Waarom hoondet gij mij met een blik?
Ik kwam niet als een beedelaar.
Een uurtje maar stond ik aan het einde
van uwen hof, buiten de heg.
Waarom hoondet gij mij met een blik?
Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen
vrucht heb ik geplukt.
Ik schuilde neederig in de schaduw aan
den weg, waar elke vreemde reiziger mag
staan.
Geen roos heb ik geplukt.
Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui
kwam neer.
De wind gierde tusschen de zwaayende
bamboe-twijgen.
De wolken snelden langs den heemel als
verslagen vluchtelingen.
Mijn voeten waren moede.
Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch
op wien gij wachtet aan uw deur.
Bliksemflitsen verblindden uw waakzame
oogen.
Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar
ik stond in 't donker?
Ik weet niet wat gij van mij dacht.
De dag is ten einde, de reegen heeft éven
opgehouden.
Ik verlaat de schaduw van den boom aan
het eind van uwen hof, en de zitplaats op
het gras.
Het is donker geworden, sluit uw deur, ik
ga mijns weegs.
De dag is ten einde.