot nog onzuiverder rezultaten

dan reeds het geval wezen zou indien zekere _bepaalde zaak_ aan 't

oordeel der menigte werd onderworpen. Die menigte kiest nu slechts

_generale_ gevolmachtigden, tezaam genomen niet den minsten waarborg

opleverende dat hun majoriteits-meening met den wil van de Natie, hun

lastgeefster, overeenstemt.

Zoo stuiten wy in 't parlementair stelsel overal op onnauwkeurigheid,

op genoegen nemen met zeer ruwe benadering, op fiktie, en ... op

_misleiding_.

Ook wanneer wy al de gebreken die uit de aangestipte moeielykheden

voortvloeien, nu eens aannemen als onvermydelyk--'n treurige

veronderstelling!--dan blyft toch altyd de mogelykheid bestaan om 't

voorhanden materiaal van staatkundige gegevens eerlyk toetepassen.

En ... dit doet men niet! Dezelfde kiezers die, zoodra 't hun

_byzonder_ belang gold, zich alleromzichtigst toonen zouden in 't

onderzoeken der bevoegdheid en vooral van de _intégriteit_ hunner

gemachtigden, behandelen de _publieke zaak_ met 'n slordigheid die

aan 't krankzinnige grenst, met 'n gebrek aan konscientie die in 't

misdadige overgaat.

Lezen we niet dagelyks in onze couranten dat B, C of D--ik sla nu A

over, om den schyn van ondeugende toespeling op m'n schapenparabel te

ontgaan--vernemen we dagelyks dat het onze plicht is voor _die_ heeren

te stemmen, _juist om redenen die hen tot vertegenwoordiging van 't

Volk onbevoegd maken_?

De een heeft zich byzonder toegelegd op den handel ...

Dat zal hem te-pas komen als-i 'n winkel opzet. Goed succes! Maar

daarmee heeft 't _Vaderland_ niets te maken.

De tweede was jaren lang in Indië ...

We willen hopen dat-i ryk is, of 'n behoorlyk pensioen heeft, zonder

leverziekte. Doch dat gaat het _Volk_ niet aan.

Een derde is fabrikant. «Het fabriekswezen, myne heeren, het

fabriekwezen ...

Zeer wel! Ook dat behoort tot den _Staat_. Maar ook dat _is_ de Staat

niet.

Een vierde kandidaat is byzonder bekwaam in 't Loods-wezen. Hy weet

den weg in de zeegaten ...

Dat is juist de weg dien wy 't _Vaderland_ niet willen opsturen.

«Zie dien vyfde eens. Men aanbidt hem in z'n district ...

Wèl, laat hem dan blyven waar-i bekend is en aangebeden wordt. Het

_Volk_ kent hem _niet_, aanbidt hem _niet_.

«Gy zult toch dezen zesden niet afwyzen. Hy behoorde sedert z'n prille

jeugd van familiewegen tot de zóó-en-zóo-party. Hy is van-ouder-tot-

ouder 'n _dit-aan_, 'n _dàt-ist,_ een van de echte soort!»

Dat zal z'n grootmama plezier doen, van wie hy al die istery en anery

geërfd heeft, maar 't _Volksbelang_ heeft àndere eischen. Laat men

dien man 'n plaats aanbieden in de een of andere kamer van z'n

familie, als daar door 't overlyden van 'n oudtante vakature is. De

_Staat_ is niet gediend met lieden die de oplossing van alle

maatschappelyke vraagstukken meebrachten uit hun luiermand.

«Wraakt ge ook den zevenden, die als _Specialiteit_ in ...

In 't een-of-ander, _connu_! Ja, wraak ook hem. Ik ontzeg ieder 't

recht Volksvertegenwoordiger te zyn die dat recht grondt op iets

anders--op wat ook!--dan kennis van de behoefte des Volks _in het

algemeen_, dan toewyding aan de belangen van 't Volk _in het algemeen_,

dan op de gegronde verwachting dat hy nuttig zal wezen voor 't Volk

_in het algemeen_. Het volgen van 'n vooruit bepaalde richting op

wetenschappelyk, sociaal of politisch terrein, bewyst òf onbekwaamheid

òf verraad, en dit laatste is immer het geval by 't voorstaan van

_byzondere belangen_. De algemeene zaak--_res publica_--is in de

hoogste maat _integraal_, en moet als zóódanig behandeld worden.

Ik weet zeer goed dat het vertegenwoordigend stelsel in 't algemeen,

ook zonder verkeerde toepassing in de onderdeelen, aan dezen laatsten

niet kàn voldoen. Doch wie dit toestemt, zal erkennen dat wy de

daaraan klevende gebreken niet willens en wetens mogen vermeerderen.

Hoe gebrekkig ook de wil des Volks door z'n afgevaardigden wordt

kenbaar gemaakt, er is weinig hoop op beterschap indien wy opzettelyk

voortgaan, _erkend-onbevoegden_ met die moeyelyke taak te belasten.

Zien de liberalen niet in, dat ze zich bespottelyk maken in de oogen

der behouders, door dagelyks blyk te geven dat zy hun eigen stelsel òf

niet begrypen, òf moedwillig verkrachten? Is er logika in den roep:

«weg met Gods genade?» als men te-gelyker-tyd zweert by de genade van

Professor X of Dokter Y? Met welk recht rekuzeert men het overwicht

van 'n BOURBON of anderen _Krates_, als men stokstyf beweert dat het

leekeplicht is, eerbied te hebben voor de militaire kunde van

Luitenant Q? Is het dan alleen om plaats te maken voor katheders dat

men zich voor 't omhalen van tronen en bidstoelen zooveel moeite

getroostte? Millioenen en millioenen plebisciteeren sedert eeuwen voor

't gezag van den Paus. Weg met _die_ meerderheid, zeggen we nu, wy

weten beter! Maar ... de anderhalve stem uit Schiedam, die den

jeneverstoker Z zoo byzonder bevoegd rekent tot het beslissen van

industrieele--en alle andere! kwestien, dàt is 'n àndere heiligheid,

dááraan mag niet geschud worden! JOZUA deed de zon stilstaan. Dit werd

aangenomen door millioenen stemmen. Vyf-zesduizend jaar lang voteerde

't heele mensdom de onschendbaarheid van JOZUA'S wonder. _Die_

meerderheid wordt op-eenmaal terzy gezet--en ik doe hartelyk mee!--maar

mogen we nu telkens 'n nieuwen JOZUA erkennen in ieder dien 't gelukte

zich door 'n paar dozyn kiezers te doen proklameeren voor 'n specialiteit

in stilstaan?

Wie de aanbevelingen der kandidaten ontleendt, staat verbaasd over de

botheid van lezers en de onbeschaamdheid van dagbladschryvers. Deze

heeren geven zich niet eens de moeite hun felonie te verbergen, en

dringen brutaal aan op de verkiezing van dezen of genen, om redenen

die juist den kandidaat het lidmaatschap in de Kamer zouden ónwaardig

maken, indien hy inderdaad schuldig ware aan de Kamerdeugden waarvan-i

beticht wordt. Laat ons hopen dat er veel gelasterd wordt in die

aanbevelingen! Maar in dit geval is 't vreemd dat de betrokkenen zich

niet verdedigen. Nooit las ik te-dier-zake 'n rechtvaardiging. Nooit

werd 'n dagbladschryver door den kandidaat van z'n krant voor den

rechter gedaagd, omdat hy hem in-staat achtte als Kamerlid het

algemeen welzyn opteofferen aan ondergeschikte belangen, nu zeer in

't byzonder aan die van z'n distrikt. Nooit eischte een aanstaand

vertegenwoordiger des Volks, herstel van eer na de aantyging dat-i

gereed-stond dat Volk naar de maat van z'n vermogen te verraden als

_Specialiteit_. Integendeel, de Fritsjens leggen vry onnoozel hun

schitterenden _Staat-van-Dienst_ over, en schynen heusch te gelooven

dat na hùn verkiezing, _tout sera pour le mieux dans le meilleur des

parlements possible_.

Het best-mogelyk parlement? Dit verkrygen wy op die manier _niet_!

Wie als _specialiteit_ de Kamer betreedt, voelt zich genoopt z'n

kiezers te doen zien dat hy wel terdege de man is waarvoor hy zich ...

in de societeit _Gezelligheid_ uitgaf. Men was gewoon hem daar gekleed

te zien in iets dat naar uniform geleek. Ook schoor de barbier z'n

nekharen weg. En z'n rok werd geborsteld door 'n gewezen wachtmeester-

titulair, 'n krygskameraad uit de dagen van 't oorlogzuchtig

garnizoensleven. Zou, na dit alles, het geacht lid uit de _Gezelligheid_

mogen zwygen by 't behandelen van de vraag, hoe wy de Pruisen uit het

land houden? Dat zy verre! _Specialité oblige_! Het ruischt hem in de

ooren hoe z'n kiezers elkaar toeroepen: 't zal me benieuwen wat _onze_

man zegt over de linie van defensie. Zoo-iets is juist z'n _fort_.

Nu, die kiezers krygen hun zin. «Onze man» praat terdeeg mee. En

waarom zoud-i niet? Hy heeft immers--de gelukkige!--verstand van

«linien» waarop zich de vredelievende krygsman terugtrekt, en hy weet

wat de rug van 'n leger is ... 'n ding, naar 't schynt, waarin iemand

vallen kan zonder zich te bezeeren, jazelfs voor z'n plezier. Hy licht

dus de vergadering voor, zy 't dan niet met technische kennis, dan

toch met wat kennis van de meestal zinledige terminologie der

techniek. De kruienier van z'n dorp voelt iets in zich van 'n CAESAR

of NAPOLEON by 't verondersteld _hear, hear_! dat de aandacht scherpt

op de oorlogswysheid van _zyn_ afgevaardigde. De geldwisselaar op den

hoek is wat huiverig geworden in 't aannemen van _Cassenscheine_, na

die redevoering van «onzen man.» 't Is toch maar zeker dat VON MOLTKE,

uit het veld geslagen door die fameuze nieuwe linie, geen raad weten

zal met z'n armeerug, en dat alzoo de solvabiliteit van den

Pruisischen Staat ...

«Onderwys? Wacht even, straks zal onze dominee die zaak eens

behandelen. We zonden hem naar den Haag omdat het preeken hem wat

lastig viel[8]--hy moest zoo, en kan de stovenlucht niet verdragen

--_maar onderwys_ z'n stokpaardje, daar kan je-n-op aan! Hy

katechizeerde altyd 'n kwartier over den tyd, en op z'n zesde jaar al

kon m'n kleine jongen 't heele gebed van MANASSE van-buiten, zoodat nu

die reorganizatie van de hooge scholen wel in orde komen zal. Liberaal

is-i ... van belang! Hy preekte zonder bef, en z'n vrouw heeft 'n

_cotillon_ meegedanst op den zilveren bruiloft van onzen burgemeester.»

«Accynsen? Nu, dàt is 'n kolfje naar de hand van onzen X! Hy is

graanhandelaar, en heeft molens ook. Altyd lag-i overhoop met de

komiezen van 't gemaal. Hy is door-en-door thuis in die zaken ...

doorkneed! Alles weet-i «binnen» te krygen, en de ambtenaar die hèm

iets bewyzen kan, moet nog geboren worden. Lees eens wat onze

«provinciale» van 'm zei toen-i gekozen worden zou. De «provinciale»

zei, dat ... dat ... iemand zoo byzonder thuis was in de accynsen als

X. De behouders zullen 't hard te verantwoorden hebben als hy begint.

Want ... praten kan-i ... kyk! Verleden by den brand heeft hy 'n

toespraak gehouden, wel 'n half uur lang. De spuitgasten stonden

perplex, en toen 't dak instortte, had-i nog niet gedaan. Ik verzeker

je dat-i niet voor niemendal naar den Haag is gezonden.»

't Is nu maar te hopen dat er geen brand ontstaat in den Haag of in

Nederland, in de Kamer of onder 't Volk. De welsprekende

gemaal-specialiteit mocht de spuitgasten eens roerloos praten![9]

Het doet my overigens genoegen dat die X zoo'n goede spreker is,

daar-i me hierdoor aanleiding geeft om terugtekomen op de specialiteit

van mooipraters, 'n ras dat ons moest doen gloeien van eerbied voor

den uitvinder van 't Persisch-insectenpoeier. De mensenvriend HAKIM

HHAFIZ--daar ik niet weet hoe de man heette, willen wy aannemen dat

die naam hem is toegekend door de meerderheid van 'n Vergadering die

't ook niet wist--die HHAFIZ heeft aanspraak op onze dankbaarheid, al

ontwaren we dan by warm weer en Kamerzittingen, dat z'n pogingen nog

altijd gedeeltelyk onbekroond bleven. _In magnis voluisse_ ... o edele

HAKIM, troost u daarmee!

De specialiteit van mooipraten, publiekspreken, oratorisch talent,

welsprekendheid--de frekwentste onder alle specialiteiten--is 'n ware

ziekte, 'n besmetting, 'n pest die uitgeroeid behoort te worden, 'n

vloek die men bezweren moet.

Ik heb my onlangs in de IDEEN (Bundel III) hiermee te lang bezig

gehouden, om daarby nu te blyven stilstaan. De belangstellende lezer

wordt naar dat werk verwezen, en ik zal dus hierover nu niet meer

zeggen dan noodig is tot het aanwyzen van den nadeeligen invloed dezer

soort van specialiteit op de Vertegenwoordiging des Volks.

Welsprekendheid in den zin die men gewoonlyk aan dit woord hecht,

behoort te-huis op den kansel. Het opdringen van ongerymdheden kan

niet gelukken, zonder zeker _flux de bouche_ dat we aan goochelaars,

geestelyken en biologen moesten overlaten. By 't nuchter behandelen

van zaken--en dit is zoowel voor de balie als op de Volkstribune een

vereischte--komt het aan op de zaken-zelf, en niet op de manier waarop

deze of gene praatspecialiteit die zaken weet voortestellen. De

aangevoerde _feiten_ behooren wèl te spreken, en kunnen dan de

welsprekendheid van den rhetor zonder scha missen niet alleen, maar

worden daardoor in het duister gesteld. Welke waarde heeft de

vryspraak van den beschuldigde, indien men daarby de bekwaamheid van

z'n verdediger op den voorgrond zet? Welk vertrouwen kan 't Volk

stellen in de doelmatigheid van 'n genomen maatregel, wanneer daartoe

beslist is onder den indruk der redevoering van 'n mooiprater? Men

bedenke dat het by behandeling van zaken niet om overreding te doen

is, niet om 'n kinderachtigen triumf over tegenstanders, niet om de

problematische eer van van 't laatste woord. De vraag is hoe de

_feiten_ zyn. Hoe die van elkander afhangen? Hoe er moet gehandeld

worden om ze in de toekomst naar wensch te leiden? En dit doel wordt

niet bereikt door oratorische inspanning of overspanning.

Erger nog, op dat doel wordt onder 't regime der mooi-pratery niet

eens aangelegd. Het spreken-zelf staat dikwyls 't belang der zaak

waaròver men spreekt in den weg, zooals in den schouwburg 't luid

gesis òm stilte, _de_ stilte. Het is den specialiteit-prater minder om

't welzyn des Vaderlands te doen, dan om den bloei van z'n redenary.

En ook z'n tegenstanders slaan meer acht op de rhetorische waarde van

z'n arbeid, dan op den invloed dien z'n redeneering behoorde te hebben

op hun oordeel, een invloed die dan ook zeer gering is. Lang voor 't

openen der debatten kan men vry nauwkeurig weten hoe de uitslag van de

stemming wezen zal, waaruit mag worden opgemaakt dat de advokatery der

pleiters geen enkele overtuiging wijzigt. Liever: geen enkel _parti

pris_, want van «overtuiging» kan in zóó'n bedorven kring geen spraak

zyn.

De waarde die in-weerwil hiervan, nog byna overal aan publiek-spreken

gehecht wordt, legt 'n droevig getuigenis af van den ernst waarmee men

_waarheid_ naspoort. Als meest eenvoudig geneesmiddel voel ik me

alweer genoopt te wyzen op de wiskundige, die in de harmonie van 't

_Zyn_, uitgedrukt in hoeveelheden of uitgebreidheid, de schoonheid van

het stipte, de poëzie der juistheid najaagt. Hy vindt dit alles niet

in 'n byzondere wyze van voorstelling, maar in de eenvoudige vermelding

van 't gevondene dat hem uitdrukkingen in den mond legt welke steeds,

en in veel hooger zin dan we gewoonlyk dit woord gebruiken, wél-sprekend

zyn. Wat daartegen strydt, noemt hy _Leugen_. En zelfs zonder bepaalde

tegenstelling, al wat afwykt van 't eenvoudig ware, is hem ónwaarheid,

en als zoodanig 'n gruwel.

Mooipraten? In de couranten, die verraderlyke fotografien van onzen

maatschappelyken toestand--de oplettende lezer begrypt dat ik nu

bepaald van de advertentien spreek, daar fotografien aan iets als

juistheid doen denken--in de couranten wordt nu-en-dan _eine gewandte

Verkäuferinn_ gevraagd. Hoe men zoo'n ding in 't Hollandsch noemt,

weet ik niet. De zaak zal wel hierop neerkomen, dat men 'n schepsel

zoekt die het talent heeft 'n onbedreven klant verschoten lapjes

aantepraten. Heeft de specialiteit van zoo'n winkelmeubel werkelyk

voor den patroon eenige waarde? Oefent zoo'n geacht lid van de

toonbank inderdaad 'n goeden invloed uit op het geluk des Volks dat

wat welvaart komt opdoen uit haar voorraad?

Op _my_ niet! Ik tart de meest _gewandte Verkäuferinn_ van 't heele

nieuwe Duitsche Ryk, my 'n kadaster-wetsontwerp of 'n reorganizatie

van de Preanger in de hand te stoppen voor 'n waardig antwoord op den

_Havelaar_, en ik zou geen slaapmuts aannemen uit haar hand, al

verzekerde ze my op eerewoord dat VAN TWIST--bygestaan dan door andere

specialiteiten, omdat hyzelf de specialiteit van volslagen

onbekwaamheid beoefent--dat ding had gebreid.

Maar onze kieskollegien en Kamers zyn zoo keurig niet. In _die_

winkels stelt men zich met de nieuwe juffrouw tevreden, zoodra zy

zeker soort van omstanders tot handgeklap weet te bewegen, en vraagt

er zóó weinig naar of ze overigens verstand van de zaken heeft _in_ 't

_algemeen_, dat men ten-laatste die zaken met het effekt van haar

praatjes verwart. Dit nu is in 'n winkelier begrypelyk. Hy slyt z'n

waren door de gladmondigheid van z'n vertegenwoordigster, en daarom

alleen is 't hem te doen. Doch behoorde niet het Volk aan z'n

afgevaardigden àndere eischen te stellen?

«De redevoering van A, van B, van C, was mooi ...

Heel mooi! Maar, eilieve, zyn we daardoor een graad veiliger voor de

Pruisen?

«Onze D heeft daar eens weer perfekt gesproken!»

«O ja, byna zoo mooi als onlangs in de «_Gezelligheid_» maar de

werkman is ontevreden. Kan hy voedsel koopen voor D's prachtige

oratie! Is de kans op algemeene welvaart verbeterd?

«Heb je gelezen hoe onze E dien F op z'n plaats heeft gezet? Dàt was

taal!»

Zeker, zeker! Maar ... de Javaan wordt mishandeld, met of zonder

akkompagnement van kamerspeeches, met of zonder de _Gewandtheit_ der

Bataafsche toko-specialiteit die z'n diepe kennis van Indische zaken

te luchten hangt.

Maar niet alle mooipratery riekt juist naar den winkel. Ook, en

vooral, de _balie_ levert gewoonlyk 'n kontingent sprekers die de

toonbank zouden doen blozen, wanneer 'n toonbank blozen kon.

«De rechten, myne heeren, de rechten ...

Nu ja, de rechten. We kennen ze, die vadermoordende bastaarden van het

_Recht_! De rechten vullen alle plaatsen die openbleven tusschen de

bezette botertonnetjes en de vertegenwoordigers van Vlaardingsche

haring! Zoo'n man van rechten spreekt, spreekt, spreekt ... tot in 't

oneindige. En daarna spreekt-i. Dat is z'n vak, z'n roeping, z'n

beroep, z'n gewoonte, z'n hebbelykheid, z'n behoefte, z'n _tic_. Het

spreken is z'n zeer speciale _specialiteit_ ...

Daartoe werd-i dan ook afgevaardigd!

Waarover spreekt hy? 't Is hem om 't even. Hoe? Het scheelt hem niet.

Hy spreekt niet om iets op tehelderen, iets meetedeelen, hy spreekt òm

te spreken. Z'n kiezers wachten van hem zooveel kolommen Byblad in de

week. Levert-i minder, ze fronzen het voorhoofd: hm, hm, onze Z gaat

achteruit. Draaft hy z'n _penmus_ 'n paar regels voorby: «zie zoo, Z

is terdeeg op z'n dreef geweest».

De arme Z wordt martelaar van z'n dorpsroem. 't Is met hem: «spreken

kunt ge, spreken wilt ge, spreken zult ge ... tot er de dood na volgt,

en dan wachten wy uit uw eigen mond de lykrede.» De ongelukkige

allemans-babbelaar is nog rampzaliger dan z'n mede-specialiteiten in

andere vakken. Deze toch behoeven zich slechts op den voorgrond te

stellen wanneer hun _métier_ wordt aangeroerd. Maar Mr. Z is van àlle

vakken, juist omdat de eigenaardigheid van z'n welspreken meebrengt

dat-i redevoeren kan over zaken waarvan hy òf weinig weet, òf byna

niets, òf volstrekt niemendal. Waartoe zou de gaaf van spreken dienen,

als men daarby nog verstand noodig had van 't behandelde ook? De

zeeman mag zwygen over tienden ... al doet hy 't niet immer. De

bankier kan neutraal blyven by 't kibbelen over armenverzorging ...

al doet hy 't niet immer. De afgevaardigde uit de veenen mag op z'n

lauwren rusten zoodra de turf afgehandeld is ... al doet hy 't niet

immer. De kiezers gunnen al die heeren den tyd tot kraamuitleggen na

't verlossen van hun vakwysheid. Maar de praatspecialiteit is gedoemd

zich te laten braden op èlken rooster. Hy heeft na 't afhandelen van

eenig onderwerp, nauwelyks den tyd zich als St. Laurens, op z'n andere

zy te leggen. Turf, armenbederf, eeredienst, verstopte zeegaten,

koninklyk prerogatief, volkenrecht, buitenlandsche zaken, vrye-arbeid,

pensioenen, strafwet, onderwys ... alles is van z'n gading. Of liever,

alles is van de gading zyner kiezers die «_onzen man_ ook wel eens

over dat onderwerp willen hooren.»

We zullen niet toegeven in ziekelyk medelyden met het praatorgel, dat

veroordeeld is tot het afspelen van meer deunen dan er op één cylinder

kunnen gezet zyn. Wie zich voor universeele deunmachine uitgaf, moet

dan maar de bittere gevolgen van z'n triumf dragen. Maar we vragen wat

er terecht komt van de _zaken_ die op zulke wys worden behandeld? We

vragen of 't _Volk_ gebaat wordt door de mondknapheid van zoo'n

babbelaar?

Misschien werpt men my tegen dat ik die aan _specialiteiten_ hun

bekrompenheid verwyt, genoegen moest nemen met de ... _generaliteit_

van iemand die over _alles_ meespreekt, en dien men dus niet verwyten

kan dat de kring waarin hy zich beweegt, te nauw is. Die ruimte moge

wyder zyn dan van anderen, ze is--grootendeels ten-gevolge van 't

eigenaardig hersenbederf dat de studie der zoogenaamde «_Rechten_»

meebrengt--gewoonlyk minder goed gevuld. Heeft men by vakmannen te

klagen over _penurie van zaken_ hier hebben we met _profuzie van

woorden_ te doen. Het is de eersten onmogelyk zekere enge grenzen te

overschryden, maar praters kunnen zich binnen geen enkele grens tot

iets wezenlyks bepalen, en wanneer men de zaakkennis van dezulken, en

't licht dat ze verspreiden, kondenseert, voelt men iets als sympathie

voor de andere specialiteiten, die wel-is-waar slechts één zaak

reprezenteeren, maar zich daarover dan ook niet behoorlyk weten

uittedrukken en dus meer kans hebben om door zwygen tot 'n schyntje

van iets degelyks te geraken. In dit laatste geval blyft hun tenminste

de verdienste, het woord te laten aan den enkele die inderdaad iets te

zeggen heeft waardoor misschien het Volk kan worden gebaat.

Uit m'n IDEEN kan men weten hoe ik de staatkundige waarde van den heer

THORBECKE beoordeel. Toch heb ik onlangs z'n handelwyze in zekeren zin

goedgekeurd, toen hy zich onttrok aan het praatduel waartoe 'n

debatteer-specialiteit van de ergste soort hem aanhoudend dwingen

wilde. De poging van den aanvaller om zich tot «iets» te maken, door

't voortdurend mikken op 'n persoon die naar de meening van 'n groot

deel des Volks sedert langen tyd iets _is_, noem ik ... kwajongensachtig.

Ik moet gelooven dat de man by z'n kiezers eer heeft ingelegd met z'n

sarren, daar de rol die hy spelen zou, te voorzien, en waarschynlyk een

der voorwaarden van z'n verkiezing geweest was. Het is dan ook mogelyk

dat-i nu-en-dan z'n tegenstander gekwetst heeft. Maar de grootere eer,

door dien tegenstander gekwetst te worden, is hem ontgaan. De in dit

geval door de liberale specialiteit in-achtgenomen terughouding zou ons

byna stemmen tot wat vergevensgezindheid voor de zotternyen van '48,

indien hier aan iets anders dan zeer persoonlijke beweegredenen te denken

viel. De _persoon_ THORBECKE wilde niet tournooien met het individu dat

zich als «geacht lid» uit ... een-of-ander, zoo indiskreet opdrong in z'n

vyandschap, maar 't _Kamerlid_ THORBECKE gaf te dikwyls bewyzen van

onkunde omtrent de ware roeping der Volksvertegenwoordigers, dan dat

z'n terughouding aan staatkundig _bon sens_ mag worden toegeschreven.

Dit is dan ook niet te verwachten in den schepper onzer kieswet, die

volgens zyn beginselen, _als lid der Kamer_ het recht niet had zich te

ontrekken aan de noodzakelyke gevolgen van z'n eigen werk. Zulke

verkiezingen brengen zùlke geachte leden voort! _Patere legum quam

fecisti_!

Of 't overigens waar is, dat het bedoeld _ad hoc_ afgevaardigd

kemphaantje z'n kiezers behaagd hebbe? Ik gis ja. Waarschynlyk zyn z'n

herhaalde provokatien met innig welgevallen gelezen. Me dunkt ik hoor

zeggen: «dat is _onze_ man!» Welnu, deze ingenomenheid vloeit voor 'n

deel uit onkunde voort. De meerderheid der kiezers nog altyd van

meening dat praten, spreken, publiekspreken, redevoeren, enz.

uitstekende zaken zyn. Men schynt nog altyd niet te weten dat niets

gewoner is dan dit talentje. 't Gaat daarmee als met muskaatnoten,

versenmaken en speciaalkennis van «de-n-oost» altemaal kruieryen die

eens tegen goud werden opgewogen, en tegenwoordig in 't burgerlykst

huishouden tot vervelens toe worden voortgezet. Voedsel zit er in al

die dingen niet, en overvoer deed den prys dalen. Dat is gelukkig.

Want al vloeit hieruit verhooging van konsumtie voort, het stemt de

waardeering van 't gebruik wat lager, en dit is _iets_ gewonnen.

Maar zóóver zyn we nog altyd niet met debatspecery. Nog immer vinden

mensen en ... kiezers, 'n _haut goût_ van talent in de hebbelykheid

van frazenlymen. Ze schynen niet te weten dat de prys van dit artikel

sedert de afschaffing van 't monopolie zoo verbazend gedaald is. Wat

onbevangenheid, 'n beetje gewoonte z'n eigen stem te hooren, _le désir

de se voir imprimé_, 'n twintigtal gelegenheids-frazen, 'n wel

geprepareerd slotwoord, _et le tour est fait_!

Voedsel zit er in dat alles niet, zei ik zoo-even, toen ik van andere

goedkoope produkten sprak. Zit er voedsel in wat we zien voortbrengen

door zulke publieksprekers? Om te blyven by 't voorbeeld dat ik

aanhaalde, durf ik vragen of er in al die aanvallen van 't geacht lid

KOORDERS tegen den heer THORBECKE, één nieuw denkbeeld is ontwikkeld?

Of er één oud denkbeeld in nieuw licht werd gesteld? Of er _iets_ is

overgebleven van die telkens tevergeefs afgestoken vuurwerkjes? Werd

er in 't grenzeloos ryk der IDEEN 'n nieuw werelddeel ontdekt? Een

vreemde kust? Een onbekenden klip? Een dorp, 'n rots, 'n zodenbankjen,

'n zandkorrel? Niets van dat alles! Niet eenmaal 'n nieuw kiesdistrikt.

Geen _mot_ zelfs is blyven bestaan van al de projektielen waarmee de

arme THORBECKE uit z'n eigen _kies-mitrailleuse_ beschoten werd. Wind

zyt ge, o praat-specialiteit, tot wind zult ge wederkeeren. Dat zy zoo!

De wensch is vroom. Van alle specialiteiten is de redevoerspecialiteit

de verderfelykste, de onuitroeibaarste! In-weerwil der uitvinding van

den beroemden HAKIM HHAFIZ, is de kans op genezing van de ziekte nog

zeer gering. Ge moet weten, lezer, dat die man te stryden heeft met

boosaardige vyanden. Venynige tegenstanders hebben in Perzie z'n

pogingen verydeld door 't oprichten van dispuut-kollegien en

debatings-klubs. Men ziet het, iemand die z'n tyd vooruit is, stuit

gewoonlyk op boosaardige tegenwerking. Ook ik heb 'n uitvinding

gedaan. Ik wilde de publieksprekers inenten met de tranen van 'n

berouwhebbenden ekster. Maar ik houd de ontdekking geheim, uit vrees

dat broodnyd en zucht tot zelfbehoud zich zullen wreken door 't

oprichten van instituten als die in Perzie den armen HHAFIZ het leven

verbitteren. Ik denk dat-i naar Wiesbaden vluchten zal.

Wie overigens nog niet voldoende doordrongen is van den noodlottigen

invloed der praatspecialiteiten, sla het oog op 't ongelukkig Frankryk

waar men, na al de bittere ondervinding van 't laatste jaar, nog altyd

niet van de kwaal genezen is. Toen dezer dagen de generaal VINOY met

al de duizende vechtmannen die hy onder z'n bevelen had, gevlucht was

voor de opstandelingen te Parys, gaf 'n frazensmid van die gebeurtenis

aan de _Assemblée Nationale_ kennis met de woorden: _le général a

concentré ses forces à Versailles_. Indien de Fransche afgevaardigden

Duitsch lazen, zouden ze weten dat sedert maanden hun vechtende en

gevechtbeschryvende landgenooten door den vyand over zulke frazen

worden bespot, en dat de uitdrukking: _sich rückwärts konzentriren_,

op Franschen toegepast, in den mond der opgeblazen onderdanen van

Keizer WILHELM--die op hun beurt óók met frazen weten omtegaan!

--identiek is geworden met schandelyk wegloopen. De vaderlandredders in

de _Assemblée_ slikken nog altyd zulke woorden, en zetten daarby een

gezicht alsof ze doordrongen zyn van 't besef der strategische waarde

van zoo'n militaire retrovolutie. JULES FAVRE, een pleit-en praatman,

spreekspecialiteit van den eersten rang, vond 'n andere manier uit om

lafhartige vlucht te eufonizeeren. Hy, lid van de Regeering, had--even

als al z'n ambtgenooten trouwens--'t hazenpad gekozen voor de

oproerlingen van '_t Hôtel de Ville_, en met majestueuze deftigheid

stelde hy die rugwaartsche koncentratie aan de Volksvertegenwoordiging

voor, als 'n heroïsche poging om den vyand te verdelgen: _en créant

autour de lui le vide le plus absolu_. 't Doet waarlyk denken aan 'n

muisjen onder de luchtpomp. Maar ... als nu eens die vyand, aangetrokken

door 't zoo heldhaftig geschapen _vacuum_, zich liet voorttrekken naar

_Versailles_, en verder, verder, zoo vèr de door voortdurende vlucht

veroorzaakte ylheid toelaat of eischt ... wat dan? _Que usque_, o dappere

JULIUS FRAZE? Hoe lang wilt ge den vyand op u toe zuigen? Ik heb ongelyk.

Er staat: _autour_, luchtledige zuiging dus aan alle kanten tegelyk ...

't is om te bersten.

De _Assemblée_ neemt genoegen met zulke _cant_, zy die optreedt als

redster van 't bedrogen Frankryk dat te-gronde werd gericht door

praatjes van gelyke soort. Die mensen hebben niets geleerd en niets

afgeleerd. Doch waarom 't hùn te wyten? Werden ze niet door 'n

_wettelyk bevoegd verklaard deel des Volks_ waardig en bekwaam

gekeurd, de belangen van dat Volk te behartigen?

Tot-nog-toe ging het ten-onzent niet beter. En 't is te betwyfelen of

dit veranderen zal. Maar, in-weerwil myner moedeloosheid zal ik blyven

waarschuwen zoo goed ik kan. Wie meenen mocht dat ik by veel gelegenheden,

en ook nu weer in deze bladen, onze Volksvertegenwoordiging te hard val,

vrage zich of de Kamers by 't Volk in aanzien zijn? Dit is het geval

_niet_. De kiezers minachten hun eigen werk. Vreemd is 't zeker, dat

koks de spijzen niet lusten die zij anderen voorzetten. Reeds het bywonen

van 't vuil geknoei in de keuken, maakt het onmogelijk die met smaak te

nuttigen, hoe veel te meer moet dit het geval zyn als men heeft

deelgenomen aan dat gemors.

En ... 't oordeel der Kamerleden-zelf! Wie slechts eenmaal gelet heeft

op den toon waarop buiten 's kamers zoo'n uitverkorene zijn

mede-uitverkorenen «ze» noemt, zal my ten-goede houden dat ik met die

heeren weinig omslag maak, waartoe geen groote moed vereischt wordt,

daar ieder hunner in 't byzonder volkomen instemt met m'n oordeel over

z'n «geachte» kollegaas _en-bloc_. Dagelyks hoort men:

«Dat begrypen _ze_ niet ... dáártoe zyn _ze_ niet te bewegen ...

zoo-iets is _hun_ te hoog!»

En de éénling die aldus spreekt en accentueert, heeft gelyk. Er ligt

niet de minste verwaandheid in, dat hy zich als _individu_ hooger

stelt dan al z'n ambtgenooten _te-zamen genomen._ Hy voelt inderdaad

het overwicht van z'n onverbrokkelde individualiteit tegenover de

poespas van kennis en kunde, die door gebrek aan affiniteit nooit 'n

dergelyk geheel kan uitmaken. Een verzameling van mensen bezit als

zoodanig nooit een der eigenschappen die 'n mens kunnen versieren. Ze

heeft geen konsekwenten wil, geen overtuiging, geen bekwaamheid, geen

geweten, geen eergevoel, geen schaamte en geen moed. Elk _individu_,

hoe schitterend middelmatig ook, staat boven 'n _Vergadering_, (IDEE

9 en 336).

Wie na al 't aangevoerde nog verder bewys verlangt van de laagte

waarop onze Volksvertegenwoordiging staat, legge zich de vragen voor:

_Welk werkstuk heeft ooit onze Kamer voortgebracht? Welk belangryk

denkbeeld is uit haar voortgekomen? Welke blyken gaf zy dat ze besef

had van haar verplichtingen? Op welk gebied leverde zy voorbeelden ter

navolging? In welk opzicht was zy uitstekend? Wat heeft het Vaderland

aan z'n vertegenwoordiging te danken_?

Uit overvloed van individueele specialiteiten in allerlei vakken, werd

zy altyd verhinderd kollektief te zyn wat ze uit den aard der zaak

wezen moest: _algemeene_ SPECIALITEIT _ter behartiging van de belangen

des_ VOLKS.

Ziedaar alzoo wat de in willekeurige brokstukken verdeelde opinie der

menigte oplevert! _Vox populi Vox Dei_, zegt men, zonder te bedenken

dat men daarmee z'n God 'n vreemd kompliment maakt. Een zonderlinge

eer voorwaar--en voor 'n God nogal!--homogeen te worden verklaard met

kannibalen, roovers, heksenbranders, stommerikken, aanhangers van

oudwyvenpraatjes, geloovers, verstandmoorders, enz. enz. Hadden niet

al die specialiteiten van beroerdheid eenmaal--en hebben ze niet nog,

in zekere landen--zoo'n _Vox_ op haar hand? Doch, dit daargelaten, ik

vraag of zy die den wil van hun God vereenzelvigen met den Volkswil,

geen zonde doen door die eensluidende voxen doorteknippen als 'n

poliep? Me dunkt: ge zult den Heere uwen God niet distriktifieeren.

Zéker is 't dat _myn_ godin, de _Rede_, geen genoegen neemt met zulke

kinderachtige en misdadige kunstjes.

Specialiteiten · 第 12 / 18 题