De dag is nog niet voorbij, het marktfeest
is nog niet ten einde, het marktfeest aan den
stroom-oever.
Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en
mijn laatste penning verlooren.
Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets
oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.
Het koopen en verkoopen is gedaan.
De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en
het is tijd voor mij naar huis te gaan.
Tolwachter, eisch je je tolgeld?
Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot
heeft me niet alles ontfutseld.
Het luuwen van den wind dreigt met storm,
en de in het westen dalende wolken voorspellen
geen goeds.
Het verstomde water wacht op den wind.
Ik spoed mij om den stroom oover te steeken
vóór den nacht.
O veerman, verlang je je veergeld?
Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn
lot heeft me niet alles ontfutseld.
Aan den wegkant, onder den boom, zit de
beedelaar. Helaas, hij ziet mij in 't gelaat
met schuchtere hoop!
Hij denkt dat ik rijk ben door de winst
van den dag.
Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn
lot heeft me niet alles ontfutseld.
De nacht wordt donker en eenzaam de
weg. Glimwormen glanzen tusschen de
bladeren.
Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille
schreeden?
O, ik weet, gij wilt mij berooven van al
mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.
Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft
mij niet alles ontfutseld.
Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen
zijn leeg.
Gij wacht met angstige oogen aan mijn
deur, zwijgend en slapeloos.
Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan
mijn borst met greetige liefde.
Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.
Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.