LXXXIII.

Zij woonde op de heuvel-helling aan den

rand van een maïsveld, digtbij de beek, die

in lachende rimpels door de plechtige schaduw

van oude boomen stroomt. Daar

kwamen de vrouwen om hun kruiken te vullen,

en voetgangers zaten er te rusten en te

praten. Zij werkte en droomde er dagelijks,

bij den deun van het kabbelende water.

Op een avond kwam de vreemdeling van

de in-wolken-verborgen top afdalen; zijn lokken

waren ineengekronkeld als slaperige

slangen. Wij vroegen verwonderd: "Wie zijt

gij?" Hij antwoordde niet, maar zat neer

bij de praatzieke stroom en staarde zwijgend

naar de hut waar zij woonde. Onze harten

trilden van vrees en wij kwamen thuis toen

het nacht was.

Den volgenden morgen, toen de vrouwen

kwamen om water te halen uit de bron bij

de deodar boomen, vonden zij de deuren in

haar hut oopen, maar haar stem was weg en

waar was haar lachend gelaat?

De leege kruik lag op den vloer en haar

lamp was vanzelf uitgebrand in den hoek.

Niemand wist waarheen zij gevlucht was, totdat

de morgen kwam--en de vreemdeling

verdweenen was.

In de maand Mei werd de zon krachtig en

de sneeuw smolt, en wij zaten bij de bron en

weenden. We vroegen ons af: "zou er een

bron zijn in 't land waarheen ze is gegaan,

waar ze haar kruik kan vullen in deeze heete

dorstige dagen?" En wij vroegen elkander

neerslachtig: "Is er land aan géne kant van

onze heuvelen?"

Het was een zoomernacht; het briesje

kwam van 't zuiden; en ik zat in haar verlaten

kamer, waarin de lamp nog altijd onaangestooken

stond. Toen plotseling de

heuvelen voor mijn oogen verdweenen als

weggeschooven gordijnen. "Ach, zij is het

die aankomt. Hoe gaat het, mijn kind? Ben

je gelukkig? Maar waar kun je schuilen

onder deezen vrijen heemel? En helaas! onze

beek is er niet, om je dorst te stillen."

"Hier is dezelfde heemel," zeide zij "maar

vrij van de beschuttende heuvels--dit is dezelfde

stroom, gezwollen tot een rivier--dezelfde

aarde, verwijd tot een vlakte".

"Alles is hier" zuchtte ik "alleen wijzelven

zijn er niet". Zij glimlachte droeviglijk en

zeide: "Je bent in mijn hart". Ik ontwaakte

en hoorde het kabbelen van den stroom en

het nachtelijk ruischen der deodars.

De Hoovenier · 第 104 / 106 题