De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk
land, zijn beezig met graven, om steenen
te maken voor den ooven.
Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats
bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen
schuuren en schrobben zonder end.
Haar broertje, met geschooren hoofdje en
bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat
haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig
op den hoogen oever.
Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in
eevenwicht op haar hoofd, het blinkende
koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend
met haar rechter--als het
dienaresje van haar moeder, ernstig door 't
gewigt van huisselijke beslommering.
Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte
beenen neerzitten.
Zijn zuster zat in het water en schuurde
met een handvol aarde een drinkvat, dat ze
om en om draaide.
Een zachtharig lammetje stond digtbij op
den oever te grazen.
Hij naderde de plaats, waar de jongen zat
en blaatte op eenmaal luid, het kind verschrok
en schreeuwde.
Zijn zuster staakte het reinigen van haar
vaatwerk en liep toe.
Zij nam broertje in één arm en lammetje
in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen
beiden verdeelend, verbond ze in één
liefdeband het kroost van dier en mensch.