LXII.

Ik ging op het donkere droomenpad om de

Geliefde te zoeken, die de mijne was in een

vroeger leeven.

Haar huis stond aan het eind van een verlaten

straat.

Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte

dommelend op zijn kruk, en de

duiven waren stil in hun hoekje.

Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en

stond vóór mij.

Zij hief haar groote oogen op naar mijn

gelaat en vroeg sprakeloos: "Gaat het u goed,

mijn vriend?"

Ik poogde te antwoorden, maar onze taal

was verlooren en vergeeten.

Ik peinsde en peinsde; maar onze namen

kon ik niet herinneren.

Tranen blonken in haar oogen. Ze hield

haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en

stond zwijgend.

Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte--en

doofde.

De Hoovenier · 第 83 / 106 题