Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:
"Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken
en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier
zoo lang in verblinding gehouden?"
God fluisterde: "Ik", maar de ooren van
den man waren verstopt.
Met haar zuigeling slapend aan haar
boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap
aan een kant van het bed.
De man zeide: "Wie zijt gij, die mij zoolang
bedot hebt?"
De stem zeide weer: "Zij zijn God", maar
hij hoorde niet.
De zuigeling riep in zijn droom en nestelde
zich digt aan de moeder.
God gebood: "Houd in, dwaas, verlaat uw
thuis niet" maar nog hoorde hij niet.
God zuchtte en klaagde: "Waarom gaat
mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken,
terwijl hij mij verzaakt?"