LXX.

Ik herinner mij een dag uit mijn kindertijd,

waarop ik een papieren schuitje liet varen in

een greppel.

Het was een reegen-dag in Juli; ik was

alleen en gelukkig in mijn spelletje.

Ik liet mijn papieren schuitje varen in de

greppel.

Plotseling werden de onweerswolken dikker,

de wind kwam in vlagen, en de reegen

viel bij stroomen.

Beekjes modderig water bruisten aan, deeden

de stroom zwellen en mijn schuitje

zinken.

Ik dacht met bitterheid, dat de storm

opzettelijk was gekoomen om mijn plezier te

bederven; al zijn boosaardigheid gold mij.

De wolkdonkere Juli-dag is heeden lang,

en ik heb gepeinsd oover al die spelletjes in

't leeven, waarin ik verloor.

Ik verweet mijn lot de veele streeken die

het mij speelde,--toen dacht ik opeens aan

mijn papieren schuitje, dat zonk in de

greppel.

De Hoovenier · 第 91 / 106 题