LXXIX.

Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de

grenzen van herkenning verborgen liggen

tusschen den mensch en het beest, wiens hart

geen gesprooken taal kent.

Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen

liep het eenvoudige pad,

waarop hun harten elkaar bezochten?

Deeze spooren van hun gestadigen tred

zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap

lang vergeeten.

En plotseling in een of andere woordelooze

muziek ontwaakt de scheemerige herinnering--en

het dier staart den mensch in 't

gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch

ziet het dier in de oogen met glimlachende

geneegenheid.

Het is dan als ontmoetten de twee vrienden

elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend

elkander in de vermomming.

De Hoovenier · 第 100 / 106 题