Waarom doofde de lamp?
Ik hield er mijn mantel vóór, om haar voor
de wind te beschutten. Daarom doofde de
lamp.
Waarom welkte de bloem?
Ik drukte haar aan mijn hart in angstige
liefde. Daarom welkte de bloem.
Waarom verdroogde de stroom?
Ik legde er een dam door, om hem nuttig
voor mijn gebruik te maken, daarom droogde
de stroom.
Waarom brak de harp-snaar?
Ik trachtte haar een toon te ontwringen,
die booven haar macht was, daarom is de
harp-snaar gebrooken.