LXXXII.

Wij gaan vannacht het spel van den dood

speelen, mijn bruid en ik.

De nacht is zwart, de wolken aan den heemel

zijn grillig, en op zee razen de golven.

We hebben het bed onzer droomen verlaten,

de deur oopengeworpen en zijn naar

buiten gegaan, mijn bruid en ik.

Wij zitten op een schommel en de stormwinden

geeven ons van achtern een wilde

duuw.

Mijn bruid schrikt op van vrees en

vreugde, siddert en klemt zich aan mijn borst.

Lang heb ik haar teederlijk gediend.

Ik maakte voor haar een bed van bloemen,

en ik sloot de deuren om het felle licht van

haar oogen te weeren.

Ik kuste haar ligtelijk op de lippen, en

fluisterde zachtkens in haar oor, tot zij half

zwijmde in oovergave.

Zij was verlooren in de eindelooze neevel

van vage zoetheid.

Ze beantwoordde mijn aanraking niet, mijn

zangen konden haar niet wekken.

Vannacht is de roep tot ons gekoomen van

den storm der wildernis,

Mijn bruid huiverde en stond op, ze greep

mijn hand en ging naar buiten.

Heur haar fladdert in den wind, haar sluyer

wappert, haar bloemen-snoer ritselt op haar

boezem.

De duuw des Doods heeft haar in 't leeven

geslingerd.

Wij zijn aangezicht aan aangezicht en hart

aan hart, mijn bruid en ik.

De Hoovenier · 第 103 / 106 题