LVI.

Ik was ééne van veele vrouwen, beezig

met de obscure dagelijksche huishoudplichten.

Waarom hebt gij mij uitverkooren en weggebracht

uit de koele beschutting van ons

dagelijksch leeven?

Ongebiechte liefde is heilig. Zij schijnt als

juweelen in het duister van het verborgen

hart. In het licht van den nieuwsgierigen

dag ziet ze erbarmelijk dof.

O, gij, die in de schuilplaats van mijn hart

doordrongt en mijn sidderende liefde in 't

oopenbaar sleurdet, voor altijd het schaduwhoekje

vernielend waar haar nest verborgen

was!

De andere vrouwen zijn dezelfde gebleeven.

Geen enkele keek in haar eigen binnenste,

en zij weeten haar eigen geheim niet.

Ze glimlachen luchtigjes, en weenen,

babbelen en werken. Dagelijks gaan ze naar

den tempel, steeken hun lamp aan en halen

water uit de rivier.

Ik hoopte dat de rillende schaamte der

dakloozen aan mijne liefde bespaard zou

blijven, maar gij wendt uw gelaat af.

Ja, uw weg ligt voor u oopen, maar gij

hebt mijn terugkeer afgesneeden, en mij

naakt voor de lidlooze, dag en nacht starende

oogen der waereld gelaten.

De Hoovenier · 第 77 / 106 题