Ik bouwde eenen tempel met dagen van
harden arbeid. Hij had deuren noch vensters,
zijn muuren waren dik gemetseld van massieven
steen.
Ik vergat al het andere, ik vermeed de
waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing
naar het beeld, dat ik op het altaar had
gezet.
Binnen was het altijd nacht, verlicht door
lampen met geurige olie.
De gestadige walm van wierook wond mijn
hart in zijn zware kronkels.
Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische
figuuren in verbijsterend verwikkelde
lijnen--gevleugelde paarden, bloemen met
menschengelaat,--vrouwen met slangeleeden.
Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor
voogelgezang, blad-geruisch, of druk
dorpsgerucht zou kunnen dringen.
De eenige klank, die echoode in den donkeren
dom, was mijn psalm-gezang.
Mijn geest werd scherp en stil als een
puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in
ekstaze.
Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de
donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn
mij door het hart stak.
De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels
op de muuren zagen, als gekeetende
droomen, weezenloos in het licht, alsof ze
zich wel wilden verschuilen.
Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik
zag dat het glimlachte, leevend door de
leevendige aanraking Gods. De nacht, dien
ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en
verzwond.