Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest
oover honderd jaar?
Ik kan u geen enkele bloem zenden van
deeze lente-weelde, geen enkele gouden
stréép van gindsche wolken.
Oopen uw deuren en zie naar buiten.
Verzamel uit uw bloeyende hof geurige
herinneringen, van de verdweenen bloemen
van voor honderd jaar.
Moogt gij in de vreugde uws harten de
leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen
zong, en haar blijde stem heen zond
oover honderd jaren.