LXXIV.

In de gehoorzaal der waereld zit de simpele

grashalm op hetzelfde tapijt met de

zonnestraal en de middernacht-sterren.

Zoo deelen mijn zangen hun zeetels, in het

hart der waereld, met de muziek van wolken

en wouden.

Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen

deel in de soobere grootheid van het blijde

zonnegoud, of van het weeke blinken der

peinzende maan.

De zeegen van den al-omvangenden

heemel wordt er niet oover uitgestort.

En als de dood komt, verbleekt ze, en

verschrompelt en verkruimelt tot stof.

De Hoovenier · 第 95 / 106 题