Ik was ééne van veele vrouwen, beezig
met de obscure dagelijksche huishoudplichten.
Waarom hebt gij mij uitverkooren en weggebracht
uit de koele beschutting van ons
dagelijksch leeven?
Ongebiechte liefde is heilig. Zij schijnt als
juweelen in het duister van het verborgen
hart. In het licht van den nieuwsgierigen
dag ziet ze erbarmelijk dof.
O, gij, die in de schuilplaats van mijn hart
doordrongt en mijn sidderende liefde in 't
oopenbaar sleurdet, voor altijd het schaduwhoekje
vernielend waar haar nest verborgen
was!
De andere vrouwen zijn dezelfde gebleeven.
Geen enkele keek in haar eigen binnenste,
en zij weeten haar eigen geheim niet.
Ze glimlachen luchtigjes, en weenen,
babbelen en werken. Dagelijks gaan ze naar
den tempel, steeken hun lamp aan en halen
water uit de rivier.
Ik hoopte dat de rillende schaamte der
dakloozen aan mijne liefde bespaard zou
blijven, maar gij wendt uw gelaat af.
Ja, uw weg ligt voor u oopen, maar gij
hebt mijn terugkeer afgesneeden, en mij
naakt voor de lidlooze, dag en nacht starende
oogen der waereld gelaten.