Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de
grenzen van herkenning verborgen liggen
tusschen den mensch en het beest, wiens hart
geen gesprooken taal kent.
Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen
liep het eenvoudige pad,
waarop hun harten elkaar bezochten?
Deeze spooren van hun gestadigen tred
zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap
lang vergeeten.
En plotseling in een of andere woordelooze
muziek ontwaakt de scheemerige herinnering--en
het dier staart den mensch in 't
gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch
ziet het dier in de oogen met glimlachende
geneegenheid.
Het is dan als ontmoetten de twee vrienden
elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend
elkander in de vermomming.