LV.

Het was middag toen je wegging.

Fel stond de zon aan den heemel.

Ik had mijn werk gedaan en zat alleen op

mijn balkon toen je wegging.

Grillige windstooten voeren ziftend door

de geuren van veele verre landerijen.

De duiven koerden onophoudelijk in de

schaduw, en een bij verdwaalde in mijn

kamer, en zoemde het nieuws van veele

verre landerijen.

Het dorp sliep in de middaghette. De weg

lag verlaten.

In plotselinge vlagen rees en verstierf het

geruis der bladen.

Ik zag op naar den heemel, en weefde in

het blaauw de letters van een bekende naam,

terwijl het dorp sliep in de middaghette.

Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.

De kwijnende koelte speelde er mee op mijn

wang.

De rivier lag rimpeloos onder de

schaduw-oever.

De luye witte wolkjes bewoogen niet.

Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.

Het was middag toen je wegging.

Het stof van den weg was heet en de

akkers lagen te hijgen.

De duiven koerden in het digte gebladerte.

Ik was alleen op mijn balkon, toen je weg

ging.

De Hoovenier · 第 76 / 106 题