LXXXI.

Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn

oor, O Dood, mijn Dood?

Als de bloemen zich neigen in den avondstond,

en het vee terugkeert tot zijn stallen,

dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en

fluistert woorden die ik niet versta.

Moet gij mij aldus werven en winnen met

het heulsap van droomerig gemurmel en

koude kussen, O Dood, mijn Dood?

Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij

onze bruiloft?

Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet

opbinden met een krans?

Zal niemand uw banier voor u uitdragen,

en zal de nacht niet in gloed staan door uw

roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?

Kom met klinkende kinkhoorns, kom in

den slapeloozen nacht.

Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp

mijn hand en neem mij.

Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur,

met ongeduldig hinnikende paarden.

Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in 't

gelaat, O Dood, mijn Dood.

De Hoovenier · 第 102 / 106 题