Ik ging op het donkere droomenpad om de
Geliefde te zoeken, die de mijne was in een
vroeger leeven.
Haar huis stond aan het eind van een verlaten
straat.
Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte
dommelend op zijn kruk, en de
duiven waren stil in hun hoekje.
Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en
stond vóór mij.
Zij hief haar groote oogen op naar mijn
gelaat en vroeg sprakeloos: "Gaat het u goed,
mijn vriend?"
Ik poogde te antwoorden, maar onze taal
was verlooren en vergeeten.
Ik peinsde en peinsde; maar onze namen
kon ik niet herinneren.
Tranen blonken in haar oogen. Ze hield
haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en
stond zwijgend.
Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte--en
doofde.