LXXXV.

Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest

oover honderd jaar?

Ik kan u geen enkele bloem zenden van

deeze lente-weelde, geen enkele gouden

stréép van gindsche wolken.

Oopen uw deuren en zie naar buiten.

Verzamel uit uw bloeyende hof geurige

herinneringen, van de verdweenen bloemen

van voor honderd jaar.

Moogt gij in de vreugde uws harten de

leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen

zong, en haar blijde stem heen zond

oover honderd jaren.

De Hoovenier · 第 106 / 106 题