LXXIII.

Uw rijkdom is niet oneindig, mijn geduldige

en donkere moeder aarde!

Gij zwoegt om de monden uwer kinderen

te vullen, maar voedsel is schaars.

De gave der blijdschap, die gij voor ons

hebt, is nooit volkoomen.

Het speelgoed, dat ge voor uw kinderen

maakt, is broos.

Gij kunt al onze hongerige verwachtingen

niet voldoen, maar zou ik u daarom verlaten?

Uw door smart beschaduwde glimlach is

liefelijk voor mijn oogen.

Uw liefde, die geen voleindiging kent, is

mijn hart dierbaar.

Gij hebt ons uit uw borst gevoed met leeven,

niet met onsterfelijkheid, daarom zijn

uw oogen altijd waaksaam.

Aeonen lang werkt gij met kleur en zang,

toch is uw heemel niet gebouwd, alleen zijn

droeve aanduiding.

Oover uwe schoonheids-scheppingen ligt

de tranen-neevel.

Ik zal mijn zangen storten in uw zwijgend

hart, en mijn liefde in uwe liefde.

Ik zal u eeren door arbeid.

Ik heb uw zacht gelaat gezien en ik min

uw rouw-vol stof, moeder aarde.

De Hoovenier · 第 94 / 106 题