Waarheen zoo haastig met uw mand op
den laten avond, nu de markt geslooten is?
Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de
maan kijkt booven de boomen van het dorp.
De echoos van de stemmen, die roepen
naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere
water naar het verre moeras waar de
wilde eenden slapen.
Waarheen zoo haastig met uw mand, nu
de markt is geslooten?
Slaap legde haar vingers op de oogen van
den nacht.
De nesten van de kraayen zijn stil geworden,
en de fluisteringen van de bamboebladen
zwijgen.
De arbeiders, die thuis kwamen van den
akker, spreiden hun matten in den binnenhof.
Waarheen zoo haastig met uw mand, nu
de markt geslooten is?