LXXV.

Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:

"Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken

en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier

zoo lang in verblinding gehouden?"

God fluisterde: "Ik", maar de ooren van

den man waren verstopt.

Met haar zuigeling slapend aan haar

boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap

aan een kant van het bed.

De man zeide: "Wie zijt gij, die mij zoolang

bedot hebt?"

De stem zeide weer: "Zij zijn God", maar

hij hoorde niet.

De zuigeling riep in zijn droom en nestelde

zich digt aan de moeder.

God gebood: "Houd in, dwaas, verlaat uw

thuis niet" maar nog hoorde hij niet.

God zuchtte en klaagde: "Waarom gaat

mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken,

terwijl hij mij verzaakt?"

De Hoovenier · 第 96 / 106 题