Vóór den tempel was het marktfeest in
vollen gang. Het had gereegend van den
vroegen morgen, en de dag neigde ten einde.
Blijder dan al de pret der meenigte was de
blijde glimlach van een meisje, dat voor een
penning een fluitje van palmblad had gekocht.
De schrille vreugd van dat fluitje steeg uit
booven al het gelach en rumoer.
Een eindelooze meenigte volks kwam en
verdrong elkaar. De weg was modderig, de
rivier gezwollen, het veld stond onder water
door gestadigen reegen.
Bitterder dan alle nooden der meenigte
was de nood van een kleinen jongen--hij
had geen penning om een gekleurde stok te
koopen.
De heele menschen-bijeenkomst werd erbarmelijk
door zijn weemoedig verlangende
oogen, die naar den winkel staarden.