Ik verbracht mijn dag op het blakend
heete stof van den weg.
Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur
van de herberg. Ze is verlaten en in puin
gevallen.
Een grimmige asjat boom spreidt zijn
hongerig grijpende wortels door de gapende
muurspleeten.
Er waren dagen dat voetgangers hier hun
moede voeten kwamen wasschen.
Zij spreidden hun matten in den voorhof,
bij het matte licht van de vroege maan, en
zaten en praatten oover vreemde landen.
Zij ontwaakten verkwikt in den morgen,
als voogels hen verblijdden en vriendelijke
bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten
aan den kant van den weg.
Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen
brandende lamp.
Zwarte roetvlekken, achtergelaten door
veele vergeeten avondlampen, staren van
den muur, als blinde oogen.
Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij
den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen
werpen hun schaduw op het begraasde pad.
Ik ben niemands gast aan het einde van
mijn dag.
Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.