Is dat uw roep weederom?
De avond is gekoomen. Vermoeidheid
omvangt me als de armen van smeekende
liefde.
Roept gij mij?
Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede
meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht
rooven?
Ergends is een einde aan alles, en de
eenzaamheid van het duister is ons eigendom.
Moet uw stem daar doorhéén booren en
mij slaan?
Heeft de avond aan uwe poort geen
sluimermuziek?
Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer
den heemel booven uw genadelooze tooren.
Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op
het stof, in zacht sterven.
Moet gij mij roepen, Rustelooze?
Dan moogen de droeve oogen der liefde te
vergeefs wachten en weenen.
De lamp mooge branden in het eenzame
huis.
De veerboot brenge de moede arbeiders
huiswaarts.
Ik laat mijn droomen achter en kom haastig
op uw roep.