Het was middag toen je wegging.
Fel stond de zon aan den heemel.
Ik had mijn werk gedaan en zat alleen op
mijn balkon toen je wegging.
Grillige windstooten voeren ziftend door
de geuren van veele verre landerijen.
De duiven koerden onophoudelijk in de
schaduw, en een bij verdwaalde in mijn
kamer, en zoemde het nieuws van veele
verre landerijen.
Het dorp sliep in de middaghette. De weg
lag verlaten.
In plotselinge vlagen rees en verstierf het
geruis der bladen.
Ik zag op naar den heemel, en weefde in
het blaauw de letters van een bekende naam,
terwijl het dorp sliep in de middaghette.
Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.
De kwijnende koelte speelde er mee op mijn
wang.
De rivier lag rimpeloos onder de
schaduw-oever.
De luye witte wolkjes bewoogen niet.
Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.
Het was middag toen je wegging.
Het stof van den weg was heet en de
akkers lagen te hijgen.
De duiven koerden in het digte gebladerte.
Ik was alleen op mijn balkon, toen je weg
ging.