LXV.

Is dat uw roep weederom?

De avond is gekoomen. Vermoeidheid

omvangt me als de armen van smeekende

liefde.

Roept gij mij?

Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede

meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht

rooven?

Ergends is een einde aan alles, en de

eenzaamheid van het duister is ons eigendom.

Moet uw stem daar doorhéén booren en

mij slaan?

Heeft de avond aan uwe poort geen

sluimermuziek?

Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer

den heemel booven uw genadelooze tooren.

Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op

het stof, in zacht sterven.

Moet gij mij roepen, Rustelooze?

Dan moogen de droeve oogen der liefde te

vergeefs wachten en weenen.

De lamp mooge branden in het eenzame

huis.

De veerboot brenge de moede arbeiders

huiswaarts.

Ik laat mijn droomen achter en kom haastig

op uw roep.

De Hoovenier · 第 86 / 106 题