Zij woonde op de heuvel-helling aan den
rand van een maïsveld, digtbij de beek, die
in lachende rimpels door de plechtige schaduw
van oude boomen stroomt. Daar
kwamen de vrouwen om hun kruiken te vullen,
en voetgangers zaten er te rusten en te
praten. Zij werkte en droomde er dagelijks,
bij den deun van het kabbelende water.
Op een avond kwam de vreemdeling van
de in-wolken-verborgen top afdalen; zijn lokken
waren ineengekronkeld als slaperige
slangen. Wij vroegen verwonderd: "Wie zijt
gij?" Hij antwoordde niet, maar zat neer
bij de praatzieke stroom en staarde zwijgend
naar de hut waar zij woonde. Onze harten
trilden van vrees en wij kwamen thuis toen
het nacht was.
Den volgenden morgen, toen de vrouwen
kwamen om water te halen uit de bron bij
de deodar boomen, vonden zij de deuren in
haar hut oopen, maar haar stem was weg en
waar was haar lachend gelaat?
De leege kruik lag op den vloer en haar
lamp was vanzelf uitgebrand in den hoek.
Niemand wist waarheen zij gevlucht was, totdat
de morgen kwam--en de vreemdeling
verdweenen was.
In de maand Mei werd de zon krachtig en
de sneeuw smolt, en wij zaten bij de bron en
weenden. We vroegen ons af: "zou er een
bron zijn in 't land waarheen ze is gegaan,
waar ze haar kruik kan vullen in deeze heete
dorstige dagen?" En wij vroegen elkander
neerslachtig: "Is er land aan géne kant van
onze heuvelen?"
Het was een zoomernacht; het briesje
kwam van 't zuiden; en ik zat in haar verlaten
kamer, waarin de lamp nog altijd onaangestooken
stond. Toen plotseling de
heuvelen voor mijn oogen verdweenen als
weggeschooven gordijnen. "Ach, zij is het
die aankomt. Hoe gaat het, mijn kind? Ben
je gelukkig? Maar waar kun je schuilen
onder deezen vrijen heemel? En helaas! onze
beek is er niet, om je dorst te stillen."
"Hier is dezelfde heemel," zeide zij "maar
vrij van de beschuttende heuvels--dit is dezelfde
stroom, gezwollen tot een rivier--dezelfde
aarde, verwijd tot een vlakte".
"Alles is hier" zuchtte ik "alleen wijzelven
zijn er niet". Zij glimlachte droeviglijk en
zeide: "Je bent in mijn hart". Ik ontwaakte
en hoorde het kabbelen van den stroom en
het nachtelijk ruischen der deodars.