Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn
oor, O Dood, mijn Dood?
Als de bloemen zich neigen in den avondstond,
en het vee terugkeert tot zijn stallen,
dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en
fluistert woorden die ik niet versta.
Moet gij mij aldus werven en winnen met
het heulsap van droomerig gemurmel en
koude kussen, O Dood, mijn Dood?
Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij
onze bruiloft?
Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet
opbinden met een krans?
Zal niemand uw banier voor u uitdragen,
en zal de nacht niet in gloed staan door uw
roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?
Kom met klinkende kinkhoorns, kom in
den slapeloozen nacht.
Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp
mijn hand en neem mij.
Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur,
met ongeduldig hinnikende paarden.
Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in 't
gelaat, O Dood, mijn Dood.