Een zwervende dwaas zocht den steen der
wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en
vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd,
zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten
deuren van zijn hart, zijn oogen
gloeiden als het licht van een glimworm die
zijn wijfje zoekt.
Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.
De rumoerige golven spraken gestadig van
verborgen schatten, de onweetendheid bespottend,
die hun beteekenis niet kende.
Misschien had hij alle hoop opgegeeven,
toch wou hij niet rusten, want het zoeken
was zijn leeven geworden,--
Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen
tot den heemel opheft naar het onbereikbare.--
Eeven als de sterren in kringen beweegen,
en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt
kan worden.--
Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige,
stoffige haren aan het eenzame strand en
zocht den steen der wijzen.
Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen
tot hem en vroeg: "Zeg, hoe kom je aan die
gouden ketting om je middel?"
De dwaas schrok op--de ketting, die eens
van ijzer was, was waarlijk van goud; het
was geen droom, maar hij wist niet wanneer
zij veranderd was.
Woest sloeg hij zich op 't voorhoofd--wáár,
o wáár toch had hij dit succes bereikt
zonder het te weeten?
Het was hem een gewoonte geworden
steenen op te rapen en de ketting er mee
aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder
te zien of de verandering gelukt was; zoo
had de dwaas den steen gevonden en weer
verlooren.
De zon zonk laag in 't westen, de heemel
was als goud.
De dwaas keerde terug op zijn schreeden
om opnieuw de verlooren schat te vinden,
zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn
hart in 't stof--als een ontwortelde boom.