In de gehoorzaal der waereld zit de simpele
grashalm op hetzelfde tapijt met de
zonnestraal en de middernacht-sterren.
Zoo deelen mijn zangen hun zeetels, in het
hart der waereld, met de muziek van wolken
en wouden.
Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen
deel in de soobere grootheid van het blijde
zonnegoud, of van het weeke blinken der
peinzende maan.
De zeegen van den al-omvangenden
heemel wordt er niet oover uitgestort.
En als de dood komt, verbleekt ze, en
verschrompelt en verkruimelt tot stof.