Het was in Mei. De drukkende middag
scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte
van dorst in de hitte.
Toen hoorde ik van den stroom-oever
een stem, roepend: "Kom dan, lievert!"
Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster
om naar buiten te zien.
Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte
huid bij de rivier staan, met goedige,
geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie
in 't water wadend, riep hem naar zijn bad.
Ik had plezier en glimlachte en voelde iets
liefelijks in mijn hart.