Reiziger, moet gij vertrekken?
De nacht is stil en de duisternis zijgt op
het woud.
Op ons balkon zijn de lampen helder, de
bloemen allen frisch en de jeugdige oogen
nog wakker.
Is de tijd voor het afscheid gekoomen?
Reiziger, moet gij vertrekken?
We hebben uw voeten niet met onze
smeekende armen gebonden.
De deuren zijn voor u oopen. Uw paard
staat gezadeld aan de poort.
Alleen met onze gezangen hebben wij
getracht uw heengaan te verhinderen.
Als wij getracht hebben u terug te houden,
was het alleen met onze oogen.
Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden.
Wij hebben niet dan onze tranen.
Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?
Welke rustelooze koorts woelt in uw
bloed?
Welke roep uit het duister dwingt u?
Welke vreesselijke bezweering hebt gij in
de sterren geleezen, dat de nacht uw hart
binnendrong met geheime verzeegelde boodschap,
zwijgend en vreemd.
Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt,
als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen
we onze lampen dooven en onze harpen
doen verstommen.
We zullen stil in 't donker zitten bij het
geruisch der bladeren, en de vermoeide maan
zal bleeke stralen op uw venster werpen.
O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het
hart van den middernacht heeft u aangeraakt?