LXXVI.

Vóór den tempel was het marktfeest in

vollen gang. Het had gereegend van den

vroegen morgen, en de dag neigde ten einde.

Blijder dan al de pret der meenigte was de

blijde glimlach van een meisje, dat voor een

penning een fluitje van palmblad had gekocht.

De schrille vreugd van dat fluitje steeg uit

booven al het gelach en rumoer.

Een eindelooze meenigte volks kwam en

verdrong elkaar. De weg was modderig, de

rivier gezwollen, het veld stond onder water

door gestadigen reegen.

Bitterder dan alle nooden der meenigte

was de nood van een kleinen jongen--hij

had geen penning om een gekleurde stok te

koopen.

De heele menschen-bijeenkomst werd erbarmelijk

door zijn weemoedig verlangende

oogen, die naar den winkel staarden.

De Hoovenier · 第 97 / 106 题