LXXXIV.

Oover de groen-en-geele rijstvelden slieren

de schaduwen van de herfstwolken, gevolgd

door de snel-jagende zonneschijn.

De bijen vergeeten hun hoonig te nippen;

verdwaasd zweeven en zoemen ze, dronken

van licht.

De eenden, op de eilanden in de rivier,

tieren van plezier om louter niets.

Laat niemand naar huis teruggaan deezen

morgen, broeders, laat niemand aan 't werk

gaan.

Laat ons den blaauwen heemel stormender

hand neemen, en de ruimte plunderen

bij 't loopen.

Lachen drijft in de lucht, als schuim op den

vloed.

Broeders, laat ons onzen morgen verspillen

in nuttelooze liederen.

De Hoovenier · 第 105 / 106 题