Wij gaan vannacht het spel van den dood
speelen, mijn bruid en ik.
De nacht is zwart, de wolken aan den heemel
zijn grillig, en op zee razen de golven.
We hebben het bed onzer droomen verlaten,
de deur oopengeworpen en zijn naar
buiten gegaan, mijn bruid en ik.
Wij zitten op een schommel en de stormwinden
geeven ons van achtern een wilde
duuw.
Mijn bruid schrikt op van vrees en
vreugde, siddert en klemt zich aan mijn borst.
Lang heb ik haar teederlijk gediend.
Ik maakte voor haar een bed van bloemen,
en ik sloot de deuren om het felle licht van
haar oogen te weeren.
Ik kuste haar ligtelijk op de lippen, en
fluisterde zachtkens in haar oor, tot zij half
zwijmde in oovergave.
Zij was verlooren in de eindelooze neevel
van vage zoetheid.
Ze beantwoordde mijn aanraking niet, mijn
zangen konden haar niet wekken.
Vannacht is de roep tot ons gekoomen van
den storm der wildernis,
Mijn bruid huiverde en stond op, ze greep
mijn hand en ging naar buiten.
Heur haar fladdert in den wind, haar sluyer
wappert, haar bloemen-snoer ritselt op haar
boezem.
De duuw des Doods heeft haar in 't leeven
geslingerd.
Wij zijn aangezicht aan aangezicht en hart
aan hart, mijn bruid en ik.