Oover de groen-en-geele rijstvelden slieren
de schaduwen van de herfstwolken, gevolgd
door de snel-jagende zonneschijn.
De bijen vergeeten hun hoonig te nippen;
verdwaasd zweeven en zoemen ze, dronken
van licht.
De eenden, op de eilanden in de rivier,
tieren van plezier om louter niets.
Laat niemand naar huis teruggaan deezen
morgen, broeders, laat niemand aan 't werk
gaan.
Laat ons den blaauwen heemel stormender
hand neemen, en de ruimte plunderen
bij 't loopen.
Lachen drijft in de lucht, als schuim op den
vloed.
Broeders, laat ons onzen morgen verspillen
in nuttelooze liederen.