Al komt de avond met trage schreeden en
wenkt dat alle gezangen zullen staken;
al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt
gij zelve moede;
al loert vrees in het donker en al is het
gelaat des heemels omsluyerd;
toch, voogel! o mijn voogel, luister naar
me, vouw uw vleugelen niet digt.
Dat donkere is niet het woud-gebladert,
het is de zee, zwellend als een donkere
zwarte slang.
Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem,
het is opblinkend schuim.
Ach, waar is de groene zonnige kust, waar
is uw nest?
Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw
uw vleugelen niet digt.
Langs uwen weg ligt de eenzame nacht,
de dageraad slaapt achter de schaduwige
heuvelen.
De sterren tellen de uuren met ingehouden
adem, de zwakke maan drijft door de
scheemerige nacht.
Voogel! o mijn voogel, luister naar me,
vouw uw vleugelen niet digt.
Voor u is er noch hoop, noch vrees.
Er is geen woord, geen fluistering, geen
roep.
Geen thuis, geen rustplaats.
Niets als uw eigen vleugelpaar en de
weegenlooze heemel.
Voogel, o mijn voogel, luister naar mij,
vouw uw vleugelen niet digt.