Ik herinner mij een dag uit mijn kindertijd,
waarop ik een papieren schuitje liet varen in
een greppel.
Het was een reegen-dag in Juli; ik was
alleen en gelukkig in mijn spelletje.
Ik liet mijn papieren schuitje varen in de
greppel.
Plotseling werden de onweerswolken dikker,
de wind kwam in vlagen, en de reegen
viel bij stroomen.
Beekjes modderig water bruisten aan, deeden
de stroom zwellen en mijn schuitje
zinken.
Ik dacht met bitterheid, dat de storm
opzettelijk was gekoomen om mijn plezier te
bederven; al zijn boosaardigheid gold mij.
De wolkdonkere Juli-dag is heeden lang,
en ik heb gepeinsd oover al die spelletjes in
't leeven, waarin ik verloor.
Ik verweet mijn lot de veele streeken die
het mij speelde,--toen dacht ik opeens aan
mijn papieren schuitje, dat zonk in de
greppel.